J. Allen Hobson: Bewustzijn

Het ik als chemisch proces

Wat wij het bewustzijn noemen is een raadselachtig ding. Of juist geen ding. Het bewustzijn is ijl, niet te lokaliseren. Maar het is wel het filter waardoor we ons Zelf en de werkelijkheid ervaren en scheppen.

Het brein bestaat uit meer dan honderd miljard neuronen, die elk met een snelheid van minder dan eenmaal tot meer dan vijfhonderd keer per seconde vuren, waarbij meer dan honderd verschillende chemische stoffen vrijkomen tijdens meer dan tienduizend contacten met andere neuronen. Onze hersenen vormen verreweg de meest ingewikkelde structuur uit de hele kosmos, maar de Harvard-hoogleraar psychiatrie en neurofysioloog J. Allen Hobson heeft de moed niet opgegeven om ze beter te leren begrijpen. Zijn boek Bewustzijn is een boeiende inventarisatie van onze kennis op het gebied van het bewustzijn, en nadat we het hebben gelezen is ons respect voor dat formidabele orgaan alleen maar toegenomen.

De kern van Hobsons boodschap is dat hersenen en geest één zijn, en dat psychologie bedrijven los van de neurowetenschappen letterlijk hersenloos is. Hij wil het menselijk bewustzijn helemaal verklaren aan de hand van de fysiologie en de structuur van het brein. Subjectieve ervaringen hebben tot nu toe veel te weinig wetenschappelijke aandacht gekregen. Hobson wijst erop dat schrijvers en psychologen vaak in hetzelfde geïnteresseerd zijn als de neurowetenschappers: de bewuste ervaring. James Joyce en Marcel Proust waren schrijvers die probeerden het bewustzijn in zijn «wezenlijke kenmerken te vangen en weer te geven», en in die zin droegen ze meer bij dan menige wetenschapper die de saillante details over het hoofd zag. «Maar kunst is opgesmukte schijnwaarheid», besluit Hobson nogal bruusk, «geen rationale beschrijving. Ons verlangen om subjectiviteit kwantitatief te analyseren kunnen Proust of Joyce niet bevredigen.» Elders in zijn boek verwijt hij Proust zelfs dat zijn À la recherche du temps perdu een «dwaas» project was, omdat het geheugen, waar de Franse schrijver zo zwaar op leunt, in de praktijk helemaal niet betrouwbaar is; de boosheid, frustraties en bezorgdheden van het verleden worden bijvoorbeeld stelselmatig onderdrukt, zo blijkt uit testen met proefpersonen.

Hoe nuttig de bijdrage van kunstenaars dus ook is, de empirische wetenschap zal het laatste woord moeten hebben. Hobsons boek staat vol met de resultaten van empirische studies naar waken, slapen en dromen, onderzoek dat wordt ondersteund door onderzoek van het levende brein door middel van de positron emission tomography (PET) en magnetic resonance imaging (MRI). Wanneer proefpersonen specifieke taken moeten vervullen of wanneer er vragen gesteld worden, lichten de delen van het brein die actief worden op; zo zie je bij de vraag: «Denkt u aan een kleine a» een ander soort activiteit ontstaan dan bij de vraag: «Denkt u aan een grote A». Hobson is op zoek naar correlaties tussen de chemische toestand van ons brein en de drie belangrijkste toestanden van ons bewustzijn: de droomslaap (REM, rapid eye movements), de diepe droomloze slaap en de wakende toestand.

Het bewustzijn richt zich steeds maar op één ding tegelijk, en het is opmerkelijk dat zo’n ingewikkeld orgaan op basis van talrijke gelijktijdig verlopende processen nog zo’n sensatie van eenheid weet te produceren. Mogen we daaruit concluderen dat er een duidelijk lokaliseerbaar «ik» bestaat? Geen sprake van, het eenheidsgevoel is het gevolg van een soort synchronisatieproces, golfbewegingen die alle onderdelen van het brein, tot in de verste uithoeken, met elkaar in één ritme weten te verenigen. De indruk die wij hebben van een coherent subject is het eindproduct van een ingewikkelde hersenactiviteit. Hobson beweert dat onze bewustzijns inhouden uiteindelijk niets immaterieels hebben, want ze kunnen allemaal worden teruggevoerd op chemische processen in het brein. Hij vraagt zich af of de componenten vrije wil, reflectie en emotie, die alledrie van vitaal belang zijn voor het bewustzijn, gelijktijdig aanwezig zijn, of dat de informatie zo snel wordt rondgeseind dat de illusie van een geheel ontstaat. Er is nooit een fysiek centrum van de subjectiviteit ontdekt; het «ik» heeft geen eigen locatie, maar is een emergente eigenschap, een complexe functie die niet kan worden gereduceerd tot de bouwstenen ervan. Het is opmerkelijk dat er niet zoiets bestaat als een centrale meld- en regelkamer. Dat dit niet het geval is, mag een van de raadsels van ons brein worden genoemd. Het bewustzijn is in feite veel minder chaotisch dan de wereld die hij weergeeft.

Sommige observaties uit Hobsons boek zijn zeer treffend. Zo is het aardig om je te realiseren dat er tot het brein geen licht van buiten doordringt; alles wat we zien is het product van chemische processen. De objecten in de buitenwereld weerkaatsen licht, dat vervolgens het oog raakt en wordt omgezet in elektrische impulsen die uiteindelijk terechtkomen in de visuele cortex. Je ziet nooit wat je ziet, zou je kunnen zeggen.

De filosofie worstelt al 2500 jaar met het dilemma lichaam-geest, en Hobson meent enkele belangrijke stappen naar een oplossing te hebben gezet. Meestal wordt de scheiding tussen lichaam en geest omschreven als het «cartesiaans dualisme». René Descartes (1596-1650) betoogde dat je aan het bestaan van je lichaam wél, en aan dat van je geest niet kon twijfelen, waaruit het filosofisch nageslacht de bij nader inzien niet erg logische conclusie trok dat het lichaam dus los kon worden gezien van de geest. Descartes zelf was eigenlijk veel voorzichtiger in zijn uitspraken dan vaak wordt aangenomen. Aan zijn vriend Antoine Arnauld schreef hij: «Ik dacht dat ik me heel goed had ingedekt tegen beweringen dat het menselijk wezen simpelweg ‹een ziel is die een lichaam gebruikt›.» En hij constateert: «Ik bewees ook dat de geest substantieel verbonden is met het lichaam.»

Het mocht allemaal niet baten: tot in lengte van eeuwen kreeg Descartes de schuld. De filosoof Ryle doopte het dilemma «the ghost in the machine». Hobson ziet het bewustzijn als niets meer dan fysiologie die het tot emergentie wist te schoppen; er is alleen materie, en wanneer we iets niet begrijpen, moeten we gewoon nog even doorgaan met breinen aan scans te onderwerpen, en op den duur komen we er dan wel uit. Hobson houdt het zelfs voor mogelijk dat we op een dag de «vrije wil» ontraadselen. Net als destijds William James heeft hij domweg besloten erin te geloven.

Heeft het bewustzijn een zekere extra-kwaliteit? Steven Pinker accepteert in How the Mind Works de subjectieve ervaring voorlopig als een niet-reduceerbaar mysterie. Hobson gaat de filosofische complicaties uit de weg, maar je vraagt je af hoe hij zó zeker kan weten dat er geen onafhankelijke substantie «geest» bestaat. Taalkundigen hebben erop gewezen dat het wel heel merkwaardig is dat iemand halverwege een taaluiting kan besluiten zijn precieze bewoordingen te veranderen; wat was het dat tijdelijk onafhankelijk was van een exacte formulering? Hoe kan een afasiepatiënt gefrustreerd zoeken naar woorden voor een gedachte die hem toch glashelder voor de geest staat? Hoe is het mogelijk dat je je een droom niet meer nauwkeurig voor de geest kunt halen, maar de volgende dag wel wordt bezocht door de ijle sfeerherinneringen die iedereen uit ervaring kent? Het zijn maar een paar van de vragen die Hobson zichzelf had kunnen stellen, maar hij ziet filosofen liever als «politieagenten», die om de haverklap waarschuwen dat iets «te subjectief» is.

Hobson compenseert de eenzijdigheid van zijn stellingname met een rijkdom aan materiaal. Hij verklaart het onlogische karakter van veel dromen uit het feit dat de energietoevoer in het breingedeelte waar het logisch redeneren is gehuisvest, tijdens de slaap lager is, en hij beschrijft het gedroomde «ik» als een dolend punt, dat niet meer vooruit of achteruit in de tijd kan zien, omdat het geheugen tijdens de slaap gebrekkig functioneert. Hij beschrijft hoe belangrijk temperatuur is voor het bewustzijn; de enige dieren die wij bewustwording toeschrijven, zijn precies de dieren die hun temperatuur goed kunnen regelen; bij de kleinste schommelingen raken de cognitieve functies al in de war. Abnormale bewustzijnstoestanden als schizofrenie, depressiviteit en waanvoorstellingen zijn het gevolg van verstoorde chemische verhoudingen — iets te veel van dit, iets te weinig van dat, en je begint te hallucineren; onze realiteitszin blijkt erg kwetsbaar voor chemische verstoringen. Dat wat wij iemands «temperament» noemen, blijkt aangeboren: de optimisten slapen kort en hebben een overmaat aan energie (Napoleon), de pessimisten blijven langer in bed en maken zich «chronisch anticipatorisch emotioneel» zorgen over de nabije toekomst. De fysiologie van onze hersenen voert de alleenheerschappij: vijftig procent minder neurale activiteit heeft al een zevenvoudige vermindering van het bewustzijn tot gevolg.

Hobson wordt aan het slot van zijn boek moralistisch. We zijn zelf verantwoordelijk voor ons welzijn, zo is hij van mening, en we kunnen de voorwaarden voor een gezond leven tot op zekere hoogte creëren. Het leven is een «evenwichtsoefening», waarbij timing, hoeveelheid en kwaliteit van beweging, dieet en geestelijke activiteiten allemaal een rol spelen. Ons bewustzijn is het instrument waarmee we ons leven vorm kunnen geven. Het «evolutionaire voordeel van het bewustzijn» schuilt namelijk in onze vrijheid. We kunnen niet bewijzen dat de vrije wil bestaat, maar mensen en samenlevingen functioneren beter wanneer we ervan uitgaan dat hij bestaat. De vrije wil ontheft ons, omdat we plannen kunnen maken en doelen nastreven, van blind reflexmatig gedrag. We zijn «creatieve automaten», die zich voortdurend binnen de polen van het determinisme en de creativiteit bewegen.

Wie die overtuiging niet allang had, zou uit Hobsons Bewustzijn kunnen opmaken dat het overbodig is om zich het bewustzijn en de geest als een werkelijk bestaande, zelfstandige entiteit voor te stellen. Zelfs zonder een spoor van metafysische ballast is (de illusie van) het bewustzijn al raadselachtig genoeg. Het mag dan zelf geen «keiharde» realiteit zijn, het is wel het filter waardoor we ons Zelf en de werkelijkheid ervaren en «creëren». Zo worden, uiteindelijk, de waargenomen soliditeit en tastbaarheid van de wereld juist door het ijle en zelf nergens te lokaliseren bewustzijn mogelijk gemaakt.

J. Allen Hobson

Bewustzijn

Serie Wetenschappelijke Bibliotheek van Natuur & Techniek, onderdeel Veen Magazines, ƒ79,90