Rüdiger Safranski over Duitsland, Europa en het eigen ik

‘Het is goed om in twee werelden te leven’

Rüdiger Safranski’s jongste boek gaat over schrijvers die de moed hadden om zich aan groepsdenken te onttrekken. Zelf nam hij afstand van de jaren-zestigdogma’s en werd conservatief. Hij hoopt dat de Duitse verkiezingen eind september leiden tot een coalitie van het midden, ‘zonder de Groenen dus’.

Rüdiger Safranski thuis in Badenweiler, Baden-Württemberg. December 2019 © Patrick Seeger / dpa Photo via Newscom / ANP

Rüdiger Safranski is biograaf. Niet alleen van mensen (Schiller, Goethe, Schopenhauer, Nietzsche, Heidegger) maar ook van ideeën: de Romantiek, het kwaad, de waarheid, globalisering. Van hun geboorte, hun invloed, hun bloei en hun verval – alleen in zijn boek over de tijd benadert hij zijn onderwerp, om voor de hand liggende redenen, niet chronologisch. Het is alles bij elkaar een imposant en veel geprezen oeuvre, maar omdat hij zelf ook aan verandering onderhevig is, hij is inmiddels 77, neemt hij van tijd tot tijd een figuur of een onderwerp opnieuw onder de loep. Ooit was hij maoïst, tegenwoordig wordt hij, ook door zichzelf, als conservatief beschouwd.

Zijn jongste boek, dat vorige maand in Duitsland is verschenen, gaat over schrijvers die de moed hadden om zichzelf te zijn en zich aan groepsdenken te onttrekken. ‘Ieder mens is een eenling, maar niet iedereen is het daarmee eens en is bereid daar ook iets van te maken’, luidt de eerste zin. De reeks van zeventien fraaie en vaak ook vermakelijke portretten begint in de Renaissance met Pico della Mirandola en Michel de Montaigne en eindigt bij de staalharde krijger Ernst Jünger. Daar tussenin komen onder anderen Luther, Rousseau, Stendhal, Kierkegaard, Sartre en natuurlijk Goethe en Heidegger aan de orde. Wat brengt iemand ertoe om zichzelf buiten de mainstream te plaatsen en wat levert de zoektocht naar het eigen ik uiteindelijk op? Intellectuele nieuwsgierigheid, zelfoverschatting, genie, ijdelheid, rancune, allerlei motieven komen voorbij. Er is niet slechts één overkoepelende conclusie, het is, zegt de schrijver zelf, ‘een revue’.

Een rustige straat in het westen van Berlijn. Safranski staat spiedend op het balkon van zijn appartement, zijn naam prijkt niet naast de voordeurbel. Een trappenhuis dat betere tijden heeft gekend, een sober en tijdloos gemeubileerde salon, hoge plafonds, bedaagd parket. Het is zijn pied-à-terre in de hoofdstad, waarheen hij af en toe terugkeert wanneer hem ‘het heimwee naar stadse neurotici bekruipt’ en hij ‘bereid is de slechtst geregeerde stad van Duitsland weer een tijdje te verdragen’.

Ook neemt hij er van tijd tot tijd deel aan de bijeenkomsten van een groep conservatieve intellectuelen die zichzelf ‘de heldere koppen’ noemt, en waarvan het bestaan als gold het een geheim genootschap door het weekblad Die Zeit werd onthuld. ‘Het is besloten, en inspirerend, maar er is niets geheims aan’, zegt Safranski. Zijn hoofdverblijf is al ruim vijftien jaar Badenweiler, een klein kuuroord in het Zwarte Woud; Tsjechov is er gestorven, zo heel veel meer van groot belang is er sindsdien niet meer gebeurd.

Op tafel staan een kan met water en twee glazen, ernaast liggen folders van een literair festival dat hij samen met zijn vrouw organiseert. Het thema is dit jaar de herwaardering van het dorp, van het landelijke leven, onder anderen Geert Mak is te gast. Safranski luistert aandachtig, reageert snel. Docerend.

Zijn nieuwe boek lijkt wonderwel aan te sluiten bij een periode waarin het maatschappelijk verkeer op een laag pitje stond en veel mensen op zichzelf waren teruggeworpen. Maar het komt voort uit een groot essay dat al in 2003 verscheen onder de titel Hoeveel globalisering verdraagt de mens. Daarin werd de paradox van de eenzame mens achter zijn computer die tegelijk deel uitmaakt van wereldwijde digitale bewegingen al aan de orde gesteld. Het bevatte een pleidooi voor het kappen van een open plek in het overvolle woud van informatie, een Lichtung, waarin ruimte is om ongestoord, zelfstandig na te denken (en eventueel ook verticaal, met de goden, te communiceren). Mensen hebben hun plaats in de wereldgeschiedenis, maar niet de hele wereldgeschiedenis past in één mens. Als de balans tussen wat je binnenlaat en wat je kunt verwerken verstoord raakt, ben je slachtoffer van het web.

‘Ik maak overigens volop gebruik van alle digitale verworvenheden’, zegt Safranski. ‘En niet alleen omdat het wetenschappelijk onderzoek zoveel makkelijker maakt. Ik e-mail iedere dag, ik bestel boeken, ik geniet van Netflix. Ik ben niet wereldvreemd, ik preek geen abstracte norm. Alleen van de sociale media houd ik me verre, dat zou me te veel tijd kosten. Met zoveel Vernetzung is persoonlijke autonomie belangrijker dan ooit. Je moet zorgen voor je eigen, geestelijke immuniteit. Mijn bedoeling met het boek was te onderzoeken hoe je het klaarspeelt met alles wat van buiten op je af komt en met de demonen in je eigen hoofd toch het eigene, wat dat ook moge zijn, niet verloren te laten gaan.’

Heeft de informatietechnologie uw blik veranderd op de historische figuren over wie u al decennia schrijft? Wat als Diderot bij het organiseren van zijn Encyclopedie de beschikking over een zoekmachine had gehad…

‘Diderot zou geen enkel probleem hebben gehad met onze tijd. Hij was sowieso een echte netwerker. Mijn sympathie ligt ook eerder bij hem dan bij Rousseau, dat was iemand van vijandschappen, iemand die vrijheid voor zichzelf opeiste maar met de vrijheid en de opvattingen van andersdenkenden een groot probleem had. Diderot zwom daar juist in, moeiteloos. Door me opnieuw met die twee bezig te houden werd me eens te meer duidelijk dat het geen zin heeft de digitale netwerkcultuur de oorlog te verklaren maar dat je er op z’n Diderots intelligent gebruik van moet maken, zoals hij in zijn tijd gebruik maakte van de bibliotheken en de salons.

Eenling zijn vat ik niet op als kluizenaarschap, als volledig isolement. Je terugtrekken krijgt betekenis in de verhouding tot de rest van de maatschappij. Het is goed om in twee werelden te leven. Ook wanneer je de stilte opzoekt van de achterkamer, zoals Montaigne het noemt, hij met zijn toren vol boeken, voer je nog een gesprek. De voorkamer is de samenleving, daar wordt strijd geleverd. In de achterkamer wordt nagedacht. Maar Hannah Arendt stelt dat je in dat denken alleen verder komt als je in staat bent om een dialoog met jezelf te voeren alsof je twee stemmen hebt, zwei in eins. Ik heb dat gesprek de afgelopen tijd met mezelf én al die verschillende denkers mogen voeren en de coronamaatregelen hielpen daar wel bij. In de rust van de lockdowns heb ik heel plezierig gewerkt.’

U noemt zichzelf nog steeds een ’68’er, een kind van het oproer, de studentenrevolte.

‘Dat zal ik ook blijven. Ik ging in 1965 naar Berlijn, want daar gebeurde het. Mijn eerste sit-in was een protest tegen het ontslag van een student-assistent omdat de jongen een kritische recensie over het werk van een hoogleraar had geschreven. Binnen de kortste keren zaten er vijfhonderd mensen voor de deur van de faculteit en werd het besluit teruggedraaid. Dat smaakte naar meer. De sfeer was vrolijk, anarchistisch, libertair, er waren feesten, er was geweldige muziek. Maar zo rond 1970 is er een cesuur. Na die creatieve eerste fase zijn we onszelf gaan knevelen.’ >

Uit angst voor de vrijheid?

‘Ja. En als reactie op de dromerige eerste fase: we vonden dat we realistisch moesten worden, ons met de echte wereld gaan bezighouden, met die van de arbeiders – al hadden die daar helaas helemaal geen behoefte aan. Sommigen van ons kozen voor de gewapende strijd, anderen verdiepten zich in politieke theorie en ideologie. En zo kwam het dat ik mede-oprichter werd van een maoïstische partij en redacteur van het intellectuele huisorgaan, Dem Volke Dienen (“dienstbaar zijn aan het volk”), terwijl ik begon aan mijn proefschrift over arbeidersliteratuur na 1945.

Maar ons maoïsme was een karikatuur. We dachten dat Mao met zijn culturele revolutie een tegenwicht tegen het stalinisme vormde, dat hij het volk mobiliseerde om het bureaucratische partij-apparaat met zijn strenge regels kapot te maken. De boodschap luidde: hij is een opper-anarch. Die ook nog eens gedichten schreef, dat was helemaal geweldig. De burgerlijke linkse pers bewonderde Mao al evenzeer. André Malraux, de Franse minister van Cultuur, ging naar Beijing en voerde een gewichtig gesprek met hem, ons weekblad Die Zeit drukte het over twee, drie pagina’s af.

Die hele toestand herhaalde zich later nog eens met Fidel Castro en Che Guevara. De romantische energie neemt op zo’n moment alles over. Vergeet niet: wij dachten in die tijd nog in drie werelden; de Derde Wereld zou zich emanciperen en de geïndustrialiseerde, westerse, onder druk gaan zetten. Daar zat wel iets in. Zo is het altijd met romantische bewegingen: fantasie, dromerigheid, enthousiasme… maar ook een reële kern.’

Intussen gaf u wel mee leiding aan een zeer dogmatische groepering.

‘Ik weet dus hoe dat er van binnen uitziet. Daar hoeft niemand me meer iets over te vertellen. Wij vonden dat alles, ook de kunst, in dienst moest staan van onze idealen, van dat wat het beste is voor de samenleving. Maar in het geheim las ik Schopenhauer en Proust. Ook destijds had ik al het gevoel dat ik mezelf beperkte, gevangen zette. Dat klinkt dramatischer dan het was. Niemand had me gedwongen, ik had er zelf voor gekozen, de beweging zelf mee opgericht. Maar ik moest mezelf bevrijden. Ik nam op zeker moment een of ander vreemd, onbelangrijk standpunt in en werd uit de partij gezet, zodat ik het zelf niet hoefde te doen, heel bevredigend was dat.’

Rüdiger Safranski – ‘Moralisme is een vorm van narcistische zelfbevrediging’ © Patrick Seeger / dpa Photo via Newscom / ANP

Sindsdien bepleit Safranski niet alleen voor zichzelf maar voor de hele samenleving een leven in twee werelden, met een strikte scheiding tussen beide. ‘De politiek is er om de vrede te bewaren, regels te handhaven, niet om ons leven zin te geven’, zegt hij. ‘Ze dient een bescheiden rol in ons leven te spelen. In het domein van de cultuur moet juist alles mogelijk zijn, daar hoort totale vrijheid te heersen. Wanneer de kunst, de literatuur, de filosofie spannend wil zijn, dan moet ze veel opstandiger, radicaler, brutaler en surrealistischer zijn dan politiek wenselijk is. Dan is er bijvoorbeeld ook plek voor de perverse, gewelddadige fantasieën van De Sade. Er is natuurlijk een dialectiek, een wisselwerking tussen de sferen, maar er hoort een filter tussen. Denkbeelden uit de kunsten horen het moeilijk te hebben om tot de politiek door te dringen, de toegang zou zo nauw moeten zijn als het oog van een naald. De fantasie aan de macht? Dat is een heel slecht idee, daar komen ongelukken van.

Helaas vrees ik dat we wat dit betreft weer dezelfde fouten aan het maken zijn als vijftig jaar geleden: de kunst loopt braaf aan een leiband van correctheid, de politiek wordt extremer. Ik heb een boek over Heidegger gepubliceerd. Hij was een echte nazi, daar is geen twijfel over mogelijk. Tegelijk heeft hij al in de jaren twintig filosofische mijlpalen geslagen waar je alleen maar respect voor kunt hebben. Toen mijn boek verscheen kon ik dat nog schrijven. Maar onder jongere filosofen zijn er tegenwoordig nogal wat officieren van justitie, die zijn werk alleen maar onderzoeken op plaatsen waaruit blijkt dat hij altijd al een misdadiger was, alsof hij zelf dienst heeft gedaan in Auschwitz.

‘De politiek is er om de vrede te bewaren, regels te handhaven, niet om ons leven zin te geven. In het domein van de cultuur moet juist alles mogelijk zijn’

In de jaren zeventig sorteerden we het erfgoed volgens een rode lijn en een zwarte lijn: voorlopers van het socialisme versus de reactionairen, in twee categorieën dus, goed en slecht. Ook de manier waarop er nu actie wordt gevoerd herken ik. Het weren van bepaalde sprekers, het verstoren van bijeenkomsten, het boycotten van zogenaamd burgerlijke professoren. Ik heb aan al die dingen meegedaan.’

U vindt dat politici geen grootse vergezichten moeten schetsen. Belichaamt Angela Merkel uw ideaal?

‘Ik ben ambivalent over haar. Ze heeft fouten gemaakt. Daar reken ik de plotselinge Energiewende toe en ook het toelaten van een miljoen vluchtelingen in 2015. De brute zakelijkheid van Helmut Schmidt beviel me destijds beter. Maar een zekere visieloosheid kenmerkt Merkel ook. En het ontbreekt haar volkomen aan pathos. Ze heeft geen enkel retorisch talent. Wanneer ze naast mannelijke leiders als Macron en uiteraard Trump staat zie je pas goed hoe opgeblazen die zijn, hun ijdele pauwenpose zakt in de nabijheid van Merkel als een lekke soufflé in elkaar. Zelfs bij Poetin gebeurt het, daarom haalt die dan zijn hond erbij.

Zeker in het licht van de Duitse geschiedenis is het heel goed dat we nu zulke nuchtere politici hebben. Daarom viel me haar gedrag in 2015 zo tegen. Dat was on-merkelig, toen sprak ze ineens als een protestantse dominee die de rest van Europa de les wilde lezen. Olaf Scholz, de spd-politicus die nu op winst staat in de peilingen, is een voortzetting van Merkel met mannelijke middelen – en wordt om dezelfde redenen gewaardeerd. Hij is zakelijk en een beetje saai. Die waardering voor hem als persoon is volledig losgekoppeld van waar zijn partij voor staat.’

Politiek kan toch niet zonder idealen? U omschrijft het neoliberalisme ergens als ‘de wederopstanding van het marxisme als management-ideologie’ en wijst erop dat Adam Smith al wist dat de economie een moraal nodig heeft.

‘Er staan grote problemen op de agenda, zoals de klimaatverandering. Van de urgentie is nu iedereen wel doordrongen. Daar hoort een groot, mondiaal plan bij en natuurlijk is er dan ook in de politieke sfeer iets nodig wat emotie opwekt, enthousiasme. Maar alsjeblieft geen ruimte voor paniek, voor avontuur en waanzin, zoals die er in de cultuur wél mag zijn. Politiek als ambacht is een rationaliserend bedrijf, waarin zakelijk moet worden gehandeld.’

Robert Habeck, van Die Grünen, promoveerde op de dichters Hölderlin en Celan en waarschuwt net als u voor romantische opvattingen: ‘Geen Novalis in de politiek.’

‘Dan heeft hij waarschijnlijk Safranski gelezen. Hoewel men van Novalis wel degelijk veel kan leren. Hij schrijft: “Wanneer de goden verdwijnen, heersen de spoken.” Het verdwijnen van het christendom uit de politiek van westerse landen heeft een grote invloed. Het loslaten van die verticale verbinding heeft als gevolg meer moralisme in de politiek. Er is nu een generatie die de geschiedenis als een verhaal van louter misdaden ziet en Weltgericht speelt, het Laatste Oordeel velt. Hier in Duitsland gaat het dan over de Tweede Wereldoorlog, in Nederland over het kolonialisme. Afhankelijk zijn van een goddelijk oordeel heeft ook iets ontlastends, het relativeert wat mensen doen.’

We weten toch niet wat God van het kolonialisme vond?

‘Waarschijnlijk was Hij ertegen. Als ik het over moralisme heb, bedoel ik niet het onderzoeken en benoemen van gebeurtenissen uit het verleden. En ook niet daar waar je iets goed kunt maken, dat ook te doen: een persoon of een collectief schadeloos stellen voor wat er is aangedaan. Met moralisme bedoel ik de spelletjes met het discours, waarin het niet om een thema gaat maar waar het er vooral om draait dat de ene fractie de andere tot schaamte kan dwingen, kan vernederen, en zichzelf op een voetstuk zet.

Moralisme is een vorm van narcistische zelfbevrediging. Het bestrijden van antisemitisme is een elementaire opgave voor de Duitse samenleving, en dat gebeurt ook, maar des te kwalijker is het als in een actuele discussie “jij bent een fascist” wordt gebruikt om het debat dood te slaan. Het gebeurt overal – Trump noemt Biden een communist, Erdogan geeft de schuld van bosbranden aan de Koerden – maar naar mijn indruk in Duitsland op dit moment wel heel veel.’

Het laatste hoofdstuk in Safranski’s studie over de Duitse Romantiek benoemt het nationaal-socialisme als een extreme vorm van, om Goebbels te citeren, ‘gestaalde romantiek’, met de holocaust als gevolg. In de jaren tachtig woedde er een ‘Historikerstreit’ rond de vraag of die genocide wel zo uniek was in het licht van de wereldgeschiedenis. Nu is er opnieuw een debat over die vraag en ditmaal zijn het linkse historici die een poging doen tot relativering: de jodenmoord hoort thuis in een groter verhaal over racisme en kolonialisme. De ophef daarover lijkt minder groot. Hoe lang blijft het besef van collectieve schuld en de ‘herinneringscultuur’ nog wezenlijk voor de identiteit van de Bondsrepubliek?

‘Dat de oorlog steeds verder van ons af komt te liggen is onvermijdelijk’, denkt Safranski. ‘Maar de morele toetssteen die Hitler is, dat gaat toch dieper, die is zo snel niet weg. Hij is de politieke verpersoonlijking van het absolute kwaad. Terecht. Stalin was ook een schurk, maar toch… Wat met het uitsterven van de laatste getuigen wel verdwijnt is het idee van het collectieve daderschap, de rechtstreekse verantwoordelijkheid van mensen die misdaden hebben begaan, die ze hebben toegejuicht of niet hebben verhinderd. Het heeft steeds minder met persoonlijke schuld van doen, schuld is niet erfelijk, behalve in sommige religies.

Het gaat nu om verantwoordelijkheid en die moet Duitsland blijven nemen, die moeten we onderhouden. Het is goed dat we ons blijven schamen voor wat er gebeurd is, ook al zijn de schuldigen er niet meer. In het huidige debat gaat het ook over Israël. Ook bij terechte kritiek op bijvoorbeeld het nederzettingenbeleid vind ik het niet fout als Duitse politici terughoudender zijn dan hun collega’s in andere landen. Tegelijkertijd hoort het geen taboe te zijn om erover te schrijven en te spreken.’

Alexander Gauland, leider van de rechts-radicale Alternative für Deutschland, noemde het Derde Rijk ‘een vogelpoepje’ in de glorieuze Duitse geschiedenis.

‘Dat was een provocatie. Bedoeld om kiezers te trekken die vinden dat we nu maar eens een normaal land moeten worden en inderdaad, zo’n uitspraak trekt ook echte neonazi’s aan. Toch is hij daarmee zelf nog geen nazi. Ik vind dat we een fout hebben gemaakt door niet met Gauland en de zijnen in gesprek te gaan toen ze nog een clubje bezorgde hoogleraren met bezwaren tegen de euro waren. Dat heeft bijgedragen tot de radicalisering, de AfD is een verwaarloosde partij geworden, je kunt ze niet meer serieus nemen – en dat is voor de politieke hygiëne niet goed.

Maar niet gevaarlijk. Die vijftien procent rechts-extremisten zie je niet alleen in Duitsland, ook in andere samenlevingen zie je een dergelijk percentage structureel ontevredenen, antisemieten, racisten. Daar moeten we mee leven. Het zou mooi zijn als er daarnaast een echte conservatieve partij zou zijn, eenduidig democratisch, niet gericht tegen de instituties, zoals de csu ooit was. Met de AfD gaat dat niet meer lukken. Die kans is verloren.’

Elders in Europa lijkt dat ook niet te lukken. Partijen die zich conservatief noemen preken een rechtse revolutie, een opstand tegen het kapitaal en de elite in plaats van conservatieve waarden als matiging, scepsis en een behoedzame omgang met de status-quo.

‘In Duitsland hangt het samen met het gegeven dat het hele spectrum naar links is opgeschoven. De cdu was een conservatieve partij met liberale accenten. Merkel heeft sociaal-democratische thema’s overgenomen, waardoor enerzijds links de wind uit de zeilen verloor maar anderzijds authentieke conservatieven hun huis kwijtraakten. Je zou kunnen zeggen dat mijn verdediging van liberale waarden nu een conservatieve positie is.

En dan heb ik er nog wel meer: ik ben niet tegen een stevige defensie, maak me zorgen over de kwaliteit van het onderwijs, ben sceptisch over de multiculturele samenleving en beschouw veranderingen in de grammatica onder invloed van genderdiscussies als een ongewenste moralisering van de taal. Ik ben een voorstander van de Europese Unie, we vergeten wel eens hoeveel goeds die heeft gebracht. Badenweiler ligt niet ver van Frankrijk en Zwitserland. Toen vorig jaar de grenzen een tijd lang dicht gingen merkten we hoezeer we aan de open binnengrenzen gewend zijn geraakt. Maar ik ben niet voor een superstaat die ten koste gaat van nationale soevereiniteit. Democratie is gebaat bij kleine eenheden.’

Waarom dan de begrippen ‘natie’ en ‘staat’ niet losmaken van elkaar binnen een Europese federatie, op basis van subsidiariteit, zoals ook de Bondsrepubliek is? De huidige natiestaten zijn een negentiende-eeuws bedenksel en vaak met geweld geconstrueerd. In Midden-Europa zijn de kaarten sindsdien al een paar keer opnieuw geschud. In Italië, Spanje, België zijn er nog steeds stevige afscheidingsbewegingen, Adenauer wilde in de jaren twintig van de vorige eeuw een zelfstandig Rijnland omdat hij geen band met Pruisen voelde.

‘Daar zit iets in. Ik ging van de huidige staatkundige werkelijkheid uit. Er is in zekere zin een Europese culturele ruimte, mijn boeken worden ook buiten Duitsland gelezen en besproken. Maar een gezamenlijke politieke ruimte is er niet. De Europese verkiezingen leveren daarvan steeds weer het treurige bewijs. Er is geen interesse voor, er bestaat geen spanning zoals die er nu in de aanloop naar 26 september hier in Duitsland wél is. Ik hoop weer op een grote coalitie, liefst van cdu-spd-fdp. Zonder de Groenen dus. Ik bewaar geen slechte herinneringen aan de Rood-Groene coalities, met Joschka Fischer als vice-kanselier. Maar ik vind toch dat die partij te veel een verzameling mensen is die denken dat onze middelen van bestaan uit een stopcontact komen. Ze hebben te weinig verbinding met de alledaagse praktijk van industrie, landbouw, transport. Ze zijn een bovenbouw zonder onderbouw, zeg ik als voormalig marxist.’


Safranski’s nieuwe boek Einzeln sein is vorige week in Duitsland verschenen; in januari komt het uit in Nederland als Eenling zijn