Het is een schande te leven

De Hongaarse journalist en schrijver Sándor Márai trok zich tijdens de Tweede Wereldoorlog terug uit het openbare leven. Hij kon het fascisme van zijn landgenoten niet meer aanzien en emigreerde naar zijn dagboeken.
Sándor Márai
Tagebücher 1 en 2
Piper, 910 blz., € 96,-

Het mooie van schrijvers is dat geruime tijd na hun dood een wederopstanding mogelijk is. De Hongaarse journalist en schrijver Sándor Márai werd geboren in 1900, toen in Wenen nog een keizer zetelde die ook koning van Hongarije was. Hij stierf begin 1989 eenzaam in Amerika; in San Diego maakte hij een einde aan zijn leven.
Maar nog geen tien jaar later beleefde de schrijver een spectaculaire wedergeboorte. Zijn roman Gloed, geschreven in 1942 in Boedapest, verscheen in 1998 in het Duits en werd een bestseller. Vervolgens werden ook andere boeken van Márai opnieuw uitgegeven. Nederlandse vertalingen verschenen bij uitgeverij Wereldbibliotheek.
Márai, diep geworteld in de Europese, burgerlijke cultuur, was een ijverige dagboekschrijver. Hij begon ermee eind 1942 en ging door tot aan zijn dood. In 2000 verschenen in Duitsland al delen uit dit dagboek, maar nu is de Duitse uitgeverij Piper begonnen met de uitgave van de volledige dagboeken. De eerste twee delen (1943/1944 en 1945) werden onlangs gepubliceerd, en wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van Hongarije en in het bijzonder in het leven, de gedachten en de politieke ontwikkeling van deze schrijver van Europees formaat moet deze dagboeken beslist lezen. Ze getuigen van een dramatische tijd en zijn bovendien goed geschreven.
De dagboeken zijn complex. De catastrofale gebeurtenissen worden slechts beknopt weergegeven en data ontbreken, maar er is een notenapparaat. Daarnaast is er de complexe persoonlijkheid van Márai zelf. Zijn gevoelens en gedachten lijken soms erg met elkaar in strijd. Toch ontstaat een goed beeld van deze man die in de jaren dertig in Hongarije behoorde tot de meest bekende en invloedrijke auteurs. Hij leefde in Boedapest als een welgestelde, burgerlijke intellectueel. Aan dat leven kwam op 19 maart 1944, toen Duitse troepen Hongarije bezetten, een einde. ‘Die dag is er iets in me gebroken’, noteerde hij. ‘En alles wat toen schijnbaar het kader van mijn leven was of zijn inhoud, zijn taak, alles viel in scherven.’
Een man komt tot inkeer, zo zou de titel van deze dagboeken kunnen luiden. Márai leefde na 1928 (voordien had hij bijna tien jaar in Duitsland en Frankrijk gewoond) in een Hongarije dat de Eerste Wereldoorlog had verloren en als gevolg daarvan twee derde van zijn grondgebied was kwijtgeraakt. Na 1920 kwam de macht in Hongarije voornamelijk in handen van adellijke grootgrondbezitters en kreeg het land een rechtse, autoritaire regering onder leiding van Miklós Horthy. Zijn politiek was gericht op het herstel van het grote Hongarije van voor 1918. Het land, dat in de jaren dertig steeds verder afgleed richting fascisme en anti-joodse wetten uitvaardigde, werd een bondgenoot van nazi-Duitsland en kreeg zo delen van Slowakije en Transsylvanië terug. In 1941 verklaarde het aan de zijde van Duitsland de oorlog aan de Sovjet-Unie.
Het Hongaarse leger leed gevoelige verliezen, wat Horthy ertoe bewoog contact te zoeken met de geallieerden. Toen Hitler dat vernam, werd Hongarije in maart 1944 door Duitse troepen bezet. Met deze troepen arriveerde ook Eichmann en begon de vervolging en deportatie van de Hongaarse joden naar Auschwitz.
In 1943 ging Márai zich steeds duidelijker en radicaler tegen dat fascistische Hongarije keren. De gevierde schrijver werd in 1942 nog opgenomen in de Hongaarse Academie der Wetenschappen en was de best betaalde medewerker van de grote, invloedrijke krant Pesti Hírlap. Maar in 1943 begon hij zich terug te trekken uit het openbare leven. ‘Ik heb besloten met de journalistiek te breken. Dit niveauloze, stotterende commentariëren van feiten en gebeurtenissen, waartoe de openbare mening thans is veroordeeld, omdat we geen vrije pers meer hebben, is voor elke schrijver buitengewoon vernederend en corrumperend.’ En dus, zo vervolgde hij, ‘moet ik verstommen, me in dit dagboek, in mijn roman, in het schrijven terugtrekken’. Eind 1943 werd deze terugtocht voltooid; geen openbare optredens meer, geen enkele publicatie. ‘Men kan in Hongarije alleen nog maar in de innerlijke emigratie leven.’ Zijn politieke gedachten vertrouwde hij voorlopig alleen toe aan zijn dagboek.
In het voorjaar van 1944 zag Márai, getrouwd met een joodse vrouw, hoe buiten Boedapest de deportatie van de joden begon. ‘In elke Hongaarse stad met meer dan tienduizend zielen worden verplicht getto’s ingericht en de joden uit de omliggende dorpen worden daarin samengedreven. Nog terwijl ik dit schrijf, ratelen voor mijn venster de karren, waarop deze armen hun schamele, versleten zaken voor zich uit duwen.’ En een bladzijde verder: ‘Het is een schande te leven. Het is een schande onder de zon te zijn. Het is een schande te leven.’
In het najaar van 1944 werd de situatie nog veel erger. Op 15 oktober verkondigde Horthy dat Hongarije de wapens neerlegde, maar een dag later moest hij onder druk van de Duitsers en de Hongaarse legerleiding deze verklaring intrekken. Horthy werd gearresteerd en de macht kwam in handen van Ferenc Szálasi, de leider van de Pijlkruisers, zoals de Hongaarse fascisten zich noemden. Deze meedogenloze Pijlkruisers voerden in de laatste maanden van de oorlog een waar schrikbewind. De deportatie van de joden, door Horthy in juli 1944 stopgezet, werd hervat. Tienduizenden joden uit Boedapest werden in november 1944 gedwongen naar Duitsland te lopen om daar in de wapenindustrie te gaan werken. Velen overleefden deze dodenmars niet.
Márai zag deze joden en schreef: ‘Noordenwind, ijzige novemberregen. Tienduizenden joden uit Boedapest worden samengedreven op verzamelplaatsen. Vrouwen, kinderen, grijsaards slepen zich voort door de stromende regen.’
Deze misdaden werden gepleegd met behulp van Hongaarse fascisten, collaborateurs en opportunisten. ‘De meerderheid in dit land is werkelijk reactionair en Duitsgezind.’ Márai’s woede en afkeer concentreerden zich dan ook op de Hongaren. Zo noteerde hij begin 1945, toen het Rode Leger oprukte en er heftig om Boedapest werd gevochten: ‘We verdienen alles en elke boete is armzalig in het licht van de misdaden die deze samenleving de laatste 25 jaar heeft begaan. We hebben de ondergang aangespoord, in ons huis gehaald. Wat het Horthy-regime te verantwoorden heeft, is zonder voorbeeld in de Hongaarse geschiedenis.’ En korte tijd later, na eerste onaangename ervaringen met Russische soldaten: ‘Toch mag men, wat er ook nog allemaal gaat gebeuren, niet kwaad zijn op de Russen. Maar ik voel dat mijn ziel zich langzaam vult met een onuitwisbare haat tegen elke Hongaar die uit hebzucht, zedenloosheid, domheid en liederlijkheid de natie en de mensen zo ver heeft gebracht. Ik heb alleen met de Hongaren af te rekenen. En deze afrekening zal komen.’
Die haat betrof vooral de burgerij, de klasse waartoe hij zelf behoorde. ‘Ik ben burger, deel het lot van de Hongaarse burgerij, geloof echter niet aan haar toekomst, haar moraal (…) Ik veracht de burgerij, omdat ik die in haar naakte werkelijkheid heb beleefd, ik zag hoe verfoeilijk ze was, toen ze samenzwoer met zigeunerachtige beulen, hoe ze alles verloochende wat waarde heeft om, zich beroepend op zijn burgerlijkheid, vrij te mogen roven en onmenselijk te zijn.’
In de dagboeken wordt men getuige van Márai’s worsteling met zijn schrijverschap. Hij wil zwijgen, maar ook schrijven, werkt aan verschillende romans. Tegelijkertijd is hij ontevreden over wat hij in het verleden heeft geproduceerd. ‘Ik werk, maar iets is er niet in orde, met mij, met mijn werk, tussen ons, tussen mijn werk en mij. Ik heb het geloof in mijn werk verloren.’ En later (zijn woning in Boedapest ligt in puin en daarmee zijn burgerlijke bestaan): ‘En hoeveel overbodigs heb ik geschreven, toen ik nog een typemachine had. En dat louter en alleen om me de woning en levensstijl te kunnen veroorloven die bij twee dienstmeisjes pasten.’
Daarachter stak schuldgevoel. ‘De eigentijdse literatuur kan zijn handen niet in onschuld wassen. Wij hebben uit hebzucht, ijdelheid en verkeerde ambitie juist datgene verzuimd wat onze voornaamste plicht was: de opvoeding van de maatschappij. Deze zedenloze samenleving kan er zich met recht op beroepen, dat hun hoogste leidsmannen ze niet hebben opgevoed, maar slechts geamuseerd.’
Marai was zich er al spoedig van bewust dat zijn dagboeken gepubliceerd zouden worden. Al enkele maanden na de bevrijding van Hongarije door het Rode Leger verschenen er stukken uit het dagboek in de krant Magyar Nemzet en eind 1945 verscheen een selectie uit het eerste dagboek in boekvorm.
Hij heeft zelf antwoord gegeven op de vraag welke zin het dagboek van een schrijver heeft. Het gaat erom ‘onszelf beter te leren kennen’. En dit geldt eveneens als ‘we weten dat ook anderen deze regels lezen’.
Uit het dagboek blijkt onder meer hoezeer Márai thuis was in de Europese en vooral Hongaarse literatuur. Boeken zijn voor hem een bron van kracht en troost. Voortdurend grijpt hij naar de grote klassieke auteurs, leest en schrijft op wat hem opvalt.
Hongarije verlaten, na de oorlog emigreren; het is een thema dat steeds terugkeert. In 1948, toen de communisten aan de macht kwamen, heeft Márai het land verlaten en is nooit teruggekeerd. Een man die geloofde in rechtvaardigheid en waarheid en die zich in zijn dagboek uitsprak voor een democratisch socialisme, kon niet onder het stalinisme leven.
Hij stierf eenzaam, net als de dode over wie hij op de eerste bladzijde van zijn dagboek schreef: ‘Hij stierf, werd in een doodskist gelegd, en midden in de kerk gezet. De koster zou hem de volgende ochtend wel vinden.’