Het innerlijk oog van de historicus

Jo Tollebeek, Frank Ankersmit, Wessel Krul (red.), Romantiek en historische cultuur. Historische Uitgeverij, 358 blz., 365,-
Het zal misschien wel eens voorkomen dat iemand geschiedenis gaat studeren omdat hij of zij zich al geruime tijd afvraagt welke rol de druiventeelt speelde in de economie van het oude Rome of hoe dat nu precies zat met de formatie van het vijfde ministerie-Colijn. Over het algemeen echter zal deze studiekeuze worden gemotiveerd door een veel vagere belangstelling, een nauwelijks gearticuleerde fascinatie, door pure verwondering over het totaal ‘anders’ zijn van het verleden. Deze interesse, niet zelden gevoed door een meeslepend vertellende leerkracht, kan leiden tot allerlei fantasieën. Jezelf verbeelden hoe het zou zijn om in Athene te wonen ten tijde van Pericles, of op een oorlogsbodem van De Ruyter mee te varen tijdens de tocht naar Chatham, of als zwarte soldaat te vechten in de Amerikaanse burgeroorlog.

Wie met dit soort dagdromen of verlangens in de jaren zeventig geschiedenis ging studeren, kwam van een koude kermis thuis. Om te beginnen deugde het traditionele geschiedenisonderwijs van geen kanten en bestonden al die prachtige verhalen waar je als scholier zo van had gesmuld, uit weinig meer dan leugens. Kapitalistische, chauvinistische, seksistische en racistische borrelpraat over de zogenaamde ‘grote mannen’. Historisch onderzoek en geschiedenisonderwijs dienden bij te dragen aan de emancipatie van alle achtergestelde groepen. Het 'volk’ moest zijn verleden terugkrijgen. Sociaal-economische geschiedenis - over de grondwerkers van het Noord-Hollandskanaal of over de ontwikkeling van de boterprijzen in Oost-Nederland in het tweede kwart van de negentiende eeuw - dat was het! En voor wie dan nog niet afgehaakt was, waren er de colleges Theorie, waarin op niet mis te verstane wijze werd medegedeeld dat al die oude historici er geen bal van hadden gesnapt, dat bijvoorbeeld Herfsttij der Middeleeuwen van Huizinga wetenschappelijk gezien van nul en generlei waarde was. Die oude knarren hadden immers geen 'problemorientierte historische Strukturanalysen’ geschreven, maar verhalen verteld. En dat kon natuurlijk nooit wetenschappelijk zijn. Hypothesen, modellen, statistieken en eindeloze reflecties op kentheoretische vraagstukken - dat alles moest uitkomst brengen. Dan pas werd geschiedenis een 'echte’ wetenschap. Wie zo onverstandig was te zeggen dat hij Huizinga toch zo mooi vond schrijven, of dat hij met instemming Isaiah Berlins aanval op de scientific history had gelezen, kon dus maar beter vertrekken.
Hoewel onzin van alle tijden is, heeft iedere specifieke vorm van onzin slechts een beperkte levensduur, zodat ook op deze gortdroge en steriele geschiedbeoefening een reactie volgde. Niet alleen begonnen in de jaren tachtig meer historici zich weer te verdiepen in de cultuurgeschiedenis, ook werd steeds duidelijker dat het weinig zinvol was het eigen vak te modelleren naar andere wetenschappen. In de geschiedtheorie worden, in tegenstelling tot de abstracte discussies uit de jaren zestig en zeventig, kentheoretische en methodologische vragen steeds meer geconcretiseerd en gehistoriseerd. Historiografie, de geschiedenis van de geschiedschrijving, blijkt een rijk en boeiend vak. Het gaat niet langer om de fouten en blinde vlekken van vroegere historici, maar het laat zien hoe men in het verleden met het verleden, en dus met de cultuur om sprong.
Voorts zien we dat de omgang met het verleden niet langer het monopolie van de historici is, maar dat ook kunsthistorici, literatoren, beeldend kunstenaars, musicologen, architecten en anderen zich met de erfenis van het verleden bezig houden. Voor dit verschijnsel wordt tegenwoordig vaak het postmoderne begrip representatie gehanteerd. In Nederland is het vooral het tijdschrift Feit & Fictie dat tracht het verleden te belichten vanuit deze verschillende disciplines.
Bij de Historische Uitgeverij, die dit tijdschrift uitgeeft, is nu een bundel verschenen waarin deze benadering is toegespitst op één tijdvak. Romantiek en historische cultuur bevat essays over het historisch besef en de geschiedschrijving ten tijde van de Romantiek. In tegenstelling ligt tot de traditionele historiografie ligt de nadruk nu eens niet op Duitsland, maar op het lange tijd voor oppervlakkig en onbelangrijk versleten Frankrijk. De keuze voor de periode van de Romantiek is overigens allesbehalve toevallig. De redactie ziet immers opvallende overeenkomsten tussen de historische cultuur van de Romantiek en de nieuwe stroming in de moderne geschiedschrijving, zoals er ook sterke verwantschap was tussen de positivistische historici van enkele decennia geleden en de geschiedschrijving uit de Verlichting. De geruime tijd verheerlijkte modellen, kwantificerende methoden en structurele analyses maken op dit moment, evenals tijdens de Romantiek, plaats voor andere methoden.
Het streven van de romantische historici was niet zozeer tot de wetenschappers gerekend te worden alswel tot de dichters, of beter nog tot de zieners. In een prachtig essay beschrijft Jo Tollebeek hoe men trachtte in direct contact met het verleden te komen. Bronnenonderzoek speelde daarbij wel een rol, maar de grote historicus onderscheidde zich juist van de moeizame ploeteraars door zijn 'innerlijk oog’. Hiermee kon hij achter of onder de direct waarneembare werkelijkheid schouwen, en zodoende het ware karakter van het verleden ontsluieren. Dit romantische ideaal werd het sterkst verpersoonlijkt door de Franse historicus Augustin Thierry en zijn Amerikaanse collega William Prescott. Beiden waren blind, en konden dus niet afgeleid worden door trivialia en uiterlijke schijn. In zijn bijdrage 'De kleur van het verleden’ schrijft Wessel Krul: 'De Romantiek had aan de werkelijkheid alleen niet genoeg.’ Het uitsluitend weergeven van zogenaamde 'feiten’ bracht het verleden niet dichterbij. Doel was de historische evocatie, dat wat Michelet noemde de 'verrijzenis van het verleden’, de historicus was een tovenaar, die met de lamp van zijn verbeelding de werkelijkheid verlichtte. Dat dit zoeklicht van de geschiedschrijver geen neutrale maar zeer gekleurde lichtbundel uitzond wordt duidelijk uit de sleutelbegrippen 'verbeelding’ en vooral 'couleur locale’.
Dat dit laatste begrip aan de schilderkunst is ontleend is geen toeval, aangezien de romantische historici, en tal van 'verhalende’ historici na hen, zich graag identificeerden met kunstschilders. Door middel van het overvloedig gebruik maken van allerlei 'kleurrijke’ details uit het verleden zou dit weer voor ons gaan leven, zou zich een boeiend schilderij voor ons oog ontrollen. Huizinga sprak denigrerend van 'geparfumeerde historie’ en tegenwoordig woedt de cultus van de couleur locale nog vooral in de Van Gewest tot Gewest-benadering van veel streekhistorici en auteurs van toeristische werkjes.
Doordat de verbeelding bij de romantische historici ruim baan kreeg, ontstonden er gemakkelijk allerlei historische ficties. Het ging hierbij niet zozeer om pure verzinsels, als wel om een aantal constructies uit beschikbare gegevens, aangevuld met de verbeelding van de historicus. Uit de klei van het verleden boetseerde de geschiedschrijver een beeld, dat slechts ten dele iets te maken had met dat verleden zelf. In de bijdrage van Piet Blaas komt een viertal van die ficties aan de orde: het archetype van de wilskrachtige Renaissance-mens; het jaar 1000 als belangrijke waterscheiding in de geschiedenis; de fictie van de allesverklarende oorsprong der dingen; en de mythe van de verjongende barbaren. Vooral de laatste fictie, waarbij geweld een belangrijke rol speelde in de zingeving van de geschiedenis, heeft helaas heel lang doorgewerkt.
Hoewel de essays in deze bundel uiteraard niet allemaal even vlot lezen, bieden ze tesamen een zeer levendig en caleidoscopisch beeld van de wijze waarop de romantici het verleden beleefden. Zeer boeiend zijn met name de stukken over Bilderdijk als historicus tussen Verlichting en Romantiek; over de pogingen de geschiedenis van de 'gewone mensen’ te schrijven; over het teruggrijpen op het verleden in de architectuur; over de historieschilders, en over de historische romans van Walter Scott en Achim von Arnim.
Sluitstuk en wat mij betreft hoogtepunt van het boek is het essay van Lionel Gossman over 'de nukkige uithoek van Europa’. Hierin schetst hij hoe Bazelse intellectuelen als Burckhardt en Bachofen als late romantici reageren op de tumultueuze politieke, economische en sociale ontwikkelingen na 1848. Met Burckhardt zijn we dan ook inmiddels aangeland bij een meer (post)moderne visie op de geschiedenis. Volgens hem waren er immers 'geen gouden eeuwen in het verleden of in de toekomst’. Het werd tijd dat we verlost raakten van 'de dwaze overschatting van één of ander tijdperk uit het verleden, van de even dwaze afwijzing van het heden, en van de dwaze hoop voor de toekomst.’