Terwijl Napoleon zijn veroveringstochten door Europa voert, is een klein stadje in het hart van Duitsland de intellectuele hoofdstad van het continent. Achthonderd huizen telt het slechts, en nog niet eens vijfduizend inwoners, en toch weten de grote geesten van Duitsland elkaar juist daar te vinden. Het gebeurt niet vaak dat zo veel talent zich op één plaats samenbalt, maar Jena is aan het eind van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw een kleine tien jaar lang zo’n brandpunt. ‘In tijdsduur niet meer dan een oogwenk’, schrijft Andra Wulf in haar meeslepende boek Rebelse genieën, ‘maar desondanks een van de belangrijkste decennia voor de vorming van de moderne geest.’

In 1794 wandelen Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich Schiller met elkaar op, napratend over een lezing over botanie die ze samen hebben bijgewoond bij de natuurhistorische vereniging in Jena. Het is het begin van een intense vriendschap tussen dichter en toneelschrijver Schiller, de beroemdste inwoner van het stadje, en ‘de Zeus van Duitslands literaire kringen’. Goethe woont in Weimar, waar hij werkt als geheimraad van de hertog van Saksen-Weimar, en zal vanaf dan met grote regelmaat te paard de twintig kilometer naar Jena afleggen, waar hij een pied-à-terre heeft in het oude stadsslot.

Goethe zal een soort peetvader worden van de jonge, rebelse filosofen, dichters en letterkundigen die van Jena het zenuwcentrum van de westerse filosofie maken. De temperamentvolle filosoof Johann Gottlieb Fichte arriveert in hetzelfde jaar 1794. Niet veel later volgen de mysterieuze dichter Novalis, die in zijn werk speelt met dood en duisternis, de erudiete letterkundige broers August Wilhelm en Friedrich Schlegel, en de lucide filosoof Friedrich Schelling. En dan zijn er, meer in de periferie van wat Wulf de Jena-kring noemt, ook nog Georg Wilhelm Friedrich Hegel, die pas later zijn grote roem zal verwerven als baanbrekend filosoof, en de gebroeders Wilhelm en Alexander von Humboldt, van wie de eerste linguïst is en de tweede een onbevreesde ontdekkingsreiziger en natuurwetenschapper – over Alexander schreef Wulf het veelgeprezen boek De uitvinder van de natuur.

Het rebelse aan de groep jonge denkers is ‘de uitvinding van het ik’, zoals Wulf in de ondertitel van haar boek onomwonden stelt. Onder invloed van de Franse Revolutie willen ze het zelf bevrijden. Fichte verklaart in zijn filosofie het ‘Ich’ tot de ‘opperste heerser van de wereld’ en ziet er ‘de bron van alle werkelijkheid’ in. ‘Een mens behoort voor zichzelf te beslissen en dient zich nooit te laten bepalen door iets van buitenaf’, stelt hij. De dichter Novalis borduurt op zijn filosofie voort en schrijft dat het de belangrijkste taak in het leven is het ik te begrijpen, want ‘als we onszelf niet goed begrijpen, zullen we anderen niet goed begrijpen’.

‘Wat in Jena gebeurde in die lange tien jaar’, zegt Andrea Wulf, ‘is iets dat we vandaag de dag nog steeds ervaren. Aan de ene kant is het de focus op het ik, zoals in de ik-filosofie van Fichte, dat sindsdien op het hoofdpodium staat, ten goede en ten kwade. Aan de andere kant is het hun begrip van de natuur, en in het bijzonder Schellings en Alexander von Humboldts begrip van de natuur als een onderling verbonden levend organisme. Maar ook het idee van de eenheid tussen zelf en natuur, wat denk ik in potentie invloed kan hebben op onze discussies over de klimaatcrisis.’

Zonder de Franse Revolutie had de revolutie van de geest in Jena nooit kunnen ontbranden, denkt Wulf. ‘Ze waren allemaal beïnvloedbare jonge mannen en vrouwen toen de Franse Revolutie plaatsvond – twintigers, vroege dertigers. De Franse Revolutie verklaarde alle mensen gelijk en beloofde op z’n minst de mogelijkheden van een nieuwe sociale orde die gebaseerd was op ideeën. Voor filosofen, voor schrijvers, voor dichters moet dat een buitengewoon moment zijn geweest. Ze beseften dat woorden, ideeën, filosofie belangrijker en machtiger waren dan wapens en koningen en koninginnen. Het was het gevoel dat filosofie de wereld kan veranderen.’

Duitsland is eind achttiende eeuw een lappendeken van vorstendommen, die met elkaar gemeen hebben dat ze door despoten worden geleid. Geen wonder dat de filosofen het opnemen voor het zelf en de vrije wil. ‘De wereld waarin de leden van de Jena-kring opgroeiden was een wereld van absolute monarchen’, beaamt Wulf. ‘De monarch kon het leven van zijn onderdanen in veel details bepalen, van waar je mocht leven en werken tot met wie je kon trouwen. Maar tegelijkertijd vonden er grote veranderingen in de filosofie plaats door het denken van Immanuel Kant. Kant zei effectief dat we in twee werelden leven: in onze interne subjectieve wereld en in de externe wereld, dat wat hij het Ding an sich noemt, dat we nooit echt zullen begrijpen, omdat we de externe wereld zien door onze zintuigen, door de categorieën van onze geest, zoals ruimte, tijd en causaliteit. Het ik krijgt zo een veel grotere betekenis omdat we de wereld begrijpen door onze geest, in plaats van de door God gegeven of absolute waarheid. Fichte, die Kant zeer bewonderde, ging nog een stap verder. Hij zei: nou, eigenlijk hou ik niet van deze dualistische wereld. Het zelf is de wetgever van alles.’

Met Fichte wordt het ‘Ich’ dat wat waar alles om draait, en dat is volgens Wulf revolutionair. ‘Ik denk dat het het begin is van het moderne zelf’, zegt ze. ‘En ik denk dat het belangrijk is om te beseffen dat Fichte zelfs in zijn eigen tijd werd beschuldigd van Ich-fetisjisme. Maar het centraal stellen van het ik was nooit een narcistische viering van het zelf voor Fichte. Hij zei altijd: het zelf, het Vrije Zelf, vrijheid komt met verantwoordelijkheid en morele verplichtingen. Dat is iets wat ik vandaag heel belangrijk vind: ja, we zijn een samenleving die geobsedeerd is door het zelf, maar dat is niet wat de intentie was. De intentie was het zelf te bevrijden om een betere wereld te creëren, een wereld zonder absolute monarchen.’

Wulf benadrukt graag hoe de uitvindingen van de filosofen in Jena – de vrije wil, zelfbeschikking, individualisme – vandaag nog steeds het debat bepalen. ‘Het gaat om de spanning tussen de vrije wil en zelfbeschikking en egoïstisch gedrag en narcisme. Daaronder liggen de twee vragen: wie ben ik als individu? En wie ben ik als lid van de maatschappij? Dus hoe kan ik een vervuld vrij leven leiden waarin ik mijn dromen najaag, maar tegelijkertijd een moreel goed persoon en een goed lid van de samenleving zijn? De pandemie speelde dat uit. Miljoenen van ons gaven onze fundamentele rechten of vrijheden op omdat we geloofden dat dit het juiste was om te doen voor de samenleving. Maar sommigen verzetten zich daartegen: nee, nee, mijn persoonlijke vrijheid is veel belangrijker. En daarom ga ik me niet aan deze regels houden.’

De denkers van de Jena-kring lieten de vrije wil, het sterke zelf los – zoals je een gekooide vogel kunt laten uitvliegen. Wulf vergelijkt het met de geest die je uit de fles laat: ‘Als de geest er eenmaal uit is, is het bijna onmogelijk om haar er weer in te stoppen, tenzij er een despotische heerser is, iemand als Poetin bijvoorbeeld. Ik denk dat wat er sindsdien is gebeurd als een slinger is. Hij zwaait naar buiten en het is van: wauw, we kunnen alles doen wat we willen. Dan wordt het te extreem en zwaait de slinger een beetje terug en krijg je meer beperking door een meer autocratische heerser of door een conservatievere geest in de samenleving, zoals in de Victoriaanse tijd. Maar wat we nooit zullen verliezen, denk ik, is de focus op het zelf.’

En er kan tegenwoordig flink geklaagd worden over doorgeslagen individualisme of het ik-tijdperk waar zo veel mensen zich behaaglijk in wentelen; volgens Wulf is dat de spanning die inherent is aan het vrije zelf. Volgens haar staat de vrijheid in onze maatschappij ook op andere manieren onder druk. ‘Of het nu is door een tsunami van fake news – hoe vorm je je opinies in de huidige wereld van sociale media’, somt ze op. ‘Of door de Russische cyber-inmenging in democratische verkiezingen. We worden gemanipuleerd, we worden voorgelogen, het zijn leugenaars, die rechts-populistische bewegingen. Dus voor mij was mijn boek ook een vrij actuele herinnering aan wat er eigenlijk op het spel staat. We hebben de neiging om het soort ik-samenleving waarin we leven te zien als iets volledig negatiefs. Ik denk ook dat de slinger te veel is doorgeslagen naar het ik, ik, ik. Maar het ik is ook het Vrije Zelf. En we moeten echt nadenken over hoe hard we daar vandaag voor willen vechten.’

Andrea Wulf, Madrid 10 november © Alberto Ortega / Europa Press / Getty Images

De filosofen die Andrea Wulf opvoert in Rebelse genieën waren een soort popsterren avant la lettre. Ze doceerden aan de Universiteit van Jena, die een voor die tijd betrekkelijke vrijheid van denken genoot, en studenten stroomden niet alleen toe uit alle uithoeken van Duitsland, maar uit heel Europa. ‘De Universiteit van Jena stond erom bekend dat ze heel weinig betaalde’, vertelt Wulf. Het aanvullende honorarium kwam van de studenten, die hun hoogleraren voor hun colleges betaalden. ‘Ze moesten heel goed presteren: hoe meer studenten je kreeg, hoe meer geld je verdiende. Fichte en Schelling wisten hoe ze zichzelf moesten ensceneren. Studenten beschrijven hoe Schelling heel veel kaarsen aanstak op de katheder en hoe hij precies te zien was in het aureool van licht dat ontstond. Hij was net een acteur.’

‘De slinger is doorgeslagen naar ik, ik, ik. Maar het ik is ook het Vrije Zelf. We moeten nadenken over hoe hard we daarvoor willen vechten’

En de hoogleraren ontvouwden hun filosofie in hun colleges, alsof ze hardop stonden na te denken. ‘Het was heel anders dan nu’, zegt Wulf. ‘Er werd niet gesproken over dode filosofen of dode ideeën. De studenten zagen letterlijk hoe hun professoren hun ideeën voor hun neus ontwikkelden. Het was niet iets dat lang voorbij was, het was een glimp van de toekomst in plaats van een verklaring van het verleden. En de meesten van hen waren heel jong. Schelling was op zijn 23ste de jongste hoogleraar op de universiteit.’

De leden van de Jena-kring vatten een soort verliefdheid voor elkaar op. Ze troffen elkaar in het huis van August Wilhelm Schlegel, gingen samen naar lezingen, maakten reizen en bezochten musea. En ze praatten onophoudelijk over hun werk en hun ideeën. ‘Wat ik wel heel interessant vond om te zien’, zegt Wulf, ‘is hoe ze het gemeenschappelijke denken en werken echt vierden. Maar tegelijkertijd was het een stel rebelse jonge mannen en vrouwen die het zelf als de opperste heerser van de wereld neerzetten, wat onvermijdelijk leidde tot opgeblazen ego’s en gevechten. En dus was het fascinerend om te zien hoe deze idealistische ideeën ook afbrokkelden toen de ego’s te groot werden.’

Het hart van de Jena-kring was Caroline Böhmer-Schlegel-Schelling, die na een dramatische periode van ongehuwd moederschap en gevangenschap met August Wilhelm Schlegel trouwde. Ze was schrijver, criticus en vertaler, al verscheen het meeste van haar werk onder de naam van haar man. ‘Caroline was zo’n ongelooflijke vrouw’, roept Wulf uit. ‘Caroline was zo fel onafhankelijk van geest dat ze echt haar lot ter hand nam en in feite zei: het kan me niet schelen wat de maatschappij over mij denkt. En dat aan het einde van de achttiende eeuw, toen vrouwen nog zo veel minder vrijheid hadden dan mannen. We hebben de neiging om te denken aan de achttiende-eeuwse vrouwen die literaire salons hadden en louter de muze waren voor de man. Die de ruimte creëerden voor de man. Nee, nee, nee, Caroline was het intellectuele centrum van de Jena-kring.’

Het nieuwe concept van het bevrijde ik en de vrije wil weerspiegelde zich ook in de onconventionele levens die de leden van de Jena-kring leidden. Er waren scheidingen, open huwelijken, niet zo geheime affaires en uiteindelijk ook onverkwikkelijke en soms zelfs kleinzielige ruzies – alsof de heftige collectieve verliefdheid wel in drama’s móest eindigen. ‘Wat ze deden was hun filosofie van het ik leven’, zegt Wulf. ‘Dus hun leven was bijna als een theaterpodium om hun ideeën uit te proberen. Als het vrije zelf het centrum van mijn filosofie is, moet ik een vrij leven leiden, wat betekende dat ze sociale conventies overboord moesten gooien. Het was een van de redenen dat ik het boek opzettelijk een beetje als een soap heb geschreven. Je kunt het niet over de filosofie van het zelf hebben zonder te kijken hoe ze leefden.’

Friedrich Schlegel, de opvliegende broer van August Wilhelm, riep het schandaal over zichzelf af door Lucinde, de eerste moderne bekentenisroman, te schrijven over zijn verhouding met de getrouwde Dorothea Veit. ‘Dat is misschien echt egoïsme’, zegt Wulf. ‘Om te denken dat je leven zo belangrijk is dat je er een boek van maakt. Het was een voorloper van het ik-decennium. En weet je, ze deden het allemaal. Dorothea, bijvoorbeeld, schreef een roman over de man met wie ze een liefdesrelatie had voordat ze Friedrich Schlegel ontmoette. Caroline bedacht de synopsis van een roman, die ze vervolgens nooit schreef, waarin de hoofdpersoon een jonge, fel onafhankelijke, denkende vrouw is, die een vader heeft die een geleerde is aan een universiteit, zeer vergelijkbaar met haar eigen leven. Dus ze zagen dat het zelf zo belangrijk was geworden dat het de moeite waard was om er een roman over te schrijven, omdat ze geloofden dat het licht kon werpen op iets groters. Friedrich Schlegel deed dat het meest expliciet. Zozeer zelfs dat hij zijn lezer uitnodigde in zijn slaapkamer, kijkend naar hem en Dorothea die de liefde bedrijven.’

Maar hoe diep ze ook over het zelf nadachten in filosofische zin, toen de onderlinge ruzies uitbraken leken de meeste leden van de Jena-kring eigenlijk niet te kunnen reflecteren op hun eigen, kibbelende zelf. Het begon met een fittie tussen Schilling en Friedrich Schelling, die zich uitbreidde naar alle Schellings. Schiller verweet Friedrich Schelling dat hij egoïstisch was. Het was een echo van de kritiek die de filosofie van Fichte opriep: de nieuwe verslaving aan het ik zou de wereld verwoesten. De wereld ging niet direct ten onder, maar de Jena-kring viel wel uit elkaar, alsof het leven radicaal de filosofie volgde.

Johann Gottlieb Fichte © Hugo Buerkner / Fototeca Gilardi / Getty Images

De ideeën van de Jena-kring gingen ondertussen de wereld over. De ‘früh Romantiker’, zowel de dichters als de denkers, werden vooral binnen de Duitse grenzen bewonderd, ontdekte Andrea Wulf, die in Duitsland opgroeide maar inmiddels al weer dertig jaar in Engeland woont. Zij wilde ze in een veel grotere, internationale context plaatsen. ‘En toen bleek dat de Engelse dichter Samuel Taylor Coleridge de werken van de Jena-kring echt bewonderde’, vertelt Wulf. ‘Hij reisde zelfs naar Duitsland om hen te ontmoeten en om Duits te leren. Helaas had hij geen geld meer en kwam hij nooit in Jena aan, maar hij keerde terug met een kofferbak vol filosofieboeken. Hij las Fichte’s Ich-filosofie, maar wat voor hem echt belangrijk was, waren Schellings ideeën over de eenheid tussen mens en natuur. Zozeer zelfs dat hij hem plagieerde.’

Ook de Amerikaanse trancedentalisen – Ralph Waldo Emerson en Henri David Thoreau – en Whalt Whitman en Edgar Allan Poe raakten in de ban van de filosofen uit Jena. Zij moesten hun werk nog in het Duits lezen. Dat veranderde toen Madame de Staëls On Germany in het Engels verscheen. August Wilhelm Schlegel leefde jaren bij haar, niet als haar minnaar, maar als een persoonlijke secretaris die haar voedde met het denken van de Jena-kring. ‘Ze schreef het boek oorspronkelijk in het Frans’, licht Wulf toe, ‘maar Napoleon verpulverde de hele editie, omdat hij niet blij was met een boek dat de Duitsers prees boven de Fransen. Madame de Staël wist één exemplaar te redden. Na wat gezigzag door Europa ging ze naar Londen, waar het in het Engels werd gepubliceerd. En dat boek speelde een belangrijke rol bij de internationale verspreiding van de ideeën van de Jena-kring.’

Als het om het Nachleben van het denken van Fichte en Schelling en alle andere denkers uit Jena gaat, lijkt het of de ideeën over het Ik langer doorwerken dan die over onze relatie tot de natuur. ‘Ja, want uiteindelijk won het mechanische wereldbeeld, nietwaar?’ zegt Wulf. ‘En niet alleen dat. Aan het begin van de coronapandemie keerden bepaalde mensen zich tegen de vaccinaties en het rationele denken, waarbij werd teruggegrepen op de Romantiek. Nou, dat heeft niets te maken met de vroege Romantici, die zagen romantiek als iets dat heel complex, radicaal en dynamisch is. Voor hen was de kern van alles de verbeelding.’

‘Het punt is’, vervolgt ze, ‘dat ze wetenschap en kunst en de menselijke natuur niet als twee tegenpolen zagen zoals we dat vandaag zien. Zo werden voor Novalis de mijnen waarin hij als chemicus werkte ook de plek waar hij zijn metaforen voor zijn poëzie vond. Naar beneden gaan in de mijnen was een soort afdalen in het zelf. Colerigde ging naar lezingen over scheikunde. Om mijn metaforen in te slaan, zei hij. In de huidige klimaatcrisis, en de debatten daaromheen, luisteren we naar wetenschappers, en zij hebben hun projecties en hun cijfers. Dat is ongelooflijk belangrijk, maar ik denk dat dichters en kunstenaars soms veel betere manieren hebben om de gevaren van klimaatverandering te laten zien dan alleen cijfers. David Attenborough liet bijvoorbeeld in zijn documentaire Blue Planet een albatros zien die haar kuikens plastic voedt. Het veroorzaakte zo’n verontwaardiging dat ze de wet in Engeland veranderden, waardoor je niet automatisch meer plastic zakken voor je boodschappen krijgt.’

De vroeg-romantische dichters en filosofen van de Jena-kring keerden zich niet tegen de rede. Ze namen geen genoegen met de rede alléén en hielden ook een pleidooi voor de verbeeldingskracht en het gevoel. Hun benadering raakte in diskrediet toen de wetenschap steeds verder specialiseerde. ‘Wetenschappers gingen aan het einde van de negentiende eeuw, begin van de twintigste eeuw neerkijken op mensen als Alexander von Humboldt’, zegt Wulf. ‘Ze zagen hem als een generalist, als een romantische wetenschapper. Want alles moest meetbaar en kwantificeerbaar zijn, en worden bekeken vanuit een zogenaamd objectief perspectief. Dat werd de gangbare manier van wetenschap bedrijven: peer-reviewed artikelen en de vraag of onderzoek herhaalbaar was. Niemand zou zijn emoties hierin durven stoppen.

Maar als je vandaag met wetenschappers praat’, zegt ze, ‘dan blijkt dat de meesten voor de wetenschap kozen omdat ze als kind een soort wonder van de natuur voelden. Kwantumfysici vertellen dat ze zonder verbeeldingskracht hun werk niet zouden kunnen doen. Er zijn bepaalde dingen waarvan we sinds de Verlichting hebben aangenomen dat ze waar zijn. Ik denk dat er een deur open gaat als wetenschappers bereid zijn de verbeelding toe te laten.’

Rebelse genieën: De eerste romantici en de uitvinding van het ik van Andrea Wulf (586 blz., vertaald door Fennie Steenhuis, Nannie de Nijs Bik-Plasman en Mijke van Leersum) verscheen dit najaar bij uitgeverij Atlas Contact