TONEEL: De kleine zielen

Het is alles om niets

Verslaving is misschien te veel gezegd. Laten we het verwachtingsvolle trouw noemen. Is ook wel een mooi Couperus-woord. Iedere keer als Ger Thijs zich heeft gewaagd aan een toneelbewerking naar een roman van Louis Couperus ga ik in verwachtingsvolle trouw kijken.

Het duurt soms even, maar het komt ervan. Hoorn was het deze keer, een overvolle Parkschouwburg. De inleider van de avond, acteur Reinier Bulder, had de lachers op zijn hand met de opmerking: ‘Over het decor kan ik kort zijn. Dat is er niet.’ Hetgeen juist is. Er zijn veertien toneelspelers. Die doen de vertelling. In het centrum staat de vrouw met de ‘couperus-misstap’. Iets fluttigs einde-eeuws natuurlijk. Zij, Constance heet ze, werd tijdelijk verstoten uit de clan en nu wordt ze met zuinige residentiële hoofdknikjes terug gedoogd. De tijden zijn misschien ruimer geworden, maar de mensen kleiner. In deel twee van De boeken der kleine zielen schrijft Couperus een dodelijk Haags fin-de-siècle woordje op: ‘eigendunkelijkheidjes’. Zij is veranderd, de anderen leven voort. Dat is eigenlijk het verhaal. Constance is op haar manier blijven door-denken. Ze probeert een modus vivendi uit. De anderen zijn rancuneus, verongelijkt en verpieterd gebleven of bang, paranoïde en depressief geworden. Op dit lege toneel van bleke mensen kijken wij naar de gebeurtenissen door de ogen van Constance’s puberende zoon Addy, die, aldus Couperus, ‘alles had gehoord met een minachtende lach die zich om zijn nauwelijks bedonsde jongens­lippen krulde, terwijl hij dacht: het is alles om niets’.

Er zijn twee delen. Voor de pauze moeten de verhoudingen in de Haagse stoofpan flink pruttelen. Dat leidt een enkel moment tot theater dat Gerardjan Rijnders ooit heeft omschreven met de toneelregels ‘dat komt maar op/ dat gaat maar af/ dat blijft/ dat is het ergste’. Laat ik het zo formuleren: enig geduld is nuttig in dat eerste deel. Je krijgt er een hoop moois voor terug. Thijs heeft in Couperus’ zevenhonderd pagina’s nog fermer gesnoeid dan in een eerdere bewerking. Dus probeer niet alle familierelaties te begrijpen. De ingetogen Constance van Oda Spelbos is een goeie gids door het labyrint, net als haar tegenpool Adolfine in de mooi-bijterige verklanking van Marie-Louise Stheins. De plots en bijplots, hoofd- en nevenintriges wervelen in dat eerste deel als herfststormen in je gezicht. Met als rustpunt de doodsangst van Paul en de onder zijn bed samenhokkende ‘zielen-aan-kettings’. Paul, waarin twee Couperus-figuren zijn samengevoegd, is een prachtrol van Cas Enklaar. Hij ziet het meest, maar hij wordt het minst begrepen. Behalve door de puberjongen Addy.

Die wordt prachtig gespeeld door een zij, Sarah Bannier, en dat had ik aanvankelijk niet in de gaten. Er is een scène waarin Addy hardop denkend staat tussen zijn moeder en de vader die ooit de oorzaak was van Constance’s vermeende ‘misstap’, Van der Welcke, een met verbluffend eenvoudige spelmiddelen gecreëerde prachtrol van Thom Hoffman. Ik heb naar die scène met open mond zitten kijken: zo helder en simpel en tegelijk zo zinderend duister en zo pijnlijk ook. Met de familiaire wervelstormen is het in het deel na de pauze overigens vrij snel gedaan. De entiteit valt uit mekaar en brokkelt af. Zo gaat dat. Ego’s verwaaien als as in een Haagse bries. Wat blijft is de verbouwereerde blik van een kind. En veel mooi en gaaf ensembletoneel.


De kleine zielen, 4 t/m 16 december, DeLaMar, Amsterdam; 18 t/m 23 december, Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Van 2 t/m 19 januari 2013 nog op tournee. Informatie: hummelinckstuurman.nl