Het huppelen voorbij

RUTGER KOPLAND
TOEN IK DIT ZAG
Van Oorschot, 56 blz., € 13,50

Toen ik de bundel voor de eerste keer doorlas, had ik het niet zo in de gaten. Pas bij herlezing werd de verstilling ten volle voelbaar. Ik heb het over Toen ik dit zag van Rutger Kopland.
De wereld in deze gedichten staat nagenoeg stil. Op een enkele wandeling na is er nauwelijks beweging; er klinkt vrijwel geen geluid, een voorbijrazende trein verstomt in het wit. In deze kleine wereld, dicht bij huis, wordt hoofdzakelijk nog gekeken. In Park, bijvoorbeeld:

We wandelden tot aan de oever
van een vijver – daar stonden we
te luisteren en te kijken.

We hoorden de geluiden van de stad
maar het was alsof we daarachter
een grote stilte hoorden.

We keken in het water en zagen
ver voorbij de kruinen van de bomen
de lege hemel in de diepte.

We liepen terug en wisten waar
we voor gekomen waren.

Rutger Kopland heeft een dichtersleven lang gekeken, naar het raadsel om hem heen. Zijn oeuvre is wel te lezen als een continu onderzoek naar dat wat zich niet laat kennen en laat zien, naar wat aan het bestaan vooraf ging en wat volgt. En de paradoxale poging om dat onkenbare in woorden te vangen, een verlangen om iets aanwezig te stellen wat niet of niet meer is.
Ook de talloze gedichten die hij schreef bij beeldende kunst tonen het belang van het kijken. Kopland zoekt naar die ongrijpbare plek waar de blik van de waarnemer en die van het waargenomene samenkomen. In Toen ik dit zag lezen we gedichten bij onder andere het schilderij Titus aan de schrijftafel van Rembrandt en Oude geit van Jan Mankes.

maar ze is oud geworden – mager en stram
met een verre blik in haar gezicht

Nadrukkelijker dan eerder het geval was, is er steeds die verre blik, ook Titus en de geit hebben de ogen gericht naar niets. Blikken kruisen elkaar niet, zoals ook de koe in de schilderijen van zijn broer Jaap van den Hoofdakker de dichter voorbij kijkt. Waar Kopland poogt iets te vinden in die starende ogen blijft de waargenomen wereld onverschillig onder de blik van de toeschouwer. Zij zal blijven, ook als de waarnemer verdwenen is. En zag de dichter in Rembrandts Titus, met de pen in de hand en het papier voor zich op tafel, misschien ook zichzelf?

dit is wat wij zien – dat
iets niet geschreven kan worden

Kopland schrijft met steeds minder woorden, zijn taal is kaler en meer ingetogen. Kon bijvoorbeeld in een vroeger gedicht over een oude vrouw met geiten nog gehuppeld worden, was de dag zomers, en had de oude vrouw ‘het silhouet van een meisje’ – nu huppelt men niet meer. De zo typerende parlandostijl is verstilder geraakt. Het maakt de gedichten soms tot bijna achteloos neergeschreven gedachten. En hoewel er achter die ogenschijnlijke nonchalance raffinement en eindeloos gesleutel schuilgaan, neemt dat niet weg dat die wat beperkte woordkeus soms even teveel wordt. Dan is het alsof al het kijken en de blikken en uitzichten, de wandelingen, de bomen en alles wat oud is en zwijgt als een diepe zucht op de schouders rust. Wat mij toch in deze prevelende gedichten aangrijpt is dat ze niet anders kunnen zijn dan zo. Opsmuk is niet meer nodig. Jarenlang waren zijn gedichten als bomen vol blad, nu zijn de takken nagenoeg kaal.

Onze gesprekken werden langzaam
onze vragen beantwoorden we met kijken
naar de langzame wereld om ons heen

De zoektocht naar een uitzicht, naar dat wat achter de onherroepelijke grens ligt: Kopland verhaalt ervan in Toen ik dit zag, met een berustende, bijna gelaten, zachte stem. Ook de monterheid waarmee Kopland in eerder werk de wereld onderzocht, is verdwenen.
De bundel is te lezen als voorbereiding op een naderend afscheid, als een oefening in het er niet meer zijn, een poging om iets te zeggen over de wereld die komt, als over wat achterblijft, vergelijkbaar met wat hij over een verdwenen esdoorn schrijft:

als ik door de ruimte kijk
boven de lege plek
waar hij leefde

hoe vanzelfsprekend
is ook dit uitzicht nu

Het uitzicht, de verre blik, zou een blik op een hiernamaals kunnen zijn, een andere wereld, een plek die wij niet kennen, die dichterbij komt naarmate de dood nadert. Maar Kopland gelooft niet in een god. Wel in poëzie, en dus krijgt het hiernamaals, en ook de minstens zo intrigerende tijd die er was voordat wij er waren, in de slotreeks Aan het grensland in taal gestalte.