Openingstentoonstelling Found Footage

Het is geweest

In Found Footage in het nieuwe EYE krijgen beelden van oude filmers een nieuw aura. En buiten zien we wat die oude filmers ook al zagen.

Vrouwen – en een paar mannen – kijken in de spiegel, draaien zich om, kijken nog eens, schikken een ketting, hun haar, draaien weer om. Tientallen filmsterren, vooral uit de jaren vijftig en zestig, laten zich zo bekijken, terwijl ze hun spiegelbeeld monsteren. Door de snelle montage van hun bewegingen tollen ze rond tot het duizelt, als in een eindeloze pirouette. Kristall van Christoph Girardet/Matthias Müller (2006) is een van de belangrijkste werken op de openingsexpositie Found Footage in het nieuwe EYE. Het laat zien dat het EYE ernst is om het grensgebied tussen film en beeldende kunst een prominente plaats te bieden in de nieuwe behuizing. Het is een van de speerpunten van het beleid voor de komende jaren. De grote expositie, met werk van Aernout Mik, Craig Baldwin, David Claerbout, Bruce Conner, Douglas Gordon en Joachim Koester, geeft een indruk van de vele mogelijkheden van het gevonden beeld.

Found Footage is de filmische variant op het ‘objet trouvé’, of de ‘readymade’, zoals de dadaïst Marcel Duchamp ze ooit maakte. Hij verhief een pisbak of een fietswiel tot beeldhouwwerk. De keuze van de kunstenaar vond hij belangrijker dan de productie van het object zelf. Het markeerde het begin van de conceptuele kunst. Wie in dat voetspoor met film werkt, maakt van gevonden beelden een nieuw geheel, zoals Girardet/Müller doen met Hollywood-films.

Het grote verschil met de objets trouvés uit het begin van de vorige eeuw is dat de meeste beelden in Found Footage al eens eerder zijn gebruikt om te informeren, te amuseren, te verbazen of te overdonderen. In het nieuwe gebruik verschuift hun functie alleen. Wat ooit eenvoudige informatie of simpel amusement was, wordt verbijzonderd door de nieuwe presentatie: uitgesneden, op groot formaat, langzaam geprojecteerd, ingekleurd soms, en vaak herhaald. Er is veel minder sprake van een paradigmatische verandering, zoals bij Duchamp, waar gebruiksvoorwerpen beeldende kunst werden. Wat vooral gebeurt is dat ‘gewone’ beelden door het nieuwe gebruik een extra betekenis krijgen, een aura dat ze eerder niet hadden, waardoor het publiek wordt aangespoord beter te kijken en zich te verbazen over het mysterie van de film. Waar de film en de fotografie ooit om geroemd werden (door de filosoof Walter Benjamin bijvoorbeeld), namelijk de vernietiging van dat aan religie verwante aura, wordt hier opzettelijk, zichtbaar, opzichtig bijna, teruggebracht.

Alle beelden die in Found Footage te zien zijn, waren er al. Ze zijn afkomstig van speelfilms, werden opgediept uit een archief, of gevonden in een prullenbak. De resultaten van deze zoektochten zijn even gevarieerd als de vindplaatsen. Dat maakt een vergelijking ook niet eenvoudig. Er is hoogstens op theoretisch niveau verwantschap, door de discussies die ze oproepen over het begrip auteur, de vorm van een kunstwerk en het element tijd. Wat ze in ieder geval gemeen hebben is dat alle beelden al eens in een andere context zijn getoond. Het is een vorm van recycling die past bij een wereld die verdrinkt in de beelden. Alleen al op YouTube wordt per minuut zestig uur aan filmmateriaal ge-upload. In die overdaad zou je ook moedeloos kunnen worden bij het idee daar iets aan toe te moeten voegen. Er is iets voor te zeggen om nog eens goed te kijken naar wat er al is, en daar een nieuw perspectief aan te geven. Dat kan met een schijnbaar eenvoudige ingreep gebeuren, zoals bij de zwart-witfoto die David Claerbout vond van een kindertehuis. Wit geklede kinderen zijn in roerloos zonlicht gevangen. Alles is stil. Totdat opvalt dat de bladeren van de bomen licht bewegen, alsof een zachte lentewind is opgestoken. In een ander werk, dat van Aernout Mik, White Suits & Black Hats, zien we in het archief van EYE gevonden fragmenten uit een documentaire die is gemaakt in Indonesië in de jaren dertig. Op een ervan zien we een arts in een verpleeghuis voor (demente?) bejaarden die een bewoonster uitdaagt zijn bewegingen na te doen. Het is een merkwaardig dansje dat we daarna te zien krijgen, dat bovendien steeds weer wordt herhaald. Ook dit is een werk dat speciaal voor de opening van EYE is gemaakt.

In eerder werk (Raw Footage, 2006) gebruikte Mik al eens overgebleven en afgekeurde televisiebeelden van televisiecrews die de Joegoslavische oorlogen versloegen. Hij liet de shots zo lang mogelijk ‘staan’, om het verschil te benadrukken tussen snel gemonteerd televisienieuws en zijn oorlogsimpressie. Daarin wilde hij het banale, zoals wachten, verbinden met het extreme, zoals oorlogsmisdaden, die naast elkaar plaatsvinden. Wat hij zo overbrengt is een indruk van de absurditeit van oorlogvoering. Wie dader is, en wie slachtoffer, blijft bovendien opzettelijk vaag. In White Suits & Black Hats (2012) laat hij beelden zien van het eigen Nederlandse koloniale verleden. Het geïnformeerde publiek weet dat de Indonesische bevolking zich moest aanpassen aan de Nederlandse cultuur, terwijl de Nederlanders nauwelijks belangstelling hadden voor de eigen cultuur van dit grootste islamitische land ter wereld. De Indonesiërs werden hartelijk uitgenodigd om onze bewegingen na te doen, zoals uit dit hilarische dansje blijkt. Miks installatie is een van de weinige werken in Found Footage met zo’n actuele politieke boodschap. De meeste richten zich op de magie van het bewegende beeld in al zijn facetten.

In Confessions of a Justified Sinner van Douglas Gordon zien we bijvoorbeeld het moment waarop Jekyll in Hyde verandert in negatief en positief – met de suggestie dat het beeld afkomstig is uit de gelijknamige film uit 1931 met Fredric March. In een volgend werk, Outerborough van Bill Morrison, ligt de nadruk op het magische karakter van oud filmmateriaal dat aan het vergaan is. Het wordt dan ook geprojecteerd met een klassieke 16mm-projector. We zien het beeld van een stad rond 1905, zoals er in die tijd zoveel werden gemaakt, met veel druk verkeer, treinen en trams, waarmee het nieuwe van film, namelijk de mogelijkheid tot bewegen, zo duidelijk werd gedemonstreerd.

Alle voor deze tentoonstelling geselecteerde werken hebben gemeen dat het gebruikte filmmateriaal ook zélf oud is. Er zijn geen YouTubes gerecycled, een vorm van found footage waar in Nederland Erik Kessels bijzondere resultaten mee boekt. Het is passend voor de opening van een filmmuseum dat die oude beelden centraal staan. Maar dat benadrukt wel een aspect van found footage dat op z’n minst problematisch is: het weerspiegelt een nostalgisch verlangen naar een verloren tijd. Het is geweest. Het komt nooit meer terug. De mensen die te zien zijn, zijn dood; de mensen die de beelden maakten vaak ook. We maken nu en hier gebruik van de mogelijkheid van de film om hen weer tot leven te wekken. Maar het materiaal is kwetsbaar geworden, het is vaak tegen hoge kosten geconserveerd en bewaard. Liefdevol is elk beeld bekeken en goedgekeurd, om ‘voor eeuwig’ te worden opgeslagen voor latere generaties.

Die houding ten opzichte van erfgoed, want dat is het, doet ergens aan denken. Wie nu oude fabriekshallen uit de vorige eeuw bekijkt, ziet die ook vaak met nieuwe ogen. De ontdekking van talloze ‘originele details’ in metselwerk, dak- en draagconstructies leidt vaak tot zorgvuldige restauraties. Vele negentiende-eeuwse fabriekshallen, stations of energiecentrales kregen zo een tweede leven als tentoonstellingsruimte of theaterzaal. Alsof het patina van het verleden zo’n gebouw een meerwaarde geeft.

In Found Footage zie je eenzelfde fascinatie voor het vakmanschap van het verleden terug, voor de fysieke kwaliteit van de beelden die op een wonderbaarlijke manier iets terug kunnen geven wat verloren leek. Die hang naar het verleden die door de beelden in Found Footage wordt gecelebreerd is des te merkwaardiger als de aanleiding voor deze tentoonstelling erbij betrokken wordt. Hier wordt een nieuw gebouw geopend, EYE, waarmee een nieuwe fase voor het voormalige Filmmuseum wordt ingeluid. Het nieuwe gebouw is niet zomaar een zwarte doos, wat ook had gekund, want films bekijk je in het donker, maar het is een kunstwerk op zich geworden. Delugan Meissl heeft een meesterwerk gemaakt dat volop mogelijkheden biedt om Amsterdam van een afstand te bekijken, vanuit talloze perspectieven. Wat ooit begon als een undergroundachtige activiteit van een paar filmliefhebbers in een zaaltje van het Stedelijk Museum, heeft na ruim een halve eeuw de allure gekregen die tot nu toe alleen gereserveerd was voor de opera.

De filmische ervaring, die nu al ruim een eeuw bestaat, heeft diep ingegrepen in de manier waarop mensen zichzelf aan de buitenwereld presenteren en in de manier waarop steden ervaren en gebouwd worden. Elke gebeurtenis, in het persoonlijk leven of op wereldschaal, wordt tegenwoordig onmiddellijk vastgelegd, vermenigvuldigd, ontelbare malen gespiegeld. Aan die dominantie van het filmische beeld in de hedendaagse cultuur is met dit EYE nu een waardige plaats gegeven. Het gebouw heeft de omvang en de ruimtes die nodig zijn om stil te staan bij wat er nu eigenlijk met het bewegende beeld is gebeurd de afgelopen eeuw.

De architectuur van EYE doet zelfs nog meer. In één vloeiende camerabeweging glijdt het oog van de beelden van Gerardet/Müller en de spiegelingen in Kristall naar de ramen ernaast, waar het IJ te zien is, de reflectie van de zon op het water, de boten die voorbij varen, het station aan de overkant, de treinen die langsrijden: kortom al die beelden waar de eerste filmers al meteen zo door gefascineerd raakten. Veel van hun kostbare filmmateriaal is gebruikt om dat vast te leggen. Door de activiteiten van EYE is dat nu opnieuw te zien. Het is een nieuw gebouw dat die mogelijkheid biedt, met nieuwe te bewaren ‘originele details’, zoals het lichtkunstwerk van Olafur Eliasson in de grote hal. Maar het zijn de oude, opnieuw tot leven gewekte beelden die de actualiteit ervan onthullen.


De tentoonstelling Found Footage: Cinema Exposed: vanaf de opening van EYE op 5 april