Het immigrantenvirus

Alan M. Kraut, Silent Travelers: Germs, Genes, and the ‘Immigrant Menace’. Uitgeverij Basic Books, New York, 369 blz., ca. f75,-
IN 1906 BRAK ER een tyfusepidemie uit in de staat New York. Merkwaardig genoeg vielen de slachtoffers ditmaal niet onder de bewoners van migrantenwijken, maar onder leden van de beau monde. Telkens ging het om rijke families die met het huishoudelijk personeel de stedelijke hitte ontvluchtten. Minutieus epidemiologisch speurwerk wees in de richting van een ogenschijnlijk kerngezonde keukenhulp van Ierse afkomst, Mary Mallon. Op het moment dat de sensatiebeluste New York American lucht kreeg van de zaak, verspreidden de geruchten zich sneller dan de ziekte: ‘Typhoid Mary’ zou de tyfusbacil hebben ingezet in de Ierse vrijheidsstrijd en de keuken van vermogende pro-Britse Amerikanen daarbij als uitvalsbasis gebruiken.

Angst voor besmetting is universeel. Maar iedere samenleving kent een eigen, cultureel bepaald reactiepatroon waarmee ziekte ook een sociale constructie wordt. Dit maakt epidemieen tot een geliefd onderzoeksobject voor sociale wetenschappers. De wetenschapshistoricus Charles Rosenberg heeft zich de afgelopen decennia toegelegd op het ontrafelen van de interactie tussen de medische wetenschap en opvattingen over de Amerikaanse samenleving in de afgelopen twee eeuwen. Uit de reactie op de negentiende-eeuwse cholera-epidemieen blijkt hoe ziekte werd gerationaliseerd. Ziekte was in de ogen van moraalapostels het gevolg van onevenwichtigheid van het individu, geestelijk of lichamelijk. Het hoeft niet te verwonderen dat Ierse en Chinese immigranten al vroeg werden gestigmatiseerd als ziekteverwekkers.
REEDS IN DE jaren zestig wees de historicus Richard Hofstadter op de stelselmatige angst van White Anglo-Saxon Protestants voor de ondermijning van de Amerikaanse samenleving door duistere krachten van buitenaf. Met behulp van een paranoide retoriek trachtten zij het kwaad in de kiem te smoren. Deze krachtige xenofobe onderstroom - nativism geheten - houdt verband met de jeffersoniaanse ontstaansmythe, die uitging van het idee dat de Amerikaanse republiek zich dank zij haar natuurlijke en geografische mogelijkheden kon onttrekken aan het klassieke historische patroon van opkomst en verval. Door haar uitgestrektheid en onaangetastheid ontstond het beeld van Amerika als een nieuw Eden. Sindsdien hebben talloze individuen en organisaties als voorvechters van het ‘echte’ Amerika een dam opgeworpen tegen in hun ogen onreine personen en ideeen. In de negentiende eeuw waren dit de katholieken - synoniem voor absolutisme en seksuele perversie -, later de Aziaten, de 'rode’ kosmopolitsche intellectuelen en meer recent de moslim-fundamentalisten.
IN ZIJN BOEK Silent Travelers gaat de Amerikaanse historicus Alan Kraut verder op de door Rosenberg ingeslagen weg. Hij concentreert zich op het verband tussen het grassroots-conservatisme, immigranten en de ontwikkeling van de federale gezondheidszorg in de periode van 1870 tot 1920. Het boek is een compilatie van persoonlijke meningen en ervaringen van artsen, immigranten, patienten en leken. Allen zijn verwikkeld in een dialectisch proces dat Kraut aanduidt als de 'double helix of health and fear’.
Rond 1890 bereikte de frontier de westkust en daarmee verdween Jeffersons pastorale idylle uit het zicht. Uitgerekend op dat moment openden de Verenigde Staten hun grenzen voor een ongekende volksverhuizing: gemiddeld kwamen in deze periode vijftienhonderd mensen per dag het land binnen. Deze nieuwe immigranten uit Zuid- en Oost-Europa streken neer in de steden aan de oostkust. Ofschoon de stedelijke architectuur en de dynamische economische groei een nieuwe rationaliteit vertegenwoordigden, werd de stad voor velen het symbool van verval. Oude angsten kregen de overhand. Het verzet tegen de 'indringers’ werd niet alleen geuit door antimodernisten.
Vakbondsleiders en academici tooiden zich met de nieuwe sociaal-darwinistische dogma’s. De socioloog Edward E. Ross introduceerde het begrip 'sociale controle’ en gaf het vervolgens een normatieve invulling door deze te koppelen aan de dreigende ondergang van Amerika’s 'pioneering breed’. Ook Jacob Riis, fotojournalist en voorvechter van verbetering van de woonomstandigheden in migrantenwijken, liet niet na te verkondigen dat de misstanden een gevolg waren van on-Amerikaanse opvattingen van hygiene.
In deze broeierige atmosfeer ontstonden nieuwe verklaringsmodellen waarin de sociologie, als de nieuwe wetenschap van de samenleving, en de medische wetenschap een belangrijk aandeel hadden. Bovendien steeg het vertrouwen in een door de federale staat gecontroleerde integratie. Het medisch laboratorium werd de pijler van de federale gezondheidspolitiek en Ellis Island werd het proefstation van zowel de medische wetenschap als het nieuwe federale beleid.
KRAUT GEEFT een indringend beeld van de dagelijkse gang van zaken op dit 'island of hope’, waar nieuwkomers op hun lichamelijke en morele geschiktheid werden getest. Oogziekten, hoofdluis, huid- en geslachtsziekten betekenden onverbiddellijke uitzetting. Aanvankelijk concentreerden de keuringsartsen zich op uiterlijke kenmerken van degeneratie, later kwam de IQ-test van Binet-Simon in zwang. Niet toevallig bleek onder de emigranten die tijdens de heenreis aan boord de goedkoopste plaatsen hadden gehad, het hoogste aantal morons (zwakzinnigen) voor te komen.
Een leger van sociale wetenschappers, technici en juristen begeleidde het proces van professionalisering van de federale staat. De federale gezondheidsmachinerie vormde in Krauts visie een belangrijke schakel in het assimilatieproces. Desondanks keert hij zich tegen monocausale bespiegelingen van een alomvattende 'medicalisering van de samenleving’. De nieuwkomers ondergingen de culturele 'reiniging’ namelijk zelden passief. Veeleer was er sprake van een continu onderhandelingsproces. De botsing tussen de uiteenlopende opvattingen van oude en nieuwe Amerikanen op het gebied van ziekte en gezondheid vond plaats in de huiskamer, bij de apotheek, in het ziekenhuis en op de hoek van de straat.
DE AARDIGSTE passages in het boek zijn die, waarin Kraut schetst hoe de etnische groepen hun eigen maatschappelijke infrastructuur opbouwden. Er verrezen katholieke, joodse, Italiaanse en Poolse ziekenhuizen, badhuizen en sanatoria. Deze verzuiling werd deels weer doorbroken door een gemeenschappelijk wantrouwen ten opzichte van de Amerikaanse autoriteiten. Verhelderend is Krauts vergelijking tussen de Italiaanse en joodse ervaringen. Jiddische, ongeschoolde Luftmenschen en Italiaanse boeren vertrokken uit de periferie van Europa en namen een eeuwenoud, in wezen pre-modern wereldbeeld mee. De arts moest concurreren met alternatieve geneeswijzen waarin hekserij en het 'boze oog’ invloedrijk bleven.
Echter, aan het begin van deze eeuw maakte een opvallend hoog percentage joodse en Italiaanse studenten zijn opwachting aan de medische faculteiten. Zij trachtten aan de hand van statistieken het stereotiepe beeld van tuberculose als joodse ziekte en de Italiaan als poliopatient te doorbreken. Niet een genetisch bepaalde ongelijkheid was de oorzaak van het zwakke gestel van de migrant; het was een logisch gevolg van de erbarmelijke omstandigheden thuis en op de werkvloer. Het thuiswerk, stoflongen, de 'schildersziekte’ en brandgevaar eisten hun tol.
Uiteindelijk drongen de hervormers door in de besloten wereld van de migrant. Dit was vooral te danken aan het doorzettingsvermogen van door de staat aangestelde verpleegsters. In de praktijk hield dit municipal housekeeping vaak in dat 'salonartsen’ onderaan de trap de recepten uitschreven, terwijl de zusters de trappen en daken van de woonblokken beklommen. Clubs als de Daughters of the American Revolution instrueerden de nieuwkomers in de Amerikaanse mores op het gebied van hygiene.
Ook de scholen waren een geliefd doelwit. Met sport en spel, schoolmelk, inentingen en regelmatige medische controle kreeg de staat meer greep op de gezondheidstoestand van haar bevolking. Dit ging niet zonder slag of stoot; ouders zagen het als een inbreuk op hun autoriteit en soms leidde dit zelfs tot de bestorming van schoolgebouwen, zoals in de Lower East Side in 1906.
IN HET XENOFOBE kamp was men niet onder de indruk van het uiteindelijk resultaat. Niet nurture, maar nature was de remedie. Eugenetica werd een toverwoord in de eerste decennia van deze eeuw. Anders dan in Engeland drong in Amerika de eugenetische beweging ver door in de popular culture. Zo organiseerde de American Eugenics Society door het hele land markten waar moeders de kwaliteit van hun kroost konden laten keuren. De Amerikaanse regering zwichtte in de jaren twintig voor de druk en ging met de Johnson/Reed-wetten over tot een verscherpte controle op de toelating.
Krauts verhaal krijgt hier een open einde. Ieder aspect van de Amerikaanse maatschappij verliest onder druk van nieuwe ontwikkelingen zijn scherpe kanten, aldus Kraut. Zo poetsen de ontwikkeligen in de medische antropologie en psychiatrie geleidelijk het etnocentrisme van de gezondheidszorg weg. Aan de andere kant komt hij met een reeks verontrustende feiten: het hoge percentage Latino’s en Afro-Amerikanen dat onverzekerd rondloopt, de getraumatiseerde Cambodjanen in little Phnom Penh (een enclave nabij Los Angeles), en de uitzetting van sero-positieve Haitianen in Guantanamo Bay.
Silent Travelers is een anekdotische geschiedschrijving waarin 'anonieme’ historische personen zich uitspreken over huidige problemen. Gezien het onderwerp is dit legitiem, want de negentiende-eeuwse verklaringsmechanismen ten aanzien van epidemieen zijn nog springlevend. Aids maakt op pijnlijke wijze duidelijk hoezeer de biologische en sociale componenten van ziekte zijn verweven. Verzekeringen, burgerrechten, onderwijs en drugsbeleid dragen alle de sporen van het virus in zich. Net als in het geval van Mary Mallon verliezen individuele burgerrechten het van de collectieve angst.