Hoofdcommentaar

Het IQ van een luier

In de Britse media wordt al weken een discussie gevoerd over de inzet van pedagogiek voor politieke doeleinden. Aanleiding is een plan om een tienminutentest in te voeren om antisociaal gedrag onder jongeren in een vroeg stadium op te sporen. De Schotse psycholoog Bjarne Holmes ontdekte na jarenlange studie dat als een moeder signalen van haar baby onder de zes maanden negeert en zich structureel angstig en krampachtig opstelt er een groot risico bestaat dat het kind zich later ontwikkelt tot een borderliner, rijp voor een anti social behaviour order (asbo). De eerste achttien maanden zijn cruciaal voor de ontwikkeling van het brein. Als er in die fase geen gezonde feedback plaatsvindt, dan ligt er in de wieg een drama in spe. Middels een vragenlijst van tien minuten voor moeders in achterstandswijken kunnen pedagogen efficiënt een ‘asbo-baby’ identificeren. Ingrijpen is dan gewenst. Niet door de moeder te stigmatiseren en te straffen, maar door haar in haar opvoeding te ondersteunen, aldus de onderzoekers.

De kritiek was groot. Het is niet alleen betuttelend, maar het gevaar bestaat dat de test wordt misbruikt als een politiek instrument. Het plan ligt in de lijn van premier Tony Blair om de problematiek bij multi-problem families niet meer vrijblijvend aan te pakken. Tegenstanders vragen zich af hoe ver een overheid mag ingrijpen in het privé-leven. Voorstanders stellen dat er de afgelopen decennia geen structurele aandacht is geweest voor opvoeding en pedagogiek, met als resultaat een kolossaal maatschappelijk probleem – kindermishandeling, agressie onder jongeren – dat met pappen en nathouden niet adequaat is opgelost.

Ook in Nederland is opvoeding weer helemaal terug van weggeweest. Je kunt geen tv aandoen of krant openslaan of het gaat over opvoeden. Hebben de uit Engeland overgewaaide supernanny’s nog een onschuldige amusementswaarde, in de politiek gaat het om een ideologisch vraagstuk. De pijlen richten zich vooral op twee categorieën: allochtonen en kinderen uit multi-problem families. De vraag is wie de hoofdopvoeder is: de ouders, de school, de straat of de staat? Net als in Engeland spelen ook hier testen en toetsen steeds meer een rol bij de beoordeling om in te grijpen. De trend is: hoe eerder er kan worden geselecteerd, hoe meer kans op succes.

Hierin doet zich een verschuiving voor van het klassieke ideologische schema. Gold de bemoeienis van de staat met het private domein van oudsher als het primaat van de sociaal-democraten – het verheffingsideaal van de arbeidersklasse – thans zijn het vooral de liberalen die pleiten voor overheidsingrijpen in het privé-leven van de burgers.

vvd-fractievoorzitter Mark Rutte lanceerde eind vorige maand het plan om taalachterstanden bij kinderen op piepjonge leeftijd tegen te gaan. Vlak voor de derde verjaardag moeten peuters een taalmeting ondergaan op het consultatiebureau. Is er sprake van achterstand, dan moet een kind verplicht naar de voorschoolse opvang. Als het kind naar de basisschool gaat, wordt de voortgang opnieuw gemeten. Is het nog niet op ‘niveau’, dan krijgt het verplicht bijles. Hiermee hoopt hij voortijdig schoolverlaten en – vooral – integratieproblemen te voorkomen. Tot nu toe vindt de grote selectie pas plaats na de (verlengde) brugklas.

De pvda ziet daarentegen gratis kinderopvang, te betalen uit algemene middelen, als instrument van integratie en het wegwerken van taalachterstand bij allochtonen. Voorheen pleitten de sociaal-democraten voor een Voorschool en waren ze voorstander van oalt (opleiding allochtone levende talen) in het basisonderwijs. Deze vorm van ondersteunend onderwijs stierf, godzijdank, in 2004 een stille dood.

Is er iets mis met de voortvarendheid waarmee politici nu aan de slag gaan met opvoeding en onderwijs? Nee. Wie kan er tegen zijn onnodige achterstanden en psychische traumata in de kiem te smoren? In de vroegste jeugd worden onomkeerbare kansen gecreëerd voor het latere emotionele welzijn en maatschappelijk en sociaal welslagen. Het faciliteren van een gelijke start voor kinderen vormt het hart van een rechtvaardige samenleving.

Maar de vraag is of testen, toetsen, onderzoeken en meten daartoe de drempel moeten zijn. Op het ontzag hiervoor is veel af te dingen. Een test is arbitrair, want modegevoelig en cultuurgebonden. Een testuitslag normeert op een gekozen moment en ontneemt de vrijheid tot een eigen, nog ongewisse, persoonlijke ontwikkeling. Niet ieder kind toont hetzelfde tempo van ontwikkeling. Niet ieder kind heeft hetzelfde minimum-IQ om als ‘succesvol’ te kunnen worden geëtiketteerd. Hoewel er voor taalachterstand allerlei objectieve criteria zijn, dwingen de bijlessen van ‘supernanny’ Rutte tot een standaardproduct. Nog los van het feit dat sociale omstandigheden, zoals een gemengde omgeving, minstens zo belangrijk zijn.

De toenemende test- en toetscultuur heeft ook in algemene zin een normerend effect. Uit een artikel in The Observer van zondag onder de titel ‘Official: now it’s good to push your kids to excel’ blijkt hoe modieus pedagogisch onderzoek wordt ingezet in een andere sociale klasse dan de doelgroep van de politiek. Was het voorheen volgens onderzoek ‘gevaarlijk’ voor kinderen om een drukke naschoolse agenda te hebben, nu is opeens aangetoond dat deelnemen aan georganiseerde activiteiten (hollen van vioolles naar de hockeyclub) juist goed is voor de ontwikkeling van kinderen. Ze hebben een betere relatie met hun ouders, ontwikkelen sociale vaardigheden en gaan later minder roken en drinken dan kinderen die thuisblijven.

Op het schoolplein smijten de ouders elkaar om de oren met de uitslagen van de testen van hun kinderen. Die blijken allemaal hoogbegaafd te zijn. Eigenlijk zeggen de ouders: kijk eens hoe slim en getalenteerd ík ben. Dat mag best. Maar dat betekent niet dat maakbaarheid via testen en toetsen een politiek instrument voor alle lagen van de bevolking kan zijn. Want deze selectiemethode is soms meer een verlengstuk van de idealen van de volwassen dan van de kinderen.