Het is heel menselijk om jezelf uit te roeien

Xenomorf, de winnaar van de C. Buddingh’-prijs dit jaar, is geen dichtbundel die wil troosten. Jens Meijens gedichten over de klimaatapocalyps zijn een welkome shocktherapie voor iedereen die de klimaatcrisis even vergeten was.

Zoals de Tweede Wereldoorlog het grote literaire thema van de late twintigste eeuw was, zo zal klimaatopwarming dat zijn voor de 21ste eeuw. Jonge schrijvers als Lieke Marsman (1990) claimden het onderwerp al en bij de schrijvende generatie die zich nu aandient, treedt het alleen maar meer op de voorgrond. Ook Jens Meijen (1996) stelt in zijn prijswinnende poëziedebuut Xenomorf de klimaatcrisis centraal. De jury van de C. Buddingh’-prijs plaatste bij het bekendmaken van de nominaties de kritische kanttekening dat wel erg veel bundels over dertigersdilemma’s gaan. Dat kan van Xenomorf in ieder geval niet gezegd worden. Misschien dat de generatie geboren na 1995 (zie: klimaatspijbelaars) zich geen eerste-wereldzorgen meer kan veroorloven.

In Xenomorf neemt de dichter een voorsprong op de crisis die ons te wachten staat en die in andere delen van de wereld al een bittere werkelijkheid is. Het openingsgedicht ‘Gilgamesj’ begint met het ontstaan van de menselijke beschaving, maar gaat al snel over in een flash forward. ‘Wat er van ons overblijft: plastic. Doorschijnend, verstikkend, onontkoombaar: plastic.’ En even later: ‘Wat wij droegen van de dieren zullen zij van ons dragen:/ chipszakken, snoepverpakkingen/ als rokken over schubben en veren.’

Meteen valt op wat een coherente bundel Xenomorf is, waarin motieven als het buitenaardse, tijdreizen, de digitale wereld en bomen in bijna ieder gedicht terugkomen. De keerzijde is dat het lijkt alsof er meer aandacht is besteed aan de compositie van de bundel als geheel dan aan de individuele gedichten. Die zijn fragmentarisch en wisselen snel van perspectief en setting, waardoor je je soms afvraagt waarom een beeld in het ene gedicht staat, terwijl het net zo goed in het volgende had gepast.

© Catherine Lemblé

Niettemin valt er in al die fragmenten genoeg te genieten. Sterk zijn de herhalingen, die een heerlijk ritme in de gedichten brengen. In het gedicht ‘Azkaban‘: ‘Big Data speelt xylofoon op mijn gebit./ Big Data is een draak met mooie wimpers./ Big Data is omerta.’ Bovendien zijn Meijens metaforen vaak treffend. Neem bijvoorbeeld dit beeld uit ‘Vijgen vallen tot onder de grond’: ‘morgen weer veertig graden/ maar we onderhouden de dierentuinen/ de ijsberen hebben hun koelkamer/ de leeuwen hun vlees.’ Beter kan onze gelaten omgang met een opwarmend klimaat niet gevangen worden.

Meijen zoekt een taal voor de chaos die ons te wachten staat. Zijn poëzie wil niet ‘mooi’ zijn, maar juist ongepolijst. Dit komt terug in de bladspiegel: geen nette uitlijning, maar regels die alle kanten uitschieten over de pagina. Ook het vocabulaire van Xenomorf is vrij: Meijen combineert lyrische taal met internetvocabulaire, memes, Wikipedia-lemma’s en songteksten van muziek uit de jaren 2000. Wat dat betreft is hij een typisch jonge dichter. Door dit soort ironische, aan internetgrappen ontleende taal voelt de bundel zelden zwaar of sentimenteel, zoals in de reeks ‘Puinsonnetten’:

massaproductie van wapens but make it fashion
win deze strijd lang en ellendig but make it fashion
wacht op een betonnen vampirische trein but make it fashion
rauw en bloederig verschijn je uit dit puin but make it fashion
DNS-adres niet gevonden but make it fashion

De dichter speelt met registers en trekt de aandacht naar de taal zelf. Hij blijkt een dubbelzinnige relatie te onderhouden met taal; enerzijds is die typerend voor de verachtelijke menselijke soort, anderzijds het middel waarin de dichter zich uitdrukt. Met de menselijke ondergang in het vooruitzicht voelt hij de behoefte de soort te vereeuwigen, een tijdcapsule van taal te maken, maar wie zal er zijn om zijn poëzie nog te lezen? Wat is schoonheid als er geen ogen meer zijn die haar kunnen waarnemen? ‘De mens kreeg taal om het hoofd open te plooien:/ gedachte werd wereld, wereld werd gedachte’, staat te lezen in ‘Gilgamesj‘, maar: ‘Deze woorden kwijnen weg, vergrijzen,/ rotten op de rank.’ En in het slotgedicht: ‘Denk aan het schrift dat nooit opnieuw/uitgevonden zal worden/en de letters nu al mist.’

De wat cryptische titel van de bundel lijkt verband te houden met het thema taal. Een xenomorf is een mineraal die niet de gebruikelijke vorm heeft, zoals kristallen die in de holtes van een gesteente groeien. Dat doet denken aan de manier waarop wij mensen de wereld naar onze hand proberen te zetten, niet alleen met onze industrie, maar ook met taal. Wij creëerden de mal waarin de buitenwereld moest passen en zijn nu op de grenzen van de natuur gestuit. De mineralen kunnen niet verder vervormen.

De bekendere betekenis van xenomorf als ‘buitenaards wezen’ is ook bruikbaar. De bundel zit vol met verwijzingen naar science-fiction en het buitenaardse. In het gedicht ‘Kerslong‘ staat bijvoorbeeld: ‘Hypothese: Mars is de vorige aarde, verwoest door onze voorouders./ De dinosauriërs zijn uitgeroeid door de raket die ons hier bracht.’ In die regel komen de verschillende betekenissen van de term xenomorf samen. Niet alleen gaat deze regel over de menselijke neiging zijn leefomgeving te vervormen en verwoesten, het gedicht suggereert dat de mens ook een xenomorf is. Wij zijn zélf het vreemde element.

Het debuut van Jens Meijen wil niet behagen met mooie taal, maar de absurditeit van de klimaatcrisis blootleggen. De mens is in deze gedichten een tragisch wezen, dat computers bouwt die hij zelf niet begrijpt, drones als karpers door vijvers laat zwemmen en dat tegen existentiële angst niets beters te bieden heeft dan ‘de welgemeende excuses van een outsourced pr-team’. In een tijd dat we ons graag laten afleiden door die andere crisis, en kettingmails met poëzie troost moeten bieden, zijn deze gedichten een prettig tegenwicht. Juist nu moeten we wakker geschud worden. In de woorden van de bundel: ‘het is heel menselijk om jezelf langzaam/ langzaam zachtjes/ zachtjes fluisterend/ uit te roeien.’