Alsof Marie Kessels een paar maanden undercover heeft gewerkt… © Cocky van Bokhoven

Een vrouw van 23 verruilt haar vastgelopen leven in haar Poolse studentenstad om in Nederland haar plek te vinden. Drie slopende maanden werkt ze in de vleesindustrie, bij het bedrijf PerfektKost. Vrachtwagens met varkens aan de ene kant erin, bakjes parmaham en filetlapjes aan de andere kant eruit. Daartussenin de lopende banden en hallen met lotgenoten, zoals de vertelster, Elzbieta, die ons deelgenoot maakt van dit industriële inferno door er één dag uit te beschrijven.

Allerlei thema’s van onze tijd, samen in één vleeshal, denk je meteen. Misstanden in de bio-industrie, uitbuiting van seizoenarbeiders, dolgedraaid kapitalisme. Heel erg allemaal, maar wil ik daar ook nog een roman over lezen? Kan de roman ergens bij komen waar de journalistiek niet in doordringt?

Wel als je het op zo’n manier doet als Marie Kessels in Levenshonger. Neem die bio-industrie. Allereerst komt dat woord in het hele boek niet voor, evenmin als emotionele aanklachten met allerlei gruwelbeelden. Jawel, er zijn soms demonstranten bij de slachtplaats, maar ‘wij als werknemers liepen maar het liefst met een grote boog om zo’n demonstratie heen en haastten ons naar binnen. Genegeerd door de situatie. Nooit zouden wij kunnen vertellen wat het met ons doet: werken in deze bloedgeur. Hoe het is om ons elke ochtend in dat werkpak te hijsen en geen traan te laten.’

Ja, ze maken af en toe stiekem filmpjes, maar die kunnen evengoed van een stel ruziënde Roemeense collega’s zijn die elkaar de huid vol schelden. Het zijn impulsen van deze ‘eeltmensen’ om aan de totale geestdood te ontsnappen, niet om daadwerkelijk sociaal verzet te plegen.

Soms stuurt ze beelden van voorbij schuivende kadavers naar haar familie en stelt zich voor hoe haar vader juist betoverd raakt door de weelde van al dat roze vlees. ‘Hadden wij PerfektKost niet mooi in onze macht met deze intieme tafereeltjes uit de dagelijkse praktijk!’

Dit boek is méér dan alleen een strijdbare, geëngageerde roman

De ironie is dat ze die macht natuurlijk niet hebben, of niet in staat zijn die echt aan te wenden. Kessels is meesterlijk in zulke subtiele tweeslachtigheid. Zo is er na veel gedoe en inspraakavonden een raam gekomen, maar niemand wil er werken, of zelfs maar een ‘shot vers daglicht’ halen. Maar de werknemers bedankten voor de eer om ‘het bedrijf de lol te gunnen van een dankbare en tevreden werkvloer’.

Schitterend, zo’n detail. Het laat het machteloze van het verzet zien, maar ook hoe het groepsgevoel in zo’n ontmenselijkte omgeving gestalte krijgt. Dit beschrijft Kessels zo raak en zo overtuigend dat ze op z’n minst langdurig met zulke werknemers moet zijn omgegaan. Je krijgt zelfs de indruk dat ze er zelf een paar maanden undercover gewerkt moet hebben.

Haarscherp observeert ze haar omgeving – huisgenote Bo, de norse Jozef die bij haar betaalt voor kost en inwoning, de serveerster Carl, en collega Ewa – allemaal op hun eigen manier in een afgrond getuimeld, allemaal hun eigen strategie om te overleven, de een door minuutjes tijd van de werkuren af te snoepen, de ander door ‘protocollen’ te verzamelen, zoals Bo doet. Aantekeningen bijhouden van het type ‘Sluiproutes uitzendbureaus in Polen en Roemenië’, of ‘Ongevallen en zelfmoorden in één jaar’. Elzbieta, verbeten observerend, vat het samen: ‘De roes waarin je raakt wanneer je ineens bij de strot kunt grijpen wat zo-even jou nog bij de strot had.’

Met zulke intense portretten komt Marie Kessels dichterbij dan journalistieke reportages dat kunnen. Je krijgt het gevoel dat je dichter bij de werkelijkheid komt dan welke camera dan ook zou kunnen. Dat is vooral te danken aan de vertelster die een zeldzame combinatie van onverbiddelijkheid en innemendheid heeft, nietsontziend en tegelijk met mededogen. Met die blik is ze in staat, om een beeldspraak van haarzelf te lenen, ‘het onzichtbare gladde schot te verpulveren waarachter we allemaal hoopvol onze veren poetsen, ieder van ons zeven miljard Kronen op de Schepping apart’.

De levenshonger uit de titel slaat denk ik op die roes van al die tandeloze verzetshandelingen, de weigering om verzwolgen te worden door het systeem, door de nietigheid van het bestaan waar zij allemaal maar ‘kliekjes’ zijn, maar ook op de impulsen die vrijkomen na de uren in gevangenschap. Ook al zo sterk beschreven: ‘Werken in die zware zoete geurbel, verse kadavers, verse mest, leven dat terugweek, riep in ons iets wakker waardoor we weer nieuw werden voor onszelf. Nieuw, vreemd, raadselachtig.’ Buiten de poort gaven ze daarom toe ‘aan de eerste de beste impuls’. Vechtpartijen, zuippartijen, snelle neukpartijen, allemaal op parkeerplaatsen.

Smerig? Misschien, maar voor Elzbieta lijkt er ook wat moois en waardevols te vinden, of erin te wíllen vinden. Natuurlijk, indirect kun je dit boek lezen als een strijdbare, geëngageerde roman, maar dat doet onvoldoende recht aan de kracht waarmee het doordringt tot ver voorbij het journalistieke of het voorspelbare.