Driehonderd jaar Jean-Jacques Rousseau: Op zoek naar de ware mens

Het individu als natiestaat

Frankrijk viert de driehonderdste geboortedag van Jean-Jacques Rousseau, inspirator van de Franse Revolutie. Dankzij zijn verheerlijking van de volkswil wordt de filosoof ook wel beschouwd als voorloper van extreem nationalisme, fascisme en communisme. Gelukkig waakt Voltaire over hem.

Ze houdt nog altijd een strijdlustige website bij, de 75-jarige Amerikaanse Carol Hanisch, feministe van het eerste uur en schrijfster van het pamflet Het persoonlijke is politiek uit 1969. Destijds werden kwesties die voor vrouwen van belang waren vaak als ‘persoonlijk’ afgedaan. Dat waren ze niet, schreef Hanisch: ‘Een van de eerste dingen die we in vrouwenpraat­groepen ontdekken is dat persoonlijke problemen eigenlijk politieke problemen zijn. Niet wij zijn het probleem, maar de samenleving. Er bestaan op dit moment geen persoonlijke oplossingen. Er is alleen collectieve actie voor een collectieve oplossing.’

Haar leuze werd binnen en buiten de vrouwenbeweging enorm populair. Toch pakte hij vaak anders uit dan bedoeld, schreef Hanisch onlangs in een kritische terugblik. Enerzijds werd de privé-sfeer overmatig gepolitiseerd. Activisten hielden zich bezig met elkaars werk, relaties, seksualiteit en esthetische voorkeuren en trokken in hun bemoeizucht een verwoestend spoor door leefgemeenschappen, onderwijsinstellingen en politieke bewegingen. Anderzijds werd de politiek opgezadeld met de opgave ieders gelijke kansen en zelfontplooiing te garanderen. Het heeft lang geduurd voordat links het besef terugkreeg dat zelfredzaamheid waar het maar enigszins kan de voorkeur verdient boven collectieve arrangementen of afhankelijkheid van de overheid.

Het misverstand dat alle persoonlijke problemen een politieke oorzaak hebben kent een lange, kronkelige voorgeschiedenis. Het werd om precies te zijn in 1743 geboren in Venetië, niet lang nadat een introverte Zwitser genaamd Rousseau er uit de postkoets was gestapt. De dertigjarige Jean-Jacques was nog een onbekende. Hij was knap, intelligent en welbespraakt, maar ook intens verlegen, ja zelfs mensenschuw. Als autodidact werd hij heen en weer geslingerd tussen diepe minderwaardigheidsgevoelens en de ambitie om de eerste waarlijk vrije, authentieke mens op aarde te zijn. Veel erkenning had dat laatste streven hem nog niet opgeleverd. Sinds zijn jeugd had hij een zwervend bestaan geleid, afgewisseld met kortstondige baantjes die zijn minnares en weldoenster, Françoise-Louise de Warens, voor hem wist te regelen.

Enkel zijn pogingen tot schrijven waren veelbelovend. Niemand minder dan de encyclopedist Denis Diderot had hem ertoe aangezet. Rousseau had een zwakke gezondheid en voelde zich levenslang een maatschappelijke buitenstaander, maar dankzij zijn pen zou hij zijn afstand tot het grote publiek ten slotte overbruggen. Hij had een scherp oog voor maatschappelijke misstanden en voor de intiemste motieven en gedachten van anderen, voor hun grote en kleine triomfen maar ook voor hun zwakheden en uitvluchten. Hij zou zich bovendien ontpoppen als begenadigd stilist; zonder zijn gave om meeslepend te schrijven was hij ongetwijfeld als een onbetekenende zonderling gestorven. Zelfs de notoire droogstoppel Immanuel Kant, die volgens Heinrich Heine dagelijks op precies dezelfde tijd een wandeling door Königsberg maakte zodat de huisvrouwen er hun klokken op gelijk zetten, liet verstek gaan op de dag dat hij in Rousseau’s pedagogische roman Émile was begonnen.

Maar op zijn dertigste had hij dat grote talent nog niet ontgonnen. In plaats daarvan had hij een nieuw, op getallen gebaseerd muziekschrift ontworpen. Het was door de Academie van Wetenschappen per kerende post afgewezen. Vervolgens had hij zijn idee verwerkt in een traktaat over muziekpedagogiek dat evenmin aansloeg, al had hij naar eigen zeggen de deugdelijkheid van zijn systeem bewezen door een Amerikaanse jongedame in drie maanden tot muzikante om te toveren. Het werd de hoogste tijd voor een nieuwe uitdaging. Dankzij de invloedrijke Françoise-Louise was Rousseau in contact gekomen met enige hoge diplomaten en had hij een nieuwe vluchtige roeping ontdekt, ditmaal als privé-secretaris van de Franse ambassadeur in Venetië. De post leek weinig om het lijf te hebben. De eens zo machtige republiek was geslonken tot een verarmde archipel die enkel teerde op zijn kunstzinnige erfenis en de lokroep van zijn geraffineerde festivals en erotische verlokkingen. Maar die schijn bedroog. In de wijnhuizen en palazzi wemelde het van de diplomaten, spionnen en handelaars in staatsgeheimen. Venetië was destijds het diplomatieke kruispunt van Europa waar Franse en Habsburgse belangen keihard op elkaar botsten.

In zijn Bekentenissen zou Rousseau later schrijven dat de ambassadeur, graaf Pierre-François de Montaigu, een lomp, gierig en onbeduidend mannetje was. Het diplomatieke handwerk was bovendien niet veeleisend, meende de auteur. De muziek stond in Venetië echter op hoog peil en werd voor hem al gauw een plaatsvervangende tijdspassering. Als er gewerkt moest worden, schitterde de ambassadeur meestal door desinteresse of afwezigheid. Welbeschouwd had Montaigu maar één opdracht: de neutraliteit van Venetië veilig stellen – en daarin faalde hij schromelijk, aldus Rousseau. De Venetianen verkochten openlijk wapens aan de Oostenrijkers en Montaigu zag het door de vingers. Hoe was het mogelijk, vroeg de jonge secretaris zich af, dat zo’n incompetente figuur Frankrijk vertegenwoordigde? Binnen een jaar was hij met ruzie vertrokken.

Reeds bij het lezen vermoed je dat Rousseau verblind moet zijn geweest door ijdelheid. En jawel, een nazaat van de graaf, Auguste de Montaigu, deed in 1904 een brochure het licht zien waarin hij onder verwijzing naar relevante rekeningen, brieven en officiële stukken alle onaardige opmerkingen van de filosoof over zijn werkgever weerspreekt. Ronduit dodelijk is de passage waarin schrijver uitlegt dat Venetië de spil van de Franse buitenlandpolitiek was en dat Rousseau kennelijk niet besefte welk hoog spel er werd gespeeld. Terwijl hij zich verlustigde aan de etherische zang van Venetiaanse weesmeisjes moest Montaigu een Europese oorlog om Italië zien af te wenden. Tegen die achtergrond waren die paar kisten wapens voor Oostenrijk volstrekt irrelevant geweest.

Maar volgens de eigen wetten van Rousseau’s gedachtewereld was het onvermijdelijk dat hij in Venetië op dat ene idee kwam, die ene meme die zo hardnekkig blijkt en die telkens weer opduikt in het westerse politieke denken. Het falen van Montaigu stond niet op zichzelf, meende Rousseau; door het gebrek aan kwaliteit van zijn personeel liet maar liefst de hele Franse natie zich lelijk kennen. ‘In Venetië zag ik voor het eerst met eigen ogen de tekortkomingen van een regering die nog wel zo werd opgehemeld’, schreef hij: ‘Sindsdien besef ik dat alles radicaal afhangt van de politiek en dat, ongeacht op welke grondslagen deze berust, een volk nooit méér kan zijn dan wat zijn regering ervan maakt. De grote vraag is daarom deze: welke regeringsvorm is het geschiktst om de meest deugdzame, verlichte en goede mensen voort te brengen?’

Die vraag was zijn ‘redding’, schrijft de Franse Rousseau-kenner Gérard Mairet in een inleiding bij zijn verzamelde politieke geschriften. Eindelijk kon hij zijn stuurloze energie richten op één vraag, één grote kwestie die hij levenslang kon uitdiepen en waarin hij zijn grote literaire talent ten volle kon uitvieren: welke maatschappij past bij mij? Inderdaad, we lezen het goed. Anders dan zijn tijdgenoten Hume of Condorcet en talloze politieke denkers die voor en na hen kwamen, schreef Rousseau geen bespiegelingen over de algemeen-menselijke natuur en de vraag hoe die te verenigen valt met het samenleven in een maatschappij. Hij probeerde heel brutaal en tot in detail te bedenken welke staatsvorm hem, Jean-Jacques Rousseau, gelukkig zou maken. Al zijn latere politieke ideeën zijn direct tot hemzelf te herleiden, schrijft Mairet: ‘Als Rousseau het heeft over het individu en zijn betrekking tot het volk, als hij het heeft over het geweten, over het “ik”, en over de vraag wat dat geweten en dat ik verbindt met de “volkswil”, dan heeft hij het altijd over zichzelf. De politiek is voor Rousseau slechts een middel om zijn eigen ik tevreden te stellen.’ Niet de mens zoals hij is staat in Rousseau’s politieke geschriften centraal, maar de mens zoals hij zou moeten zijn. En de mens zoals hij zou moeten zijn, welnu, dat is Rousseau.

Maar hoe moeten we ons het ‘ik’ van Jean-Jacques voorstellen als dat steeds weer zoek raakt tussen de verzinsels en de literaire handgrepen? Het achterhalen van de samenhang tussen leven en werk van Rousseau wordt bepaald niet makkelijker doordat hij zo’n obsessieve fantast was. ‘Ik wil een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf’, luidt de opening van zijn postuum verschenen Bekentenissen. Bij zijn leven had hij al eens geschreven dat hij tijdens een zelfonderzoek ‘verrast was door de vele verzinselen die ik voor de waarheid heb laten doorgaan’. Welnu, de Bekentenissen bevatten zoveel twijfelachtige uitspraken en de auteur benadrukt zo vaak hoe nobel, oprecht en plichtsgetrouw hij gedurende heel zijn leven is geweest dat geen lezer hem vanaf bladzijde twee nog vertrouwt. Het boek geldt met recht als de schijnheiligste autobiografie uit de geschiedenis.

Als verzachtende omstandigheid wordt vaak aangevoerd dat Rousseau als eerste auteur over zijn intiemste roerselen schreef. Hij ontdekte ons ‘ik’, zegt men, ook al was dat een hoofdzakelijk literair, buiten tijd en ruimte geplaatst ik. Overigens bestond er al sinds Augustinus een traditie van literair zelfonderzoek die in de vroegmoderne tijd door de Fransman Montaigne en de Brit Robert Burton weer was opgepakt. Maar Rousseau maakt het ons nog moeilijker door te stellen dat zijn literaire ego niet zijn eigenlijke, authentieke ego is. De mens zoals hij zou moeten zijn, dat is eigenlijk Jean-Jacques Rousseau zoals hij zou willen zijn, een ongerepte mens, bevrijd van de zonde en verlost van aardse lasten en beperkingen. Helaas is dat authentieke ‘ik’ onherstelbaar gecorrumpeerd door de beschaving. De oorsprong van alle ondeugden is de maatschappij met zijn onderdrukkende opvoeding, onderwijs, eigendomsrecht en hiërarchie: ‘In oorsprong kent het menselijk hart geen verdorvenheid. Er is geen enkele ondeugd in een mensenhart te ontdekken waarvan we niet kunnen vaststellen hoe en vanwaar hij er is binnengeslopen.’

Als voorbeeld van die oorspronkelijke toestand verwees Rousseau naar de ‘edele wilden’ in Noord-Amerika van wie hij (ten onrechte) meende dat ze vreedzaam en solitair leefden, ‘door de natuur op gelijke afstand geplaatst van de stompzinnigheid der dieren en van het verderfelijke gezond verstand van de beschaafde mens’. Helaas, door ons bestaan rationeel te ordenen, een regering boven onszelf te stellen en ons gedrag te onderwerpen aan algemeen aanvaarde normen hebben we ons voorgoed vervreemd van die idyllische staat. Rousseau bestreed ook de verlichtingsgedachte dat kennis bevorderlijk is voor de deugd met het argument dat kennis vaak wordt aangewend voor het eigenbelang. Hij trok niet de consequentie dat kennis dus meer en beter gespreid moest worden over de bevolking, maar dat de mensen zich moesten terugtrekken in een eenvoudig agrarisch leven dat beheerst werd door hun gevoel. In zijn liefdesroman Julie werkte Rousseau de worsteling van het individu met maatschappelijke normen, de onderdrukking van het gevoel door de ratio en zijn visie op de oorspronkelijke goedheid van de mens verder uit. Zelf kwam hij niet verder dan een zwervershuwelijk met een ongeletterde wasvrouw voor wie hij ‘eerlijk gezegd niet het minste gevoel van liefde koesterde’. De vijf kinderen die ze hem schonk bracht hij onder in tehuizen omdat hij zich geen raad met hen wist.

Intussen meende hij wel te weten hoe de mens zijn verloren authenticiteit kan terugvinden. De weg daarheen loopt via hetzelfde instituut dat ons van onszelf heeft vervreemd: de politiek. Het volk moet de macht veroveren om als collectief de authenticiteit te herwinnen die het op individueel niveau heeft verspeeld. In Het maatschappelijk contract vervolgde hij die gedachtegang in al zijn consequenties, maar alleen als theoretische exercitie om te zien of hij een rechtvaardiging voor het bestaan van de staat kon bedenken. Op papier kon hij dat inderdaad. In de werkelijkheid zou zijn staatsontwerp onhaalbaar zijn, erkende hij zelf, een erkenning waar latere aanhangers vaak overheen hebben gelezen.

Om de volkswil tot gelding te brengen zou het volk een orgaan moeten kiezen dat één gedachte uitdrukt, en wel zonder tegenspraak, zodat de oorspronkelijke vrijheid van de mens als het ware op een hoger plan wordt hersteld. Voor groepsbelangen en georganiseerde oppositie is in Rousseau’s papieren staat geen plaats. Over beslissingen mag niet worden gediscussieerd. De volkswil moet spontaan tot stand komen doordat eventuele minderheden zich enthousiast bij de meerderheid aansluiten: ‘Daardoor krijgt de vergadering een eenheid, een gemeenschappelijk ego, een eigen leven en een eigen wil.’ De mensen zouden dan ook zo moeten worden opgevoed dat zij de volkswil bij voorbaat aanvaarden als hoogste wijsheid.

De eerste denker die struikelde over de opzichtige tekortkomingen in leven en denken van Rousseau was zijn kwaadsappige, van alle zweverigheid afkerige tijdgenoot Voltaire. Hoe was het mogelijk, vroeg deze, dat Rousseau over opvoeding schreef terwijl hij zijn kinderen te vondeling had gelegd? Waarom ontwierp hij een onmogelijke staatsvorm terwijl het al moeilijk genoeg was om de bestaande te verbeteren zonder ongelukken te maken? En waar kwam het onnozele idee vandaan dat de mens van nature goed is maar door kennis wordt bedorven? Nadat hij van Rousseau een exemplaar van Het maatschappelijk contract had gekregen, stuurde Voltaire het volgende briefje terug: ‘Ik heb Uw nieuwste boek tegen de menselijke soort ontvangen, waarvoor dank. Nooit eerder werd zo’n groot verstand aangewend om ons allemaal dommer te maken. Bij het lezen bekruipt je de lust om weer op vier benen te gaan lopen, maar dat vermogen heb ik tot mijn spijt al zestig jaar niet meer.’

Dankzij zijn verheerlijking van de volkswil groeide Rousseau uit tot een van de inspiratoren van de Franse Revolutie. Zijn stoffelijke resten werden op het hoogtepunt van de Terreur plechtig bijgezet in het Panthéon. De Jakobijnen grepen de gedachte dat zij de volkswil belichaamden met twee handen aan. Om dezelfde reden is Rousseau door moderne denkers (Hannah Arendt, Karl Popper) beschouwd als voorloper van extreem nationalisme, fascisme en communisme, als het ideaaltype van de totalitaire denker die niet van mensen hield en des te meer van een abstracte mensheid waaraan het individu zich zou moeten onderschikken. De vriendelijkste uitleg die moderne theoretici aan zijn leer van de volkswil hebben gegeven is dat deze een vroege versie zou zijn van hedendaagse ‘imagined communities’ die de lands- en cultuurgrenzen overschrijden. De onvriendelijkste is de vaststelling door zijn Amerikaanse biografe Carol Blum dat de ijdele Rousseau ‘zijn eigen ego opblies tot het formaat van een natiestaat’.

Als literator is Rousseau nog altijd schier onaantastbaar en ook als criticus van ongelijke machts- en bezitsverhoudingen, bekrompen opvoedingsmethoden en consumptieve decadentie is hij onverminderd actueel. Daarentegen heeft elke poging om zijn politieke visie in praktijk te brengen onvermijdelijk dezelfde uitkomst die de Jakobijnse Terreur in het groot en de stelling van Hanisch in het klein had. De gedachte dat er zoiets bestaat als een ‘eerlijke’ volksziel die er slechts op wacht door de politiek te worden bevrijd is een illusie waaraan alle dictators en totalitaire bewegingen van de laatste eeuwen zich hebben vastgeklampt. Omgekeerd geldt dat wie zijn zielenheil van de politiek verwacht reddeloos verloren is. In de moderne democratie slaan we elkaar gelukkig dagelijks om de oren met onze particuliere belangen en meningen, terwijl we de privé-sfeer zoveel mogelijk trachten af te schermen van overheidsbemoeienis en groepsdwang. Alleen zo kunnen we er zeker van zijn dat niemands belang of inbreng wordt miskend.

Het duidelijkst weerklinkt de echo van Rousseau nog in de zogenaamd radicaal-democratische regimes in Azië of het Midden-Oosten waarvan wijlen Bart Tromp al eens aantekende dat ze wel radicaal maar niet democratisch zijn. Ook de Franse republiek die zijn beroemde zoon deze dagen ter gelegenheid van zijn driehonderdste geboortedag feestelijk afstoft, is godzijdank niet ‘één en ondeelbaar’, zoals Rousseau het had gewenst. Hij ligt daar goed, diep in de Panthéon-crypte en onder het wakend oog van Voltaire die drie jaar eerder werd bijgezet.


Rousseau’s leven

Jean-Jacques Rousseau werd in 1712 geboren als zoon van een uurwerkmaker in het calvinistische Genève. Zijn moeder overleefde de bevalling niet en zijn vader moest hem al vroeg als leerjongen onderbrengen bij kennissen. Jean-Jacques liep weg en vond onderdak bij de oudere, welgestelde Françoise-Louise de Warens, die hem bekeerde tot het katholicisme. Hij werd haar minnaar en woonde met tussenpozen tot zijn 28ste bij haar terwijl hij zijn geluk beproefde in diverse betrekkingen en zich ontpopte als hartstochtelijk wandelaar en botanicus.

In 1750 leerde hij Condorcet kennen en werd medewerker van diens grote project, de Encyclopédie. Datzelfde jaar brak hij in intellectuele kring door dankzij zijn prijswinnende essay Vertoog over de ongelijkheid en schreef hij diverse toneelstukken en opera’s waarvan er één werd opgevoerd voor koning Lodewijk XV. In zijn kosthuis leerde hij de analfabete Thérèse Levasseur kennen, met wie hij in 1768 trouwde. Ze kregen vijf kinderen, maar Rousseau en zijn schoonmoeder dwongen Thérèse hen allemaal af te staan aan het weeshuis. Na het vijfde kind zag Rousseau voortaan af van ieder seksueel contact, naar eigen zeggen omdat hij zich in deugdzaamheid wilde oefenen.

In 1756 werd de ‘hypocrisie van het stadsleven’ hem te veel en trok hij zich terug in een landhuis van een andere beschermvrouwe, Madame d’Epinay. Hij schreef er onder meer Julie (1761), Émile en Het maatschappelijk contract (beide in 1762) en ontwerpen voor andere werken. Zijn Émile bracht hem in grote problemen. Het boek werd in Parijs en Genève in het openbaar verbrand en zelfs de Staten van Holland verboden het omdat het een pleidooi voor natuurgodsdienst bevatte. Rousseau kwam tot rust tijdens een tweejarig verblijf op een eilandje in de Zwitserse Bielersee. David Hume, die kortstondig erg van Rousseau onder de indruk was, nodigde hem uit naar Londen, maar de twee kregen ruzie omdat Rousseau zich door Hume publiekelijk tentoongesteld en door diens vrienden bespot waande.

Weer terug in Frankrijk vestigde de met zijn slechte gezondheid kampende filosoof zich met zijn Thérèse in de Dauphiné, waar hij de Bekentenissen voltooide. Hij leed aan achtervolgingswaan, droomde hardop van een ‘grote rechtszaak’ waarin hij alle beschuldigingen aan zijn adres zou rechtzetten en beschouwde zichzelf als een Christusfiguur die zich voor de mensheid had opgeofferd. In 1776 kreeg Rousseau een verkeersongeluk. Hij werd liefdevol verzorgd op het kasteel van de Markies van Girardin, waar hij twee jaar later overleed aan een hersenbloeding of hartstilstand. Hij werd begraven op het door hem geliefde Populiereneiland, gelegen in een meer op het land van de markies. In 1794 werden zijn stoffelijke resten op aanwijzing van de Nationale Conventie overgebracht naar het Panthéon.


Verder lezen over Rousseau

Ton Lemaire, Het vertoog over de ongelijkheid van Jean-Jacques Rousseau, of: de ambivalentie van de vooruitgang, Ambo (1980). Lemaire treedt in de voetsporen van Rousseau en neemt zijn natuurervaring als uitgangspunt voor een pleidooi tegen modern consumentisme.

Carol Blum, Rousseau and The Republic of Virtue: The Language of Politics in The French Revolution, Cornell University Press (1989). Een intellectuele biografie die uitvoerig ingaat op de invloed van Rousseau op de Jakobijnse Terreur en de psychologie van de totalitaire staat.

David Peeperkorn, Jean-Jacques Rousseau en zijn uitgever Marc-Michel Rey, Walburg Pers (2009). Zeer leesbare monografie over de relatie tussen Rousseau en zijn Amsterdamse uitgever en hun discussies over het wezen van de intellectuele eigendom.

Leo Damrosch, Jean Jacques Rousseau: Een rusteloos genie, Ten Have-Veen Magazines (2011). Een complete biografie waarin de Amerikaanse hoogleraar letterkunde tevens Rousseau’s grote invloed op het westerse denken tracht te verklaren.

Maarten Doorman, Rousseau en ik: Over de erfzonde van de authenticiteit, Prometheus (2012). Doorman beschrijft Rousseau als erflater van de hedendaagse obsessie voor authenticiteit, vriendschap en eeuwige jeugd.