Architectuur - Tussen alleen en samen

Het huis, de stoep en de straat

De stoep is een ontmoetingsplek tussen huis en straat, met de nadruk op tússen, want zonder straat heeft een stoep geen zin. En het straatleven is als onkruid, onuitroeibaar. Dat blijkt in de tentoonstelling Van wie is de straat? in het Van Abbemuseum.

Medium refugee republic presskit 8

De Delftse stoep is helemaal terug. Zag je vroeger vooral in volksbuurten mannen in hemden en vrouwen met krulspelden op de stoep zitten, tegenwoordig zijn het de hipsters die het liefst zittend op de stoep hun muntthee drinken. En dat gaat het best op een zogenaamde Delftse stoep, een soort kruising tussen stoep en voortuintje.

De stoep, de smalle strook tussen huis en straat, vindt zijn oorsprong in de oud-Hollandse stad, zo schrijft architectuurhistoricus Wijnand Galema in zijn bijdrage aan het onlangs verschenen boek De stoep. Bewoners van huizen die met hun voorgevel pal aan de straat grensden, namen steeds vaker een klein stukje van die straat in bezit door er bijvoorbeeld een bankje te plaatsen, of er zelfs paaltjes en hekjes neer te zetten. Om verdere wildgroei te voorkomen, kwamen de plaatselijke overheden met regelgeving, waarvan die van Delft uit 1537 de oudst bekende is. ‘De Delftse regeling bepaalde dat bewoners van huizen aan straten met goten ter weerszijden van de rijweg hun stoepen en pothuizen niet over goten heen mochten bouwen. Bij straten zonder goot wordt de maximale diepte van de stoepen op vier voet gesteld, oftewel 1.25 meter.’

Naarmate er meer verkeer kwam en het drukker op straat werd, werd de stoep steeds onhandiger. In de negentiende eeuw werd hij vervangen door het trottoir, wat meer gezien werd als onderdeel van de openbare weg. In de twintigste eeuw grepen de verkeerskundigen helemaal de macht: de hele stad moest zo ingericht worden dat het verkeer zo goed mogelijk kon doorstromen, en hoe sneller het verkeer, hoe belangrijker het was en meer ruimte het kreeg – heel Amsterdam moest één grote Wibautstraat worden. De stad bleek hierdoor eigenlijk onleefbaar te worden en inmiddels hebben de verkeerskundigen krachtig weerwoord gekregen van vormgevers en architecten: de straat is er niet alleen om het verkeer zo efficiënt mogelijk te laten doorstromen, het moet ook, en misschien wel in de eerste plaats, een aangename verblijfplaats zijn. De langzaamste verkeersdeelnemer, de voetganger, wordt op handen gedragen: walkability! Kopenhagen kreeg in 1962 als eerste een uitgebreide voetgangerszone in de binnenstad en inmiddels kan geen stad zonder.

De samenstellers van het genoemde boek over de stoep zien die als de plek ‘waar een leefbare, aangename stad begint’. En dan gaat het niet alleen om binnensteden, maar om de hele stad. Overal in de stad is immers grote behoefte aan, zoals de ondertitel van het boek luidt, ‘ontmoetingen tussen huis en straat’. De stoep wordt in dit boek gezien als een onmisbare overgangszone tussen enerzijds de privacy van thuis en anderzijds de openbaarheid van de straat. Mensen, stadsbewoners, kunnen inderdaad niet zonder privacy noch zonder openbaarheid: we willen zowel meedoen als ons kunnen terugtrekken. We bewonen een binnenwereld én een buitenwereld. Het pure eigenbelang en het zuivere algemeen belang zijn echter maar zelden te rijmen; de openbare en de private wereld grenzen niet zozeer aan elkaar, maar botsen met elkaar. Er is inderdaad een overgangs- of bufferzone nodig, een stootrand.

Hoe sympathiek ook, de samenstellers van De stoep slaan door: ze lijken van de hele stad één grote stoep te willen maken, één grote overgangszone. Je kunt niet pleiten voor een overgangszone zonder ook te pleiten voor de domeinen ter weerszijden daarvan. Je kunt niet pleiten voor de stoep zonder ook te pleiten voor het huis én voor de straat. Er dienen gebieden te zijn waar het algemeen belang niet of nauwelijks mee hoeft te tellen, én terreinen waar het eigenbelang slechts een geringe rol mag spelen, én daartussen een overgangszone.

Het is misschien het beste om na lezing van het boek af te reizen naar Eindhoven om daar in het Van Abbemuseum de tentoonstelling Van wie is de straat? te bezoeken. Daarbij is het het beste om met de trein naar Eindhoven te gaan en vervolgens te voet naar het museum, waarbij de binnenstad van Eindhoven zo’n beetje diagonaal doorkruist moet worden. Niet dat dat winkel- en voetgangersgebied zo bijzonder is, integendeel, maar het is goed om je te realiseren dat het maar een haartje had gescheeld of dit alles was ten prooi gevallen aan grote plannenmakers. In 1967 was een monstrueus Cityplan voor Eindhoven gepresenteerd in vergelijking waarmee Hoog Catharijne in Utrecht slechts kinderspel was. Landschapsarchitect Han Lörzing beschrijft in zijn boek Jaren van verandering (2014) hoe er in Eindhoven vervolgens een ware volksopstand uitbrak die uitliep op een procedurele strijd die uiteindelijk door de Raad van State in 1974 werd beslecht door goedkeuring aan de plannen te onthouden. Dat was volgens Lörzing een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse stedenbouw: tot dan toe had grootschalige hoogbouw de boventoon gevoerd, daarna werd kleinschaligheid het devies. De vraag voor wie de straat is werd steeds minder vaak met ‘automobilisten’ beantwoord, en vaker met ‘voetgangers’.

Stadsbewoners kunnen niet zonder privacy noch zonder openbaarheid. Er is een bufferzone nodig

Het zal geen toeval zijn dat in 1972 een grote, roemruchte tentoonstelling in het Van Abbemuseum georganiseerd werd over het door de modernistische architecten zo verfoeide (want wanordelijke) straatleven, genaamd De straat, vorm van samenleven. En bij wijze van nawoord is daar nu een nieuwe tentoonstelling over de straat georganiseerd.

De nieuwe tentoonstelling is klein maar fijn. Het Van Abbemuseum heeft vier gasten uitgenodigd die ieder een eigen visie op de straat geven. Bureau zus (Zones Urbaines Sensibles) uit Rotterdam heeft 101 straten in kaart gebracht en geeft zodoende een chronologisch overzicht, dat tegelijkertijd een staalkaart vormt van de verschillende soorten en vormen van straten. Dat doen ze in de vorm van een (prachtig) boek, waarvan de inhoud ook op enkele wanden wordt geëxposeerd. Daarnaast is een ruimte gewijd aan het project Refugee Republic van kunstenaar Jan Rothuizen, multimediajournalist Martijn van Tol en fotograaf Dirk Jan Visser, geproduceerd door Submarine Channel. Eigenlijk is dat een website die het dagelijks leven in een vluchtelingenkamp toont: op de (fantastische) website kun je een virtuele wandeling maken door het vluchtelingenkamp en zo ontdekken dat daar, ondanks alles, het dagelijks leven doorgang vindt. En dus dat er straten ontstaan, en straatleven.

Ook in een heel andere context – een van schrijnende overvloed in plaats van gebrek – blijkt een straat te ontstaan, namelijk in Las Vegas. Aldaar heeft The Strip, een totaal geprivatiseerd gebied, zich in de afgelopen decennia ontwikkeld tot een soort boulevard. Er ontstond behoefte aan kwalitatief goede publieke ruimte, waarvoor bureau !melk de opdracht kreeg een masterplan en een ontwerp te maken. Dat ontwerp wordt hier gepresenteerd. Crimson architectural historians ten slotte wijzen op een heel ander soort gebruik van de openbare ruimte, namelijk als plek van protest. Ze geven een chronologisch overzicht van enkele van de belangrijkste rebellies van de laatste decennia, van de rellen in Detroit van 1967 tot de opstand op het Tahrirplein in Caïro van 2011 en de studentenprotesten in Hongkong van 2014.

Dit alles klinkt behoorlijk spannend (vluchtelingenkamp… Las Vegas… straatrellen…), maar het is een vrij ‘droge’ tentoonstelling geworden, die nogal wat vergt van de bezoeker: er moet veel gelezen en nauwkeurig bekeken worden. Het geduld van de bezoeker wordt op de proef gesteld – en beloond. De tentoonstelling is gesitueerd in een grote vide midden in het museum. De vide lijkt in eerste instantie een soort groot trappenhuis; als je de eerste ruimte betreedt, zie je al stukjes en beetjes van de andere ruimtes. Maar als je er naartoe wilt, blijkt dat je je vergist hebt: het is geen trappenhuis maar een soort verticaal labyrint. De tentoonstelling als geheel is een soort straat, die in eerste instantie overzichtelijk lijkt maar bij nadere beschouwing juist wanordelijk en dus interessant is.

Mooi is ook dat hoeveel ellende er ook te zien valt het een heel hoopgevende tentoonstelling is. Je kunt er zien dat wat er ook geprobeerd wordt, hoe slecht de omstandigheden ook zijn, er toch altijd weer ruimte ontstaat voor straatleven. Net als onkruid is het straatleven onuitroeibaar.

Dat we behoefte hebben aan een ‘eigen huis’ lijkt onomstreden, net zoals het besef dat er daarnaast ruimtes moeten zijn om elkaar te ontmoeten. Maar de tentoonstelling maakt duidelijk dat er behalve aan een huis en een stoep ook behoefte is aan een straat, met zijn anonimiteit en onbestemdheid. De samenstellers van het boek over de stoep maken er nogal een punt van dat de stoep belangrijk is als openbare ruimte waar mensen zich thuis kunnen voelen. Dat is inderdaad het geval bij de stoep, waar je de sfeer wel ‘huiselijk’ mag noemen. Dat is juist niet het geval bij de straat, die is eerder ‘onbestemd’, of misschien zelfs ‘unheimisch’ te noemen. Hoe ongemakkelijk het daar ook is, een stad moet ook plekken kennen waar niemand thuis is en waar we elkaar kunnen ont-zien en ont-lopen, waar we langs elkaar heen kunnen leven. Of juist de confrontatie zoeken. Op zich is straat noch stoep noch huis zaligmakend, maar met z’n drieën zijn ze dat wel.


Van wie is de straat? is t/m 30 april te zien in het Van Abbemuseum in Eindhoven, vanabbemuseum.nl. De stoep: Ontmoetingen tussen huis en straat verscheen bij nai010 uitgevers

Beeld: Uit Refugee Republic, door Jan Rothuizen, Martijn van Tol en Dirk Jan Visser, geproduceerd door Submarine Channel, 2014. Een interactieve documentaire die je meeneemt door de straten van vluchtelingenkamp Domiz in Noord-Irak (Refugee Republic / Van Abbemuseum)