Het huis waarin

De eerste stap op het pad der doorzichtige bedoelingen. Was gezet. Allemaal leugens. Nu ik er, vanaf een ander standpunt en op ander tijdstip en ook iets langer, over nadenk heb ik nooit een huis, en vooral niet van flessen waar wijn in heeft gezeten, willen bouwen. Waarom zou ik? Maar misschien kan ik nog terug. Denk je zo'n huis eens in. Tienduizend-en-één glimlichten die zich samenvoegen tot het meest infernale brandpunt dat je je voor kunt stellen. Voordat je een bos bordeauxrode tulpen in de vaas hebt kunnen zetten zijn ze al in de fik gevlogen en de tafel waarop ze ter meerdere glorie van het alzijdig glanzende interieur zichtbaar hadden moeten zijn is al lang verkoold. Vier stoelen die er omheen stonden tot as vergaan en zelf ben ik ook niet veel meer dan een naar akelig vet stinkende weke puinhoop.

Voor de volledigheid nog even gedacht aan een huis gebouwd van uien. Al heel snel draait dat uit op akelig rottende uien. Kun je ook nergens mee aankomen. Wonderlijke monumenten zijn het. Waar sommige wegen op uitkomen. Beter is het om het huis waarin je toch al aanwezig bent niet te verlaten. Warm of koud. Dat maakt niet uit. Waarom bestaat er geen schaakstuk dat ui heet? Paard slaat ui. Wit brengt uioffer. De moeite niet waard of is er ergens iemand te lui om er op het bord een paar vakken bij te maken? Is een ui soms te vergankelijk? Er is toch steeds weer een andere ui? Misschien kan deze allereerste pratende ui zijn vermogens, hoe en waar die ook allemaal vertakt zitten, wel doorgeven aan alle volgende uien. M.a.w., alle uien die ik op mijn verdere levenspad zal tegenkomen zullen tegen mij praten, en op ongehoorde wijze naar mij luisteren alsof ze één en hetzelfde ‘wat’ waren. En ik maar terug praten. Want zelfs indien ik tegen die tijd al terug verlang naar de tijd dat de ui nog niet praten kon, dan zal ik dat desondanks niet laten merken. Om niet op te vallen. Ook omdat praten tegen een volle ronde gezonde ui niet helemaal onlogisch is. Inmiddels.