Essay: Modelfotografie op zoek naar een attitude

Het hoofd is verdwenen

Na het lachende hoofd, het arrogante hoofd en de hoofden van gewone mensen in kunst, mode en reclamefotografie van de afgelopen jaren is het modelhoofd tegenwoordig onherkenbaar gemaakt. Dat levert soms spookachtige beelden op, en de kans dat je niet ziet wat je ziet.

Een pasgeboren baby lacht niet naar zijn moeder, maar naar de twee glinsterende bolletjes in haar gezicht. De ogen kunnen zelfs worden vervangen door twee glazen bollen, of knikkers, om een lach aan het kind te ontlokken. Het kind herkent nog geen gezichtsuitdrukkingen en blijft lachen zolang er ogen op hem zijn gericht. De blik van de moeder verzekert hem van bescherming.

Herkenning is geruststelling, en dit principe werkt ook op volwassenen, een bruikbaar middel in de reclame om het koopgedrag van volwassenen te beïnvloeden. De blik van een ander suggereert niet alleen dat je interessant bent, maar bevestigt je bestaan. Het is niet voor niets dat de meeste modellen je aankijken en blijven aankijken. Zodra zij recht in de lens hebben gekeken, of in het oog van de schilder, blijven hun ogen je achtervolgen, in welke hoek je je ook kronkelt om er onder vandaan te komen.

Het is een opvallend verschijnsel dat veel kunst, mode en reclamefotografie dwars tegen dit principe ingaat door het gezicht buiten beeld te laten, of te verbergen. Het levert mensen op zonder identiteit die samen een stille, spookachtige stoet in de kunst en reclame vormen.

Twee weken terug hingen de bushokjes bijvoorbeeld nog vol met mensen zonder hoofd. Het ging om een reclamecampagne van Clarks, en op zich is het voor een product voor de voeten niet zo vreemd dat er op het onderlichaam wordt gericht. Maar ook het bovenlichaam in het groene T-shirt dat onlangs het WK voetbal aanprees, is zonder gezicht. Hij mocht nog net zijn kin en neus houden, maar beroemd is deze jongen niet geworden. Hij is onherkenbaar gemaakt. En in de aankondiging van het Holland Festival holt iemand het beeld uit, net op tijd heeft hij zijn hoofd buiten beeld geforceerd, alsof het kader van de foto een finishstreep is. En deze week zijn er in de abri’s hoofden verborgen achter een computer van een internetprovider, die verkondigt dat je bij hem sneller kunt inernetten. Achter de monitor steken nog net wat pieken haar uit. Wie er aan het toetsenbord zit, doet er blijkbaar niet toe. Vlak naast het piekhaar hangt een billboard van weekblad Vrij Nederland. Een reepje voorhoofd en een opvallend kapsel prijzen het tijdschrift aan.

Deze modellen zijn inwisselbaar geworden. Gereduceerd tot een lichaam, of de aanwezigheid van een mens. De gedachte hierachter is wellicht dat je je als kijker makkelijker in een anonieme dan in een uitgesproken persoonlijkheid kunt verplaatsen. Het model zou eruit kunnen zien als jij of ik.

Is het genoeg om te veronderstellen dat, wanneer op het gebied van portretteren alles al is geprobeerd, de enige oorspronkelijke manier om ermee te kunnen werken is om het hoofd maar helemaal te vermijden? Zou beeldvermoeidheid zich op deze manier wreken?

In een grove lijn is in de afgelopen decennia het lachende hoofd al ingeruild voor het arrogante hoofd met een attitude, en midden jaren negentig aangevuld met mensen van de straat. «Gewone mensen» waren bijvoorbeeld te zien in de reclamecampagnes van Calvin Klein. En ten slotte is het model onherkenbaar gemaakt.

Een van de vroegste uitingen hiervan is te vinden in het eerste nummer van Re-magazine, 1997, «living apart together», samengesteld en vormgegeven door Jop van Bennekom. Dit nummer staat vol met portretten, en deze ge portretteerden worden breed geïnterviewd over hun leven en, specifieker, over hoe ze omgaan met hun woonruimte en wat belangrijk voor ze is in hun directe omgeving. «Uiteindelijk gaat het erover hoe iets kleins als een paar kruimels op de keukentafel in verband staat met je laatste identiteitscrisis», schrijft Van Bennekom in zijn voorwoord.

Op de foto’s staan vrienden van de samensteller. En omdat we nergens een gezicht zien, zouden het je eigen vrienden kunnen zijn. De mensen worden hier op een vreemde manier belicht. Het gaat er niet om ze bijzonder te maken, zoals meestal het geval is wanneer mensen in een tijdschrift worden geïnterviewd. Maar het gaat wel degelijk om hun bijzondere kwaliteiten, hun manier van kijken naar hun omgeving. «Waarom hangen mensen eigenlijk dingen op in hun interieur?» vraagt geïnterviewde Wilfried Nijhof zich bijvoorbeeld af. «Wil je daadwerkelijk zo lang naar iets kijken?» Elk gezichtsloos mens wordt in dit tijdschrift een fenomeen.

Ook in het tijdschrift Viva worden lichamen zonder hoofd gepresenteerd. Elke week staan er in de rubriek «any body» lichamen, die elkaars ledematen bespreken. Partners geven commentaar op lengte, kleinte, dikte van elkaars lichaamsdelen. En de lezer kan kijken waar ze het over hebben, want de deelnemers staan naakt op de begeleidende zwart-witfoto. Hier is het hoofd bewust uit het kader gelaten om de anonimiteit van de deelnemer te bewaken en elk erotisch effect uit te sluiten. Een van beiden staat op een sokkeltje. Niet om de een belangrijker te maken dan de ander, of om het naakte lichaam tot standbeeld te verheffen, maar om de lichamen op gelijke hoogte te brengen. Op deze manier kan het kader van de foto ter hoogte van beider hals worden afgesneden.

Toch is het niet moeilijk een voorstelling te maken van deze mensen. Ze praten honderduit over intieme delen en openbaren hun persoonlijkheid in de gedetailleerde studie die ze van hun uiterlijk hebben gemaakt. «Zijn voeten vind ik op zich niet zo lelijk, maar ik hou niet zo van voeten. Ik weet niet wat dat is», zegt Claudia deze week over haar Jan Willem. Het lichaam, in combinatie met de soms ridicule opmerkingen van mensen, schept een treffend portret; misschien wel sterker dan wanneer de gezichten gewoon in beeld waren gebracht.

In de schilderkunst is bij Magritte al te zien hoe het hoofd wordt verborgen om het desnoods zichtbaarder te maken dan het in volledige weergave zou zijn, bijvoorbeeld in De verboden weergave, een portret van Edward James uit 1937. We zien een man op de rug, die in de spiegel kijkt. Daar treft hij niet zijn gezicht maar zijn achterkant. De blik in de spiegel wordt niet beantwoord. Eigenlijk is dit de meest werkelijk denkbare spiegel want de man ziet hoe hijzelf in een spiegel kijkt. En wanneer je met je gezicht naar dit doek staat gewend, vervul je als kijker de rol van de tweede verdubbeling en kun je het idee krijgen dat je door Magritte wordt betrapt op het kijken naar zijn schilderij. Magritte zei hier zelf over «Wat telt, is nou juist dit moment van paniek en niet een verklaring daarvan.»

In een ander portret van Edward James, Het lustprincipe uit 1937, is het hoofd vervangen door een bol vlammend licht. Het is flitslicht zoals Magritte heeft gezien op een foto van Man Ray.

Kijk maar, je ziet niet wat je ziet, lijkt Magritte te zeggen. Je denkt dat je een man ziet, maar feitelijk zie je alleen maar een jasje, een overhemd en een hand op tafel en een steen, die veel weg heeft van een grijs geschilderd broodje. En de kans is groot dat de geportretteerde zelf ook niet zag wie hem portretteerde, met zoveel licht in zijn ogen. Het hoofd is een vlam geworden.

Ook in een schilderij De grote oorlog uit 1964 heeft Magritte een gezicht bedekt. Achter een grote korenblauwe bloem gaat het gezicht van een vrouw schuil. Voor een grote oorlog is het een opvallend serene omgeving waarin de vrouw poseert. Ze draagt een smetteloos witte jurk, een hoed met witte veren, tegen een haast akelig blauwe hemel. Zo blauw, dat kan niet lang goed gaan. En, zoals gezegd, we komen er niet achter naar wie we kijken. De vrouw is een vrouw geworden en lijkt de woorden van Magritte te spreken: «Achter elk ding dat we zien, gaat een ander schuil, en we zouden heel graag willen zien wat het zicht bare voor ons verborgen houdt.»

Het deed me denken aan een werk van Elspeth Diederix, winnares van de Prix de Rome 2002 voor fotografie, Air (1998) waarop een man is te zien in een wit T-shirt tegen een Magritte-blauwe hemel. Rechts boven zijn hoofd schiet een vliegtuig schuin omhoog, alsof het de foto uit wil. Ook lijkt het een pijltje vanuit het hoofd, dat zich wellicht op een andere locatie wenst. En het belichaamt de toestand die Magritte omschreef als «de melancholie van degenen die weten dat het werkelijke leven altijd een ander leven is, dat niet bestaat».

Het hoofd van de man gaat schuil achter een wolk, en het lijkt erop dat de man die zelf heeft veroorzaakt met het uitblazen van sigarettenrook, hij staat in rookhouding. Maar de wolk lijkt te groot voor een normale sigarettenrookwolk, hij is ook te wit en iets te toevallig om het hoofd van de roker blijven hangen. Hij is van dezelfde kwaliteit als de wolken in de achtergrond. Echt of niet? De vraag lijkt te blijven hangen in de wolk en krijgt maar geen antwoord.

In een ander werk van Elspeth Diederix, zonder titel, uit 2000 ligt een vrouw met mooi opgestoken blond haar met haar gezicht voorover in een sloot met kroos. Zocht de vrouw haar eigen spiegelbeeld in het water? De vrouw kan zichzelf niet zien en misschien is dat wel wat hieruit moet worden afgeleid: noch het model, noch de toeschouwer zal ooit in het gezicht van de geportretteerde kunnen kijken. Het lentegroene kroos ligt als een deken op de spiegel.

Jop Koelewijn draagt in een van zijn werken een kubus op zijn hoofd, waarop een bos staat afgebeeld. Hijzelf staat tegen de achtergrond van een vergelijkbaar bos. Hij laat er geen misverstand over bestaan dat het hier om een ingreep van hem in de werkelijkheid gaat. Je hoeft je hier niet af te vragen of het om toeval of beeldmanipulatie gaat. De man draagt als masker zijn omgeving. En het is meer dan dat hij «opgaat in zijn omgeving» want hij verblindt zichzelf ermee. Hij laat aan de buitenwereld zien dat hij er niet wil zijn, of in elk geval niet opvallend. Hij heeft even genoeg gezien en neemt een pauze van de wereld.

In een boek van het in Zürich gevestigde grafisch ontwerpersteam Benzin (2000) laten de ontwerpers, naast veel voorbeelden van eigen werk, zichzelf zien in hun studio. Op foto’s van fotograaf Peter Tillessen komen vanuit allerlei hoeken uitsluitend mensen voor van wie het gezicht is afgewend. Een van de ontwerpers laat bijvoorbeeld aan een ander zien wat hij heeft gemaakt op de computer. We zien de jongens op de rug. Hun kleding is alledaags, hun kapsel kort, en alleen uit het ruime kantoor dat ze omringt en het bureau vol ontwerpersattributen kunnen we informatie halen over de identiteit van deze jonge mannen. Deze zelfde houding wordt herhaald in alle foto’s van de ontwerpers. Het begint al bijna irritant te worden. Waarom zien we die mensen niet? Wie zijn dat?

En voor ik het weet ben ik er alweer ingetuind en heb ik me een voorstelling gemaakt van de gezichten van deze jonge mensen. De gezichten die ik me inbeeld, zijn gezichten die ik zelf samenstel uit gezichten die ik al ken. Ik plak mijn eigen verbeelding op de achterkant van deze hoofden. Zo krijgen ze toch een gezicht, of ze nu willen of niet. En ze zullen steeds een ander gezicht krijgen, want ze zijn onderworpen aan de eigen verbeelding van al hun toeschouwers. Op die manier krijgen de makers oneindig veel gezichten en zijn ze erin geslaagd zichzelf niet alleen te vermenigvuldigen, maar ook voortdurend te transformeren.

Van de kijker naar modellen-zonder-hoofd wordt eigenlijk gevraagd te doen wat een kunstenaar van oorsprong zelf doet, namelijk om zijn indruk van de werkelijkheid aan te wenden bij het kijken en interpreteren van een beeld, alvorens hij iets kan maken. Ik zou heel graag willen weten hoe Edward James er nu eigenlijk heeft uitgezien, maar in zijn achterhoofd en in de vlam van Magrittes portretten heb ik toch een man gezien. Ik had Edward James waarschijnlijk geen tweede blik waardig gegund als hij me en face was gepresenteerd. Soms is het afgewende of afwezige gezicht interessanter dan het mooiste model.

Gertrude Stein heeft meer dan tachtig keer voor Picasso moeten poseren voor één enkel portret. Hij vond het haast onmogelijk een weergave van haar te maken. Maar bij de 81ste modelzitting wreef hij het gezicht van het doek en zei dat Stein niet meer langs hoefde te komen. Hij heeft haar vervolgens uit zijn herinnering geschilderd. Toen men hem verweet dat het portret geen gelijkenis vertoonde met Gertrude Stein, antwoordde Picasso dat zij nog op het portret zou gaan lijken.

Werk van Elspeth Diederix is van 21 juni tot en met 18 augustus te zien in FOAM, Amsterdam