Het imf-medicijn is giftig

Nog altijd woedt de Azië-crisis voort, zonder enig uitzicht op verbetering. Ondanks - ja, eerder dankzij - de ingrepen van het IMF. Regionale crises breiden zich met een vertraging van enkele maanden of jaren uit naar andere delen van de wereld, maar wat de gevolgen voor het Westen ook mogen zijn, ze zullen in geen verhouding staan tot de ellende voor de bevolking van de getroffen landen. Van Korea, waar nauwelijks een stelsel van sociale zekerheid bestaat, eiste het IMF onder andere een versoepeling van het ontslagrecht: daar worden sinds een paar maanden zo'n zesduizend mensen per dag ontslagen. Bijna de helft van de 200 miljoen Indonesiërs zal eind dit jaar onder de armoedegrens zakken en veertig procent van de bevolking kan zich nu al niet meer de meest noodzakelijke levensmiddelen veroorloven. Kinderen en vrouwen worden het eerst door de crisis getroffen: in Korea worden vrouwen als eerste ontslagen en in Thailand verdubbelde de prijs van buskaartjes en een kom noedels, terwijl de subsidies op melk en schoolmaaltijden door de IMF-bezuinigingen zijn gehalveerd.

Er begint inmiddels kritiek op het IMF-beleid te komen, en wel van internationale economische zwaargewichten als Paul Krugman (MIT), Jeffrey Sachs (Harvard) en Joseph Stiglitz (Wereldbank). Zij menen dat het IMF de crisis in Azië met de verkeerde medicijnen te lijf is gegaan en daardoor heeft verergerd. Anders dan bij de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis begin jaren tachtig is het probleem in Zuidoost-Azië namelijk niet dat de overheden met grote schulden kampen, maar dat bedrijven en banken te veel hebben geleend en geïnvesteerd. De neoliberale economische handboeken van het IMF gaan er echter vanuit dat de privé-sector nooit genoeg leent en de publieke sector altijd te veel. Door nu de regeringen in Zuidoost-Azië - ondanks een overschot of slechts minimaal tekort op de begroting - te dwingen tot bezuinigingen en renteverhogingen, hielp het IMF de enig overgebleven mogelijkheid om de economie te stimuleren, namelijk kapitaalinvesteringen van regeringen, om zeep.
Het IMF ging bovendien ‘Brand!’ in het theater roepen. Het eiste allerlei structurele hervormingen die niets te maken hebben met de capaciteit van deze landen om in de toekomst leningen terug te betalen: beperkingen op buitenlandse overnames en deelnames werden opgeheven, arbeidsmarkt en handelsbeleid werden verregaand gedereguleerd. Voor handelaren op de door kuddegedrag gekenmerkte financiële markten was dit het signaal zich zo snel mogelijk uit Zuidoost-Azië terug te trekken. Dat kon gemakkelijk, want op instigatie van het IMF, de Wereldbank en nationale zakenelites hadden de Aziatische landen hun financiële stelsels in de loop van de jaren negentig gedereguleerd. Daardoor kan kapitaal niet alleen makkelijker binnenstromen maar ook makkelijk worden teruggetrokken. En zo sloeg de netto-instroom van 93 miljard dollar in 1996 naar de Filippijnen, Indonesië, Maleisië, Thailand en Zuid-Korea in 1997 om in een uitstroom van twaalf miljard dollar.
Hiermee zijn vooral de belangen van de eigenaars en beheerders van het internationale kapitaal gediend. Dat betekent tevens een toename van de Amerikaanse mondiale invloed. Jagdish Bhagwati, een van de bekendste handelseconomen ter wereld, schreef over de gevolgen van de Aziatische crisis: 'Zoals er vroeger een militair-industrieel complex was, is er nu een “Wall Street-Ministerie van Financiën complex”.’ Bhagwati, erkend kampioen van de vrijhandel, noemt het idee dat vrij kapitaalverkeer en volledige kapitaalmobiliteit noodzakelijk zijn, 'een mythe’. De veronderstelde voordelen zijn nooit gekwantificeerd en landen verliezen zo de politieke mogelijkheid hun eigen economisch beleid te bepalen, schrijft hij. Bovendien memoreert hij dat China, Japan en West-Europa hun belangrijkste economische groei kenden in perioden waarin van vrij kapitaalverkeer geen sprake was.
Maar het IMF gaat door op de ingeslagen weg. Sterker nog: het Uitvoerend Comité van het IMF en de ministers van Financiën van de landen van de G-10 hebben vorig jaar besloten de statuten van het Fonds zo te wijzigen dat lidstaten alleen nog maar bij hoge uitzondering tijdelijke beperkingen op kapitaalverkeer mogen instellen. Ontwikkelingslanden die hun kapitaalverkeer liberaliseren, brengen zodoende hun economisch beleid nog sterker onder de invloed van internationale kapitaalmarkten, oftewel van een klein aantal landenanalisten en fondsmanagers in New York, London en Frankfurt.