THEATER

Het huiveren

WIEK

De arena staat als een donker geverfde ronde koektrommel in het schemerlandschap. Er zijn drie ingangen, we nemen in drie groepen plaats op drie tribunesegmenten. In de piste ligt zand. Die piste is verdeeld in drieën door witte wanden die ongeveer een halve meter boven de grond hangen aan een bevestigingspunt in het midden. Van drie kanten naderen blootsvoets drie vrouwen, gekleed in een soort trainingspakken. Dan beginnen de witte wanden te bewegen. Het zijn de wieken van een omgevallen molen. Het draaien is eerst onschuldig, vriendelijk bijna. De vrouwen ondervinden de code die hier geldt: lopen ze mee, dan is er niets aan de hand, stoppen ze, dan worden ze door de wanden tot de orde geroepen, tot bewegen geduwd, in hun geval: tot dans, want het zijn danseressen, die drie. Het spel tussen mens en materie komt argeloos op gang. Wíj vermoeden al wat zíj spelen nog niet te weten: een nachtmerrie. In mijn puberteit kreeg ik voor mijn verjaardag een boekje dat Fantastische vertellingen heette, geschreven door Edgar Allan Poe. Het eerste verhaal was De put en de slinger. Het beschrijft de beoogde marteldood van de ik-figuur, die op een bank vastgebonden in een diep putachtig gewelf langzaam een reusachtige slinger naar beneden ziet komen waaraan een halvemaanvormig stuk vlijmscherp staal is bevestigd. Dat het verhaal in de slotzin goed afloopt doet niets af aan de hallucinerende beweging in de taal: ‘Omlaag, omlaag, langzaam, gestaag.’
Het was de eerste keer dat iemand de meedogenloze confrontatie tussen mens en materie zo goed beschreef dat het zweet me aan alle kanten uitbrak. Dat die wieken uit de voorstelling WIEK van Boukje Schweigman niet op mij maar op de drie danseressen af komen, maakt voor het effect niet uit. De put is hier een circuspiste, de slinger een tergend uitgevoerde draaibeweging en een potentiële bedreiging voor drie vrouwen met wie ik me vanaf het eerste moment identificeer, al is het maar omdat wij daar rillend, maar behaaglijk zitten te zitten, terwijl zij geen kant uit kunnen.
Toch redden ze zich, en hoe ze dat doen, dat is de oerkracht van deze fascinerende voorstelling. Eerst laten de dames zich door de wieken verleiden tot aantrekkelijke dansjes en andere vluchtige flirts, daarbij geholpen door het geluid, dat van dreigende ruis is overgegaan op jazzy wijsjes, Darius Milhaud gekruid met een vleugje Steve Reich, dat is het niet maar zo klinkt het. Na de flirt komt de beleefdheid, daarna de uitdaging (‘kom maar op’), en als de wieken gaan versnellen de irritatie (‘wat krijgen we nou’) en het voorlopig nemen van een verlies, letterlijk tegen de grond geslagen, de schijnbare overgave – de oriëntatie volkomen zoek, alleen maar wanhopig gekleefd aan dat beeld, dat al een gevecht is terwijl het werkelijke vechten, het verzet nog moet beginnen. De theatermakers, de ontwerpers, de technici, de componist – ze spelen het hachelijke spel met tijd en ruimte tot op de randen van het gevaar, want vanaf een bepaald moment beginnen de drie danseressen iets uit te stralen dat ruikt naar ‘niemand krijgt ons er onder’. Vanaf dat moment rest, na het dansen, het duiken en het liggen nog het enige wapen dat de spelende en dansende mens tegen de tirannie van de materie kan inzetten: springen, en dat is hier in deze piste al snel: vliegen. Je kijkt ernaar en je weet niet wat je overkomt. De bevrijding is betoverend en tegelijk een harde klap: het is afgelopen. Wat beklijft is het huiveren over zo veel schoonheid.

WIEK is te zien van 11 t/m 15 augustus op Theaterfestival Boulevard in Den Bosch; van 20 t/m 22 augustus op het Dinkeldalfestival in Lutterzand; van 28 augustus t/m 5 september op het Zeeland Nazomerfestival in Middelburg