‘het hoofd is rond’

AUTOMOBIELFANAAT en vrouwenversierder. Bon vivant en geboren excentriekeling. Enfant terrible van de avantgardekunst en postmodernist avant la lettre. In de wereld van de moderne kunst speelde Francis Picabia (1879-1953) dankbaar de rol van rijke dilettant. Op de eerste tentoonstelling van moderne kunst in de Verenigde Staten, de befaamde Armory Show in New York (1913), liet hij zich vieren als ‘de koning van het kubisme’. Hij shockeerde het publiek in Amerika en Frankrijk met zijn machineschilderijen, waarin het bedrijven van de liefde werd vergeleken met een mechanische activiteit.

Terug in Parijs bemoeide hij zich even actief met de dadabeweging als hij in New York had gedaan. Een van zijn meest besproken dadaïstische activiteiten was de opvoering van een ballet, Relâche, waarvoor hij samenwerkte met onder meer Erik Satie en Jean Clair. De hoofdpersoon van het stuk was een cirkel, en ook het decor was uit cirkels samengesteld. De werkelijke hit was de korte film Entr'acte van René Clair, naar een scenario van Picabia. Entr'acte opent met een shot van een danser in tutu en beelden van het nachtelijke verkeer in Parijs. Dan pent de camera naar een scène op het dak van het theater, waar Marcel Duchamp en Man Ray zitten te schaken. Een stevige emmer water die de stukken van het bord zwiept, betekent het einde van het spel. Daarop volgen meer shots van dezelfde danser, nu uitgerust met een lange baard, een scène op een schietbaan en een begrafenisstoet met een lijkkist die wordt voortgetrokken door een kameel. Een dolle ren van de lijkstoet eindigt met een val van de kist, en met een lachende herrezen dode.
Kort na de uitvoering van Relâche trok Picabia zich terug uit dada. André Breton was zich ermee gaan bemoeien en stippelde dictatoriaal een route uit die dada en het latere surrealisme op de koers van het Sovjetcommunisme zou zetten. Dat ging Picabia te ver.
IN DE JAREN daarna bleef hij vriend en vijand verrassen door steeds met een volstrekt ándere, nieuwe schilderstijl op de proppen te komen. Veel van die stijlen waren geïnspireerd door bestaand beeldmateriaal. De onderdelen voor zijn schilderijen of tekeningen - bougies, springveren, zuigers en cilinders - knipte of kopieerde hij uit handboeken voor technici of monteurs. De titels voor deze ‘machinewerken’ vond hij in de Petit Larousse. Voor zijn zogenaamde transparanten 'hergebruikte’ hij tekeningen die hij op jongere leeftijd had gemaakt van stierenvechters of van meisjes uit Sevilla. Ook citeerde hij onbekommerd uit de geschiedenis van de westerse kunst.
Picabia’s werk onttrekt zich aan iedere categorisering. Impressionistisch, fauvistisch en dadaïstisch, figuratief en abstract, er is geen stijl die hij niet heeft beoefend. De laatste tien à vijftien jaar wordt Picabia vanwege de mengeling van stijlen en zijn recycling opgevoerd als voorloper van de postmodernistische kunstenaars.
Vanaf 28 februari is in Museum Boijmans Van Beuningen alleen het latere werk van Picabia te zien. Daaraan is in het verleden vaak stilzwijgend voorbijgegaan, om het beeld van Picabia als dadaïst pur sang niet te verstoren. Het latere werk is ook alweer uiterst divers. Wat bezielt iemand om kitscherig-realistische pin-up-naakten te schilderen en vervolgens probleemloos over te schakelen op volstrekt abstracte schilderijen, waarin enkele kleurige punten in een donker gekleurde achtergrond oplichten?
In de meeste gevallen schilderde Picabia eenvoudigweg foto’s na uit boulevardblaadjes; hij veranderde niets wezenlijks aan het fotografische karakter van het beeld. Toch aapte hij zijn fotografisch voorbeeld niet klakkeloos na. Hier en daar vereenvoudigde hij een detail; hij veranderde de positie van een arm of been, of hij voegde elementen toe. Soms is er sprake van een collage-effect, wanneer hij verschillende fotonaakten in een groepscompositie bij elkaar zet. In een enkel, uitzonderlijk geval lijkt hij terug te vallen op een surrealistische combinatie van ongelijksoortige beeldelementen: dan schildert hij een naakt vergezeld van een handschoen en een antieke kop met zwarte gaten als ogen, of samen met een primitief afgodsbeeld.
Picabia’s late werk verschilt naar bedoeling niet van wat daaraan voorafging. In alles wat hij deed - denken, schrijven en schilderen - ging hij tegen de heersende conventies in. Zijn late schilderijen zijn daarom geen 'aanval op de goede smaak’ of een spottende parodiëring van de bestaande kunst, de avantgarde incluis; Picabia exploiteerde álle beeldmiddelen die hij tegenkwam, als min of meer abstracte beeldelementen en als uitgangspunt voor een nieuw beeld.
Niet alleen maakte hij geen principieel onderscheid tussen 'kunst’ en 'kitsch’, ook ideologische verschillen bestonden voor hem niet. Volstrekte individuele vrijheid was zijn enige ideologie. L’ adoration du veau uit 1941-42, gebaseerd op een antifascistische fotomontage van Erwin Blumenfeld uit 1937, is een kenmerkend voorbeeld. Blumenfeld noemde zijn montage Minotaure of Le Dictateur. Het is typerend voor Picabia om zo'n ideologisch geladen beeld van zijn politieke bedoeling te beroven met behulp van een bijbelse connotatie. Toch gaat het hem niet om politiek of godsdienst, maar uitsluitend om het algemene verschijnsel van aanbidding en uitschakeling van de individuele wil.
Het lijkt verleidelijk om Picabia tot voorloper van de postmoderne kunst te bestempelen. Ook daar worden immers traditionele hiërarchische verhoudingen, zoals die tussen kunst en kitsch en tussen 'hogere’ en 'lagere’ kunst, op de helling gezet, teneinde duidelijk te maken dat absolute waarden en betekenissen niet (meer) bestaan. In het werk van Jeff Koons en Haim Steinbach heerst de gelijkschakeling tussen de dingen, de vereffening van stijlverhoudingen. Deze kunstenaars gaan er van uit dat er geen betekenis meer is buiten de betrokkenheid van het teken op andere tekens; zij stellen dat er geen stijlen meer bestaan die aan een ideologische inhoud te koppelen zijn. Daarmee erkennen ze impliciet dat de kunstenaar niet meer in staat is een omvattend wereldbeeld te formuleren. Picabia echter wilde met geen enkele ideologie meegaan en geen enkel wereldbeeld voorop stellen, omdat hij de vrijheid wilde behouden om zijn eigen weg te volgen. Feitelijk begon hij steeds opnieuw, from scratch, op zoek naar een puur persoonlijk idioom, geschikt voor het uitdrukken van zijn strikt persoonlijke waarheid.
In zijn laatste, zogenaamde 'puntschilderijen’ komt Picabia terug op zijn beeldmerk bij uitstek: de cirkel. Die refereert bij hem aan sterren, ogen, hoofden, energiepunten en (licht)bollen. Veel van de 'puntschilderijen’ zijn over ouder werk heen geschilderd, en soms zijn de contouren daarvan nog zichtbaar. Het heeft er veel van weg dat Picabia op zoek was naar een onontdekt middel om zijn fantasie aan het werk te zetten.
Dat koppelt het zo verschillende werk van Picabia door de jaren heen aan elkaar: hij zocht in wat was overgeleverd een nieuwe aanzet en een middel om datgene te schilderen wat puur uit de fantasie ontsprong en wat het oog niet kon zien. Toen zijn grootvader, lid van de Société Française de Photographie, hem op jonge leeftijd toevoegde dat schilderen uit de tijd was, antwoordde hij: 'Maar de fotografie kan niet afbeelden wat ik in mijn hoofd heb.’
Feitelijk was het wisselen van stijl Picabia’s enige stijlprincipe. 'Wanneer je zuivere ideeën wilt hebben, wissel ze dan net zo vaak als je met een hemd doet’, zei hij ooit. Dat was volgens hem de enige garantie om de kunstenaarsfantasie levend te houden. Immers: 'Het hoofd is rond, opdat je gemakkelijk alle kanten op kunt kijken.’