Oostindie, Klinkers, Gortzak: Nederland dekoloniseert

Het is alles mislukt

Gert Oostindie, Inge Klinkers

Decolonising the Caribbean: Dutch Policies in a Comparative Perspective

Amsterdam University Press, 291 blz., € 29,-

Wouter Gortzak

Nederland-Suriname: De herkansing

Wiardi Beckman Stichting, Mets & Schilt, 207 blz., € 14,-

Hendrikus Colijn, antirevolutionair premier tijdens de depressie van de jaren dertig, had er verstand van. Als koloniaal die in Indonesië carrière had gemaakt (onder andere in de Atjeh-oorlog) en als olietycoon avant la lettre die bij de Koninklijke Olie zijn fortuin verdiende, kon hij het weten: Suriname was voor Nederlanders een probleem. In de Eerste Kamer stelde hij als minister van Koloniën: «Alles wat in Suriname beproefd is, het is alles eenvoudig mislukt. De dingen zijn inderdaad niet gemakkelijk. En daarom wilde ik wel, dat er eenmaal in Nederland iemand opstond die wel wist wat er gedaan zou kunnen worden.»

De woorden van Colijn staan afgedrukt in Nederland-Suriname: De herkansing van Wouter Gortzak. De wanhoop die in de woorden te lezen is, spreekt van elke pagina. Wouter Gortzak was vanaf 1994 actief in de stadsdeelraad van Amsterdam-Zuidoost voor de PvdA en kwam daar veelvuldig in contact met de Surinaamse gemeenschap. Van 2000 tot 2002 was hij in de Kamer Suriname-woordvoerder voor de PvdA en toonde hij zich een enthousiast voorvechter van de Surinaamse zaak.

Jarenlange samenwerking heeft niets uitgericht volgens Gortzak. Suriname is volgens Unctad het minst aantrekkelijke land voor buitenlandse investeerders. Daarom is de gedachte dat Nederlandse hulp ooit iets zal uithalen een illusie, zegt Gortzak, het verleden drukt te zwaar op de onderlinge verstandhouding. Nederland kan de huidige hulp aan Suriname beter opgeven; Suriname moet een derdewereldland als alle andere worden.

Gortzaks meest exemplarische voorbeeld van krampachtig beleid betreft het rapport Lessons Learned. In april 2001 verlangden toenmalig minister Herfkens en haar Surinaamse tegenhanger Raghoebarsing een uitvoerige evaluatie van de jarenlange hulp. In november van dat jaar hoorde Gortzak van de minister dat het rapport off the record klaar was. Hij mocht het inzien op voorwaarde van stilzwijgen. Want voor publicatie was toestemming van Paramaribo nodig. Anno 2003 is nog steeds niets vernomen over het bewuste rapport. Dat past niet bij de realistische, van emotie ontdane relatie met Suriname die Gortzak bepleit. Een begin daarvan is in zijn ogen de publicatie van het rapport en inmiddels steunt een kamermeerderheid hem daarin.

Maar ondanks Gortzaks kritiek blijft de verhouding tussen Nederland en zijn voormalige kolonie Suriname moeilijk. Zeker als men bedenkt dat Nederland helemaal niet zo genereus is geweest als men vaak veronderstelt. Van samenwerking en Nederlandse hulp mag sprake zijn geweest, maar, stellen Gert Oostindie en Inge Klinkers, Nederland heeft zich nooit daadwerkelijk sterk ingezet voor Suriname. De twee onderzoekers voegden een nieuw onderzoek toe aan een nieuwe, Engelstalige versie van hun in 2001 uitgegeven boek Knellende koninkrijksbanden (in verkorte versie verschenen als Het koninkrijk in de Caraïben). In Decolonising the Caribbean vergelijken zij de onafhankelijk geworden staten in het Caribische gebied met landen in de regio die zich nooit van hun koloniale moederland losmaakten. Vrijgevochten landen als de Dominicaanse Republiek, Cuba en Haïti, waar de dekolonisatie in 1791 begon, kennen het laagste inkomen per hoofd van de bevolking in de regio. Conclusie: de onafhankelijke staten in het Caribische gebied zijn economisch slechter af. Maar, groot nadeel van de hulp: hoe meer geld binnenstroomt hoe afhankelijker de ontvanger wordt van de verstrekker.

Voorts blijken de relaties van Frankrijk, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Nederland tot hun Caribische landsdelen enorm te verschillen. De Fransen hebben net als de Amerikanen een serieuze belangstelling voor hun voormalige koloniën. Dit zorgt voor een niet aflatende stroom geld. In 2001 bijvoorbeeld maakten de Fransen 265 miljoen euro aan «hun» landen over. Samen met de steun die de «departements d’outre mer» uit de structuurfondsen van de Europese Unie ontvangen, komt dat jaarlijks op ongeveer drieduizend euro per bewoner van Guadeloupe, Frans Guyana en Martinique. Jongeren die aan een Parijse universiteit willen studeren krijgen sinds 2002, naast alle voor continentale Fransen toegankelijke regelingen, twee retourtickets per jaar naar hun familie. Ook de Amerikanen financieren een hoog welvaartspeil op Porto Rico en de Virgin Islands. De Nederlandse steun aan de Antillen en Aruba bestond rond de eeuwwisseling uit een schamele vijfhonderd euro per inwoner. Dat is nog altijd ongeveer drie keer zoveel als de steun aan Suriname. De Surinaamse onafhankelijkheid was voor Nederland financieel gezien een koopje.

Beide boeken getuigen van de moeizame en nog immer voortdurende worsteling van Nederland met zijn houding tegenover de voormalige koloniën. Op de achtergrond blijft de onzekere vraag sluimeren: hebben we het goede gedaan? Colijns woorden, die ook bij Oostindie en Klinkers staan vermeld, zijn nog altijd actueel: laat diegene die het allemaal wel weet zich melden!