Heijermans’ ‹Op hoop van zegen›

Het is de wil van God

In Heijermans’ toneelstuk ‹Op hoop van zegen› is het de wil van God dat Kniertje haar man en haar vier zonen verliest. Dat blinde godsvertrouwen oogt bespottelijk — maar wat had Kniertje moeten doen, toen zij plotseling geheel alleen op de wereld stond? Dan zet men het verstand op nul en mompelt dat het allemaal de wil van God is. Een ongetwijfeld schrale troost, maar toch een soort troost.

«Uitgaande schuit,

is een drijvende duit.

Zinkende bom

brengt geld in de trom.»

Herman Heijermans, Schimpliedje (1897/98)

Voor mijn vertrek naar Londen draaide ik nog even die antieke 45-toerenplaat met de grote monoloog van Kniertje, de vissersvrouw uit Herman Heijermans’ toneelstuk Op hoop van zegen. Buiten loeit de najaarsstorm met ongekend geweld. Binnen zit de weduwe sokken te stoppen, terwijl zij ondertussen aan de dochter van de reder vertelt over de verschrikkingen van het zeemansleven, het zeemansleven dat de oude vrouw een man en vooralsnog twee zonen heeft gekost.

«M’n man was een visser één-uit-de-duizend», zegt Kniertje. «Als er gelooid wier, proefde die aan het zand waar-ie was. ’s Nachts zei-ie menigmaal we binne op de 56 en dan wás-ie op de 56. Eens het-ie twee dagen en twee nachten met drie anderen in de boot rondgezworven. Dat was toen ze de beug moesten inhalen en er zo’n mist opsting dan ze geen jóón meer konden onderscheiden, laat staan de logger terugvinden. Drie jaar later — het is nu twaalf jaar geleden — bleef de Clementine — die uw vader naar u genoemd had — op de Doggersbank, met m’n twee oudsten. Van wat er met díe gebeurd is weet ik niks, helemaal niks. Je kan het je eerst niet voorstellen — maar na zoveel jaren weet je d’r gezichten niet goed meer — en daar dank je God voor. Want hoe erg zou het niet zijn als je de herinnering hield. Elke zeemansvrouw heeft zoiets in d’r familie — ’t is geen nieuwigheid. Truus het gelijk — de vis wordt duur betaald… Huil je, juffrouw?»

«God!» barst de redersdochter los. «Als er vannacht maar geen schepen vergaan!»

Kniertje, berustend: «Wij zijn allemaal in Gods hand — en God is groot en goed…»

Het was in die tijd de grote creatie van Esther de Boer-Van Rijk, Heijermans’ eerste actrice. Twaalfhonderd keer heeft zij als Kniertje op de planken gestaan, totdat haar zowel de rol als de twee koude koteletten uit de laatste scène de strot uitkwamen. «Op straat werd ik nagewezen: daar heb je Kniertje… Het ging ons weer eens financieel miserabel. Dus maar weer een benefietavond voor mevrouw De Boer-Van Rijk als Kniertje. Hoeveel ik ook van het werk houd, dat was op den duur niet meer te harden.» Het immens populaire toneelstuk werd in 1934 verfilmd, mét Esther de Boer-Van Rijk (81) in de titelrol. In de rol van haar opstandige zoon Geert, zo ontleen ik aan Henk van Gelders boek Hollands Hollywood, was heel wat antikapitalisme geschrapt, terwijl de rol van de kleine Barendje werd gespeeld door een acteur (38) met een buikje en een onderkin. Niettemin werd de film een jaar later op de Biennale van Venetië bekroond, zonder dat de regisseur ooit de bijbehorende bokaal in ontvangst heeft mogen nemen. «Die verdween in de smeltkroes waaruit Mussolini zijn wapens liet smeden.»

Kniertje was, zo is door grammofoon en film gedocumenteerd, in feite een vrome kwezel, die zich in naam van God alles liet aanleunen, zelfs het feit dat uiteindelijk haar héle familie door de zee zou worden verzwolgen. De opstandige factor in het drama is Kniertjes Geert, de enige die het waagt om de calculerende reder Bos de onverbloemde waarheid te zeggen.

«Wie haalt de vis uit zee?» zegt Geert, terwijl zijn moeder handenwringend toehoort hoe haar zoon zijn meerderen schoffeert. «Wie waagt zijn leven elk uur van de dag? Wie komme in geen vijf, zes weken uit d’r kleren? Wie lopen met handen vol zoutvreters? Wie slapen als beesten in ’t volkslogies in kooien van twee-bij-twee? Wie laten moeder en vrouwen achter om aalmoezen te bedelen? — Met twaalf koppen gaan we straks in zee. Wat krijgen wij van de besomming? En jij? Wij doen het werk — jij zit thuis. Je schip is geassuradeerd — en wij — wij kunnen verrekken als er een ongeluk gebeurt — wij zijn de assurantie niet waard.»

«Geert! Geert! Geert!» roept zijn moeder, radeloos.

Het is nog steeds, meer dan een eeuw na de première, een ijzersterk stuk, zij het enigszins verouderd. Genadeloze reders, die hun drijvende doodskisten om wille van de verzekeringspenningen de Doggersbank op sturen, bestaan niet meer. Het kapitalisme heeft allang voor een eigentijdse wijze van zelfverrijking gekozen: het saneert duizenden personeelsleden en beloont diegenen die zich met dit slagerswerk belasten met miljoenenopties en Gouden Handdrukken. Kniertje is inmiddels — inclusief haar pannetje met twee koude koteletten — van de plankieren verdwenen — behalve merkwaardigerwijze in Engeland, waar Heijermans’ toneelstuk onder de titel The Good Hope sinds begin november te zien valt in het Londense Cottesloe Theatre. Het is Engels toneel op z’n best — en op z’n slechtst. Er wordt excellent geacteerd, maar zo naturalistisch dat het soms pijn doet aan de ogen. Vooral in het gedeelte voor de pauze weet je soms niet wat je ziet: een decor dat door het achterlijke neefje van Anton Pieck lijkt te zijn ontworpen, waartussen een aantal rustieke volksfiguren hun kunsten vertonen, mannen met zuidwesters en verweerde baarden, alcoholische bejaarden die waggelen onder een overdosis Katwijkse schelvispekel, een langgerokte hysterica die zich, te midden van het dorpsgewoel, overgeeft aan een soort klompendans. «Op hoop van zegen — Spel van de Zee — the Musical!»

Het mirakel is dat het stuk recht overeind blijft staan. Het voorlopige hoogtepunt is het verzet van de jonge en bange Barendje, die door de reder én door moeder Kniertje gedwongen wordt op de Op Hoop van Zegen aan te monsteren. Hij weet: het schip is rot. «O moedertje, moedertje, laat me niet gaan…» Maar Kniertje blijft spijkerhard. Zij heeft van reder Bos een voorschot ontvangen en bovendien, als haar jongste zoon onwillig blijft, «mag ik niet meer schoonmaken gaan bij meneer Bos en — en — dan moeten ze je maar halen — beter gehaald als weggelopen.» De jongen wordt inderdaad door twee veldwachters in de richting van de kade gesleept, terwijl zijn moeder jammerend toekijkt: «Toe nou, elke nacht zal ik de goeie God bidden dat-ie je behouden terugbrengt. ’t Schip is in Gods hand. Toe nou, jongen, toe nou — God zal je niet verlaten.» Helaas, God beschikt anders. De Op Hoop van Zegen vergaat met man en muis.

«Enfin, tegen Gods wil staan wij machteloos», zegt de reder, de telefoon in de hand waarmee hij nét met de assuradeur heeft gesproken.

En Kniertje, met doffe stem, zegt het hem berustend na: «Het is de wil van God.»

Het is de wil van God dat de vrouw zowel haar man als haar vier zonen moet verliezen, ondertussen bij Gods gratie de trap boenend bij de man die dit allemaal op zijn geweten heeft. Het is allemaal de wil van God, de kruisiging van zijn enige zoon, het noodlot van Beethovens Florestan, die («Gerecht ist Gottes Wille») in zijn kerker dreigt te creperen, het Wilhelmus («Soo het den wil des Heeren, op die tijt had gheweest…») de Watersnoodramp van 1953 en de overstromingen van 1994, naar dominee beweert de straf voor de «vaderlandse zonden van euthanasie en abortus, van vrije seks en huwelijksontrouw, van zondagsarbeid en materialisme».

De gewoonte zich achter Gods brede rug te verschuilen vindt zijn weerklank in de bevindelijke en minder bevindelijke literatuur.

«Zijn wil is dat ik door het vuur ga naar Zijn hart», zegt Jeanne d’Arc tegen haar rechters. «Want ik ben Zijn kind en jullie zijn het niet waard dat ik hier te midden van jullie leef. Dit is mijn laatste woord aan u.»

«De Heer weet wat goed voor ons is, Johannes», zegt tante Seléna tegen de Kleine Johannes. «De zwaarstbeproefden zijn hem het dierbaarst. Ja, Johannes, altijd dankbaar zijn. Vraag dat dominee maar.»

J.D. van der Waals verloor zijn vrouw. En dichtte:

«O Heer! Laat mij berusten in uw daden.

Mij buigen voor wat gij mij hebt gedaan.

Laat ’k op mijn hoofd den zwaren schuld niet laden.

Dat ik in oproer tegen u zou staan.»

Het meest kras maakt God het in het boek Job, dat de geschiedenis behandelt van een herdersvorst uit het land Uz. Op die man was niets aan te merken. Hij was vroom, oprecht en «wijkende van het kwaad». Het geval-Job kwam ter sprake op een theekransje waar God zijn diabolische tegenvoeter, Satan, te gast had. De heren leek het een goed idee om eens Jobs godsdienstige standvastigheid te beproeven. Dus sloegen zij alles in zijn directe omgeving met de scherpte des zwaards, de knechten en dienstmaagden, de runderen en de kamelen, zijn drie dochters en zijn zeven zonen. Daar zat Job op zijn mesthoop, van voetzolen tot schedel met boze zweren overdekt, zichzelf met een potscherf te krabben. Vloekte hij? Tierde hij? Nee, hij bleef de vroomheid zelf en sprak deemoedig: «De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd.»

Het is prijsschieten voor ons, ongelovigen. Immers, als er één persoon is die het verschil tussen goed en kwaad zou moeten weten, is het wel de man die ons de Tien Geboden heeft geschonken. Met zijn paradijsvloek viel nog wel te leven, maar met Auschwitz heeft hij werkelijk zijn eigen glazen ingegooid. Sedertdien weten wij, gelovigen en ongelovigen, niet wat hem bezielt. Wie is in staat de zin van Auschwitz te verklaren? «Auschwitz is voor degeen die Gods bestaan aanvaardt», zegt J.L. Heldring, «alleen maar te ‹begrijpen› indien hij gelooft in een God die niet te begrijpen, die naar menselijke maatstaven onzinnig, zo niet krankzinnig is.»

Zo sprak ook Karel van het Reve, eveneens een man die van mening was dat de gelovige er verstandiger aan doet zijn hersenen te gebruiken in plaats van zijn handen te vouwen. Wilhelmina, onze toenmalige koningin, reveleert hij, prees God dat hij Bernhard, haar strijdlustige schoonzoon, in leven had gelaten, omdat deze zo zijn best deed de nazi’s op de knieën te dwingen. Van het Reve vond dit een opvatting die de toets der ratio niet kon doorstaan. «Als die God zo tegen de nazi’s was, waarom heeft hij ze dan gezonden? Waarom die hele oorlog niet afgeblazen? Zo schijnt Solzjenitsin het feit dat hij de marxistische holocaust overleefde toe te schrijven aan God, die wilde dat hij, Solzjenitsin, in leven bleef om van die gruwelijkheden te getuigen. Maar als het in leven blijven van Solzjenitsin zijn wil is, dan is het creperen van al die andere miljoenen gevangenen ook zijn wil. Eerlijk is eerlijk.»

Dit blinde godsvertrouwen oogt bespottelijk — en die spot moeten wij onze christelijke broeders en zusters zeker niet besparen. Niettemin is een zekere poging tot inlevingsvermogen geboden, al zal het tot de Jongste Dag moeilijk blijven het onbegrijpelijke te begrijpen. Wat had Kniertje moeten doen, nadat zij op haar oude dag plotseling geheel alleen op de wereld stond? De God afzweren die haar het hele leven had vergezeld? Dat kan men van geen gelovige verwachten, juist in een periode dat hij of zij door de zeven plagen van Egypte wordt bezocht. Dan zet men het verstand op nul en mompelt dat het allemaal de wil van God is. Het is een ongetwijfeld schrale troost, maar toch een soort troost.

Heinrich Heine werd op zijn langjarige sterfbed bezocht door alle kwalen uit de codex medicus. Daarom vond hij op zijn beurt troost in het feit dat hij een abstractum als God bij de hand had, als het hem allemaal wat te veel werd. «Ik ben een beklagenswaardig schepsel», constateerde de schrijver, «dat bovendien niet helemaal gezond en eigenlijk heel erg ziek is. In deze toestand is het voor mij een zegen, dat er iemand in de hemel is die ik, zo vaak ik maar wil, kan lastigvallen met mijn jammerende litanieën, met name na middernacht, als Mathilde zich te ruste heeft begeven, een rust die zij in hoge mate nodig heeft. Godlof, in deze uren ben ik niet alleen, in deze uren kan ik bidden en drenzen zoveel ik maar wil, zonder mij te moeten generen, in deze uren kan ik mijn hele hart uitstorten voor de Allerhoogste en hem datgene toevertrouwen, wat wij mannen zelfs voor onze eigen echtgenote plegen te verzwijgen.»

Wat had de stervende anders moeten doen? Persisteren bij de grauwe, gekookte spinnenwebben van de hegeliaanse dialectiek, zoals Heines revolutionaire, atheïstische vrienden deden?

Want de wetenschap, voor en na Hegel, is nooit een alternatief geweest voor een mens in nood. De wetenschap heeft de penicilline uitgevonden, in een deel van de wereld de honger onder controle gekregen en tussen de bedrijven door de gaskamer en de atoombom ontworpen.

Het is een paradoxale parallel met de activiteiten van Onze Lieve Heer: net als God is de wetenschap verantwoordelijk voor zowel de aardse zegeningen als de aardse ellende. Het blinde geloof in de vooruitgang moet dan ook duchtig worden gerelativeerd. Een onverdachte godloochenaar als Herman Philipse, auteur van een Atheïstisch manifest, constateert spijtig dat er inmiddels een oceaan aan kennis voorhanden is, een oceaan waarin het individu dreigt te verdrinken. «Spreidt men de wetenschappelijke publicaties die in de twintigste eeuw zijn verschenen uit over het aardoppervlak, dan ontstaat een laag papier van twintig centimeter dik.» Daar is tot op heden niemand wijzer van geworden. Dus vlucht de mens de kerk weer in, met de New Age of het Witte Heksendom als eigentijds alternatief. Of men grijpt, zoals sinds kort in Vlaanderen het geval is, bij wijze van moderne poging om met God in gesprek te komen, de ChristoPhone, een telefoonlijn die openstaat voor vragen over zingeving en spiritualiteit.

Bespaar u de moeite hem te bellen. De belangstelling overtreft alle verwachtingen. De lijn is al drie dagen voortdurend in gesprek.

Korte tijd hebben wij in de illusie geleefd dat het geloof niet méér dan een collectieve dwangneurose is geweest, die dankzij verlichting en wetenschap zijn langste tijd heeft gehad. Waarna de wereld zo genadeloos werd gerationaliseerd dat «la revanche de Dieu» niet kon uitblijven, enerzijds in de gestalte van naar spiritualiteit en transcendentie hunkerende individuen, anderzijds in de vorm van een miljoenkoppig leger aan geloofsfanaten, dat van mening is dat het tijd wordt om ons, ongelovigen en half-gelovigen, eens mores te leren en zijn zelfmoordcommando’s tegen het materialistische Westen mobiliseert.

De gevoelssocialist Herman Heijermans, de man die de drogreden zo doeltreffend tegen het kapitalisme in stelling bracht, dacht eigenlijk genuanceerder over de zingeving des levens dan men van de schrijver van zulke geharnaste, antiklerikale toneelstukken zou verwachten. Hij prees in 1924 tegenover een interviewster de kracht van het geloof, «de nooit verbroken band met het eeuwige». Vergelijkbaar met het socialisme. «Wie het ziet zonder grote godsdienst-strekking — buiten alle geestelijke ghettotjes om, natuurlijk — is een dwaas. Het socialisme, losgemaakt van het heelal, wordt een onnozel, aards verschijnsel. En wie het heelal ziet in majesteit… en tegelijkertijd de erbarmelijke mishandeling van de mens op aarde… die kán niet nalaten die mens te willen heffen in contact naar het hoger leven. En, omgekeerd, een hogere macht, een God, die zou toelaten deze mensmishandeling zonder kans op redding… is onaannemelijk, bestaat niet.»

Ook Heijermans besefte dat zijn dagen geteld waren. Het zal, op hoop van zegen, zijn opvattingen over kerk en clerus enigszins hebben genuanceerd.

Londen, Cottesloe Theater. Enigszins giechelend om de vertoonde, folkloristische reli-show gaat het publiek de pauze in. Wij drinken bier en eten een sandwich. In Heijermans’ Op hoop van zegen at men ijzerkoekjes en pitmoppen, overspoeld met een glaasje roosjes-zonder-doornen, een glaasje volmaakte liefde of een glaasje juffertje-in-het-groen. Inderdaad, in sommige opzichten is het toneelstuk wat verouderd. De Nederlanders in de zaal wachten belangstellend op Kniertjes grote monoloog, benieuwd als zij zijn naar de wijze waarop de beroemde slotclaus zal zijn vertaald. «Wel», verzucht Kniertje, «dat is mijn verhaal. Het is het verhaal van elke zeemansvrouw — it’s a high price to pay for fish, that’s for sure.»

Dan bereikt ons het bericht dat de Op Hoop van Zegen met haar hele bemanning ten onder is gegaan. De zeemansvrouwen bestormen het kantoor van de corrupte reder en heffen hun Griekse klaagzangen aan. En daar komt Kniertje aangesloft, vertwijfeld en gebroken. «I’m so sorry. It is God’s will», zegt de reder, die ongetwijfeld geen kerkdienst pleegt over te slaan. Het toneelstuk openbaart zich voor ons in zijn volle kracht, het drama is nog even effectief als bij de première, honderd jaar geleden, en als eindelijk het doek valt, baadt de hele zaal in tranen.