Het Iran-effect

De protesten in Iran raken ook de Arabische alleenheersers. Zelfs als het ayatollah Ali Khamenei, de Opperste Leider, lukt met geweld een einde te maken aan de demonstraties, krijgt hij de geest niet meer terug in de fles, zo is de verwachting.

Ongeacht de afloop van de krachtmeting tussen theocratie en democratie zullen Iraanse leiders meer aandacht moeten besteden aan de noden van het volk. De dure, agressieve buitenlandpolitiek, gericht op het uitbouwen van Iran als regionale grootmacht, zal daar waarschijnlijk onder lijden. Het nucleaire programma zal volgens analisten doorgaan, maar het financieren en bewapenen van radicale bewegingen zou tot het verleden kunnen gaan behoren. Een van de grieven van het volk is immers het verkwisten van gemeenschapsgeld aan Hamas, de Islamitische Jihad en Hezbollah.
Arabische leiders van pro-westerse regimes als die in Caïro en Riad zouden graag van die ‘ondermijnende krachten’ verlost zijn. Maar tegelijkertijd vrezen zij het democratische protest in de Iraanse steden. Tegenstand tegen hun seculiere en dictatoriale nepdemocratieën komt nu vooral van radicale religieuze bewegingen, wat hun de steun oplevert van de Verenigde Staten, die vrezen dat islamisten aan de macht komen als de dictators wijken. Maar wat als de tegenstand een democratisch karakter krijgt? Dan wordt het moeilijker voor Washington om de alleenheersers te steunen, dan worden zij kwetsbaar.
Iran toont ook hoe de opmars van nieuwe media de autocratie onder druk zet. Het beeld van de bloedspugende Neda Agha-Soltan (27), volgens degenen die haar dood met hun mobiele telefoons filmden, neergeschoten door de regeringsgezinde Basij-militie, is gruwelijk en krachtig. Haar sterven vermenigvuldigt zich onstuitbaar. De filmpjes kwamen naar buiten via Facebook en YouTube. In Iran zelf, waar de toegang tot internet nu zeer beperkt is, worden ze via Bluetooth van de ene naar de andere gsm gezonden. Zulke beelden hebben een sterkere uitwerking dan welke preek ook en kunnen het einde inluiden van elk regime dat weigert te buigen. De Arabische heersers weten dat. Ze kijken nauwlettend toe hoe Khamenei het ervan afbrengt, want dat kan uiteindelijk ook hun eigen lot bepalen.
Opvallend is de gebiologeerde wijze waarop Israëlische media de gebeurtenissen volgen. Vóór de presidentsverkiezingen verschenen cynische commentaren waarin werd gesteld dat een overwinning van hardliner Ahmadinejad, die herhaaldelijk dreigde Israël van de kaart te vegen, te prefereren was boven winst voor de zich gematigder opstellende Mousavi. Alleen met Ahmadinejad aan het roer is de Amerikaanse president Obama wellicht over te halen een Israëlische luchtaanval op de Iraanse nucleaire installaties te steunen. Veel Israëliërs twijfelen er niet aan dat die er moet komen, ongeacht de nucleaire ramp die dat voor Iran en omstreken zou betekenen.
Nu heerst echter verwarring. ‘Welk Iran willen we eigenlijk bombarderen?’ vroeg Ha’aretz-commentator Zvi Bar’el zich vertwijfeld af. Opeens blijkt Iran niet alleen te bestaan uit woedende ayatollahs en een president die alle joden de zee in wil drijven, maar ook uit hippe jongeren die hun leven wagen voor democratische vrijheden en niet geïnteresseerd zijn in strijd met Israël. Premier Netanyahu, die eerder desnoods zonder Amerikaanse hulp tot bombarderen wilde overgaan, heeft het nu over ‘vrede met Iran onder een ander regime’.
Zo heeft alleen al de roep om democratie in de straten van Teheran een matigende invloed in het Midden-Oosten. Niemand weet welke gruwelen de demonstranten nog te wachten staan, maar hun strijd is niet vergeefs.