Mali snakt naar verandering

‘Het is hier als de vulkaan’

De Franse interventie tegen jihadisten in Mali lijkt een succes. Maar een rondreis door de vroegere favoriet van het Westen laat zien dat het land nog verscheurd is. ‘Het is waar dat Mali een failed state is. En het is waar dat men lang heeft gedaan alsof dat niet zo was.’

Medium 19093337

Niets had René Caillié voorbestemd om een van de grote ontdekkingsreizigers van de negentiende eeuw te worden. Hij werd in 1797 geboren als zoon van een bakker in het westen van Frankrijk. Een noemenswaardige opleiding genoot hij niet. Maar geprikkeld door de avonturen van Robinson Crusoe reisde hij op zeventienjarige leeftijd via Senegal naar Guadeloupe. Later keerde hij terug naar Senegal. Nu met het doel de mythische stad Timboektoe te bereiken.

En zo ging hij op 13 maart 1828 aan boord van een kano nabij de Malinese stad Djenné. Spoedig bevond hij zich op de Niger. ‘Op sommige plaatsen wel drie keer zo breed als de Seine ter hoogte van de Pont Neuf’, schreef Caillié in Voyage à Tombouctou, zijn later verschenen reisverslag. Hij observeerde de oever: de rieten hutjes, de uit leem opgetrokken moskeeën, de tot de verbeelding sprekende fauna, van nijlpaarden tot bontgekleurde watervogels. Tenminste, wanneer de bemanning hem niet het leven zuur maakte, want de berooide Caillié werd op hetzelfde sociale niveau ingeschaald als de slaven in het ruim.

Een kleine tweehonderd jaar na Caillié’s passage blijkt de oever van de Niger onveranderd. Ik bevind me op de El Hadj Youssufu Salamantha, een gemotoriseerde prauw met een kleine kajuit. Het laadruim is volgeladen, niet met slaven, maar met blikken palmolie en zakken maïs, beschikbaar gesteld door het World Food Programme. Bestemming: Timboektoe.

In de tijd van Caillié sprak de ‘stad der 333 heiligen’ tot de verbeelding. Niet alleen vanwege de eeuwenoude manuscripten die er werden bewaard, maar ook vanwege de fabelachtige rijkdom van haar heersers. Mansa Moussa, de leider van het Malinese rijk, ondernam in de veertiende eeuw een pelgrimstocht naar Mekka. De legende wil dat hij op doortocht in Caïro zoveel goud spendeerde dat de koers van het edelmetaal ter plaatse instortte en pas jaren later zou herstellen. Hij keerde terug met een stoet dichters en geleerden in zijn gevolg. Zij zouden de basis leggen voor het islamitisch kenniscentrum waartoe Timboektoe zou uitgroeien – ongeëvenaard op het Afrikaanse continent. Begin negentiende eeuw loofde de Franse Société de Géographie een premie van tienduizend franc uit voor de eerste Europeaan die de stad zou weten te bereiken – én er veilig uit terug zou weten te keren.

In 1824 had de Schotse majoor Gordon Laing de stad vanuit Tripoli weten te bereiken. Ternauwernood, want onderweg werd de karavaan waarin hij reisde overvallen door zwaarbewapende Toeareg. Laing liep diverse steekwonden op en verloor zijn rechterhand, maar haalde uiteindelijk Timboektoe. Veilig was hij er niet. Toen de bevolking eenmaal lucht kreeg van de aanwezigheid van een ‘christelijke ongelovige’, zag hij zich genoodzaakt de stad in grote haast te verlaten. Hij werd verraden door zijn gids en ten noorden van de stad op gruwelijke wijze om het leven gebracht. In later teruggevonden notities maakte Laing gewag van een fabelachtige stad – hetgeen de verbeelding nog meer prikkelde.

Een reis naar Timboektoe is ook anno 2013 bepaald niet vrij van risico. Begin vorig jaar werd de stad bezet door rebellerende Toeareg, spoedig gevolgd door radicale islamisten. Die vestigden er een waar schrikbewind op basis van een primitieve vorm van sharia, islamitisch recht. Ruim negen maanden duurde de bezetting. Begin dit jaar werd Timboektoe door een Franse interventiemacht bevrijd. Het merendeel van de islamisten had toen reeds de wijk genomen richting het Ifoghas-gebergte, in het uiterste noorden van Mali. Maar achtergebleven groepjes maken het gebied nog steeds onveilig. In dorpjes langs de rivier hebben lokale islamisten simpelweg hun baard afgeschoren en hun wapen opgeborgen. Checkpoints van het Malinese leger zijn regelmatig doelwit van zelfmoordaanslagen.

Mijn medepassagiers hebben andere zorgen. Alle vier zijn ze afkomstig uit Timboektoe. Sommigen hebben de bezetting in de hoofdstad Bamako afgewacht, een enkeling heeft een deel ervan meegemaakt. Binnen enkele dagen zullen ze voor het eerst voet zetten in de bevrijde stad. Ze vragen zich af wat ze er zullen aantreffen. Mokthar Diallo, die werkt voor een lokale hulporganisatie, zegt te vrezen voor wraakacties van de kant van het Malinese leger. ‘Naar wat ik begreep zijn alle Arabieren en Toeareg die in de stad wonen al gevlucht’, zegt hij gezeten op het golfplaten dek. Ook vraagt hij zich af hoe een terreurorganisatie als al-Qaeda in de Islamitische Magreb (aqim) al sinds 2003 ongestoord haar gang kan gaan in het uiterste noorden van het land. Vanaf die tijd nam de ontvoeringsindustrie in Mali een hoge vlucht. Zoals onlangs werd onthuld, betaalden Europese regeringen in het geheim miljoenen losgeld. Daarvan bleef ook in Bamako het nodige aan de strijkstok hangen. En al jaren geldt de Sahara als een belangrijke doorvoerroute voor cocaïne afkomstig uit Zuid-Amerika. aqim geldt als een van de belangrijkste spelers. Er gaan hardnekkige geruchten dat de politieke en militaire elite in de hoofdstad ook hier een oogje toekneep. ‘Ik verafschuw Sanogo en zijn medecoupplegers’, zegt Diallo onder verwijzing naar de jonge legerkapitein die vorig jaar een staatsgreep pleegde. ‘Maar de afkeer van de corrupte en incompetente politieke elite in Bamako die hen motiveerde was terecht.’

Vier maanden na het begin van de interventie lijkt het erop dat aqim een gevoelige slag is toegebracht. Want de Fransen lieten het niet bij de bevrijding van Timboektoe. Ondersteund door Tigre-gevechtshelikopters en Amerikaanse drones trokken Franse en Tsjadische special forces het Ifoghas-gebergte in. Jean-Yves Le Drian, de Franse minister van Defensie, sprak van ‘de ultieme fase’ van de oorlog. Honderden islamisten vonden inmiddels de dood, waaronder Aboe Zeid, een van de kopstukken van de organisatie. De Fransen wilden tegen elke prijs voorkomen dat het noorden van Mali zou uitgroeien tot een vrijhaven voor jihadisten.

Zo bezien is de militaire interventie ontegenzeggelijk een succes. In juli komt een troepenmacht van de Verenigde Naties de Franse soldaten versterken. Maar ondertussen is geen van de problemen die tot de initiële crisis leidden opgelost. President Amadou Toumani Touré (‘att’), aan de macht sinds 2002, is naar het naburige Senegal gevlucht, maar de vriendjespolitiek en corruptie die zijn regime kenmerkten zijn dat allerminst. De Malinese staat is disfunctioneel en ook het leger is nog altijd even slecht georganiseerd en getraind. Daarbij is een verzoening tussen Bamako en de door Toeareg bevolkte regio’s in het noorden ver te zoeken. Bovendien is er nog steeds de dreiging van een nieuwe staatsgreep.

Op 17 januari 2012 weten rebellerende Toeareg een bevoorradingskonvooi van het Malinese regeringsleger te onderscheppen. Het konvooi is op weg naar de woestijnstad Aguelhok. De Toeareg opereren onder de vlag van het Bevrijdingsfront voor Azawad (mnla), een zich seculier noemende afscheidingsbeweging. Het is bepaald niet voor het eerst dat de Toeareg zich roeren. Sinds de onafhankelijkheid van 1960 zijn ze in een quasi-permanente opstand verwikkeld tegen het regime in Bamako, dat zij beschouwen als de nieuwe kolonisator. Meestal eindigt zo’n opstand in een handjeklap tussen lokale Toeareg-leiders en de regering. Maar deze keer zal het anders lopen.

Onder de Toeareg-strijders bevinden zich honderden goedgetrainde huurlingen van Moammar Kadhafi. Na de val van de Libische dictator zijn ze huiswaarts gekeerd met grote hoeveelheden zware wapens. Het regeringsleger blijkt geen partij. Van de tachtig legervoertuigen worden er zeker zestig vernietigd. Een paar dagen later wordt de aanval ingezet op Aguelhok. Regeringstroepen in de stad raken snel door hun munitievoorraad heen en geven zich na enkele uren over. Zo’n honderd soldaten worden in koelen bloede geëxecuteerd. De techniek, doorgesneden kelen en handen vastgebonden op de rug, duidt op het werk van al-Qaeda in de Islamitische Magreb. Ongevraagd heeft de mnla gezelschap gekregen van enkele radicaal islamitische bewegingen: aqim, maar ook Ansar Dine (Verdedigers van het geloof) en de Eenheidsbeweging van Jihad in West-Afrika (mujao). Geleidelijk zullen deze de Toeareg-opstand kapen.

Het Malinese leger incasseert nederlaag op nederlaag en op de grote legerbasis van Kati, niet ver van Bamako, groeit de onvrede over de aanpak van de opstand. De soldaten voelen zich door de politici in de steek gelaten. Al een tijd gaat het gerucht dat hoge militairen geld bestemd voor wapens in hun eigen zak gestoken hebben. Op 21 maart brengt de Malinese minister van Defensie een bezoek aan de legerbasis in Kati. Hij wordt onthaald op een stenenregen en weet zich ternauwernood uit de voeten te maken. Enkele uren later vertrekt een colonne met mitrailleurs uitgeruste pick-ups richting het presidentieel paleis in Bamako.

De sporen van de staatsgreep zijn hier nog altijd zichtbaar. De ereboog bij het begin van de oprijlaan is ontsierd door kogelgaten. En in het aangrenzende park staan de van hun sokkel getrokken standbeelden van Laing en Caillié er wat verweesd bij. Verderop, bij het monument voor ‘Le Mali Nouveau’, staan de presidenten sinds de onafhankelijkheid afgebeeld: Modibo Keïta (1960-1968), Moussa Traoré (1968-1991) en Alpha Oumar Konaré (1992-2002). De beeltenis van att is kapotgeslagen. Zijn in koper gegraveerde naam is nog slechts met moeite leesbaar. Het lijstje namen verhult een gewelddadige politieke geschiedenis: afgezien van het presidentschap van Konaré sneuvelden alle regimes ten gevolge van een staatsgreep.

Gebruikmakend van de chaos in de hoofdstad rollen de rebellen in het noorden de resten van het Malinese leger in hoog tempo op. Op 30 maart valt Gao, op 1 april Timboektoe. Bij Douentza houden de rebellen halt. Ze hebben nu een gebied zo groot als Frankrijk in handen.

De staatsgreep tegen president Amadou Toumani Touré werd geleid door de veertigjarige kapitein Amadou Haya Sanogo. Hij rechtvaardigde zijn daad door te wijzen op de verwaarlozing van het leger en de misdragingen van de zittende politieke elite. ‘Voor gewonde frontsoldaten was geen zorg beschikbaar’, hoont hij wanneer ik hem spreek in zijn gefortificeerde villa op de legerbasis van Kati. ‘En dat terwijl ministersvrouwen zich in Parijs voor hun hoofdpijn lieten behandelen!’

De leiders van ecowas, de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten, dwongen Sanogo na enkele weken afstand van de macht te doen. Een interim-president in de figuur van oud-parlementsvoorzitter Dioncounda Traoré werd geïnstalleerd. Maar Sanogo’s schaduw reikt nog altijd ver. Zijn greep op het leger en de geheime diensten is groot en zijn villa geldt als een van de belangrijkste machtscentra van het land. Recentelijk werd hij aan het hoofd gesteld van een commissie die het leger moet gaan hervormen. Maar het is de vraag of deze erefunctie zijn machtshonger zal stillen. ‘Hij wacht geduldig tot de buitenlandse interventiemacht Mali heeft verlaten’, zegt een westerse diplomaat die anoniem wil blijven. ‘Dan slaat hij toe.’

Sanogo staat me te woord in een bescheiden vertrek met hoogpolig tapijt, een lage glazen tafel en drie reusachtige stoelen van wit kunstleer. Hij draagt een camouflagepak en opvallende zilveren ringen sieren zijn vingers. Hij is klein van stuk, gespierd en heeft iets van een pitbull. Zeker is dat hij zijn tanden met vaste regelmaat laat zien, en ook dat hij niet aarzelt om door te bijten. Vorig jaar mei werd de zojuist geïnstalleerde interim-president door aanhangers van Sanogo in het presidentieel paleis met hamers aangevallen en voor dood achtergelaten. Ze waren woedend over het akkoord dat Traoré met ecowas had gesloten omtrent de machtsoverdracht in Mali. Hij vluchtte naar Frankrijk en keerde pas maanden later terug naar het presidentieel paleis.

In december vorig jaar werd interim-premier Cheikh Modibo Diarra door mannen van Sanogo van zijn bed gelicht en naar Kati overgebracht. Diarra’s uitgesproken voorkeur voor een buitenlandse interventie was op de legerbasis niet in goede aarde gevallen. Na een gesprek met Sanogo verscheen een aangeslagen Diarra nog diezelfde nacht op de televisie. ‘Ik heb besloten per direct mijn functie neer te leggen’, was alles wat hij zei.

Hoewel Sanogo de Franse militaire interventie in een korte verklaring toejuichte, is de algemene overtuiging dat hij daar in werkelijkheid weinig van moet hebben. De aanwezigheid van een buitenlandse troepenmacht beperkt zijn greep op de staatszaken immers aanzienlijk. Naar verluidt stond hij juist op het punt om Traoré af te zetten op het moment dat Franse Mirages de aanval op de islamisten in het noorden inzetten.

‘Kapitein Sanogo en zijn mannen zijn overduidelijk betrokken bij verdwijningen, martelingen, willekeurige arrestaties, verduistering van staatsgelden, intimidatie en mishandelingen van personen die het met hen oneens zijn’, stelde Corinne Dufka van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch onlangs voor een Amerikaanse Senaatscommissie. ‘Er is geen enkel officieel onderzoek naar hun misdaden verricht. In plaats daarvan is Sanogo beloond met een hoge ambtelijke positie.’

De kapitein reageert geprikkeld wanneer ik hem met Dufka’s uitspraken confronteer. ‘Tijdens het bewind van att was het allemaal veel erger. Hoeveel mensen heeft hij niet jarenlang zonder enige vorm van proces vastgezet, waarom hoor je daar niemand over?’ Over zijn eigen ambities blijft Sanogo vaag. ‘Vast staat dat ik geen militair blijf’, zegt hij. Een politieke carrière? Wellicht. ‘Met afgrijzen zie ik hoe de oude machtskliek rond att weer overeind krabbelt, dus wanneer het volk een beroep op mij doet, zal ik mijn verantwoordelijkheden niet uit de weg gaan.’

‘Weet u’, zegt hij terwijl hij me zelfverzekerd aankijkt. ‘Ik ben de populairste man van Mali. Als ik u mee uit rijden zou nemen door het centrum van Bamako zult u zien dat de mensen me massaal toejuichen.’

Frankrijk heeft zich niet alleen gecommitteerd aan de vernietiging van de jihadisten in het noorden. Volgens president François Hollande zit het werk er pas op wanneer ook de Malinese democratie overeind staat. In juli staan er verkiezingen gepland en in een fraaie proeve van neokolonialisme liet Hollande weten dat ‘Frankrijk erop zal toezien dat die zullen doorgaan’. ‘Wat doen we eigenlijk in Mali, afgezien van het steunen van een handjevol coupplegers?’ stelde oud-president Nicolas Sarkozy in een zeldzaam interview. Zout in de wonden van zijn voormalige rivaal.

Het gros van de Malinese politici dat zich momenteel warmloopt voor de verkiezingen moet weinig van Sanogo hebben. Toch heeft hij enkele invloedrijke medestanders. Zoals Seydou Kouyaté. Schrijver, componist van het nationale volkslied en compagnon de route van oud-president Modibo Keïta. ‘Onder att heeft ons leger zijn ziel verloren’, zegt hij in zijn huis in een residentiële wijk van Bamako. ‘Het uniform diende slechts voor de parade; om soldaat te zijn moest je betalen. Daarmee win je de oorlog niet.’ Zijn voorkeur voor een eenpartijstaat steekt Kouyaté niet onder stoelen of banken. En ook zijn studeerkamer ademt nostalgie naar het doctrinaire socialisme uit de eerste jaren na de onafhankelijkheid. Een foto aan de muur toont hem in gezelschap van Mao Zedong. Naar eigen zeggen ontmoette hij de Grote Roerganger 36 keer. ‘att benoemde meer dan vijftig generaals’, vervolgt hij. ‘Allemaal vrienden die om een baan verlegen zaten. Maar de piloten van de luchtmacht durven hun Migs niet langer te vliegen omdat ze zo slecht onderhouden zijn. Daarom steunde ik Sanogo, omdat ik van att af wilde.’

Hoewel hij destijds lippendienst aan de coupplegers bewees, is Mahmoud Dicko terughoudender. De voorzitter van de door hem opgerichte Islamitische Raad hoopt vooral dat de huidige crisis de achtergebleven politieke elite aan het denken zet. ‘Twintig jaar geleden hadden we een kans op democratie’, zegt hij in zijn kantoor. ‘Maar in Mali is dat niets dan gebakken lucht gebleken.’ Hoewel hij geen enkele politieke functie bekleedt, wordt Dicko gezien als de invloedrijkste oppositieleider van het land. ‘Als ik dat wil heb ik binnen een paar dagen een stadion met vijftigduizend mensen vol’, zegt hij. In 2010 wist hij op die manier een hervorming van het familierecht terug te draaien. In het voorstel zouden vrouwen en mannen gelijk erven en dat was volgens Dicko in strijd met het type islam dat hij verdedigt en dat volgens sommigen dicht bij het orthodoxe wahabisme ligt.

Volgens Dicko moet er iets fundamenteels veranderen in de wijze waarop het land wordt bestuurd. Van de aanstaande verkiezingen verwacht hij weinig. ‘Het zijn de mensen die het land eerder te gronde hebben gericht die kandidaat staan. Niets wijst erop dat zij van zins zijn zich in de toekomst anders te gedragen.’

In veel opzichten is de huidige crisis een déjà-vu van twintig jaar geleden. In 1991 maakte een staatsgreep een einde aan het autoritaire regime van Moussa Traoré. Net als nu ging daar een Toeareg-opstand aan vooraf. De staatsgreep uit 1991 werd uitgevoerd door een jonge officier luisterend naar de naam Amadou Toumani Touré – de latere ‘att’. Tegen de verwachting stond hij de macht af aan een comité dat was belast met de organisatie van verkiezingen. Het leverde hem de bijnaam ‘soldaat van de democratie’ op. De verkiezingen werden gewonnen door Alpha Oumar Konaré. Na twee termijnen trad deze vrijwillig terug. Voor Afrikaanse begrippen was dat zó bijzonder dat Mali in westerse ogen al snel uitgroeide tot een Afrikaanse modeldemocratie. De geldkraan met ontwikkelingshulp werd wijd open gezet. Een donor darling was geboren. Volgens sommige critici was dat vooral te danken aan de lage standaarden die het Westen hanteert waar het Afrika betreft.

Toch werd er volgens Aboubacar Traoré in de eerste jaren van att het nodige bereikt. Traoré is bij uitstek een exponent van het door Dicko en Kouyaté verfoeide politieke establishment. Hij diende als minister van Financiën tijdens de eerste termijn van att. Vervolgens was hij werkzaam als consultant. Momenteel leidt hij de verkiezingscampagne van Modibo Sidibé, tussen 2007 en 2011 premier en lange tijd de gedoodverfde opvolger van att. ‘Er werd veel geïnvesteerd in die periode’, zegt hij in een lokaaltje op het hoofdkwartier van Sidibé’s campagne. ‘In infrastructurele projecten, maar ook in onderwijs en de toegang tot overheidsdiensten. Vanaf de tweede termijn liep het mis. att wilde iedereen te vriend houden en kocht steun. Op een bepaald moment was alle oppositie onschadelijk gemaakt, zat iederéén in de regering.’

Dit was het zogeheten ‘systeem att’ waarin vriendjespolitiek en corruptie hoogtij vierden. Volgens Traoré, die een doctoraat economie behaalde aan de Universiteit van Straatsburg, is een belangrijk probleem dat stam- en familieverbanden nog altijd allesbepalend zijn. ‘Een notie als “burgerschap” is hier nauwelijks ontwikkeld. Verkiezingen, een parlement en een verzameling ministeries leiden niet als vanzelf tot een democratische rechtsstaat.’

Op een hete namiddag begeef ik me naar de schrijfster en oud-politica Aminata Traoré. Ik tref haar op de binnenplaats van Le Djenné, het hotel waarvan ze eigenares is. Haar voeten in een teiltje water. Ook aanwezig: Cheick Oumar Diarrah, hoogleraar politieke wetenschappen en voormalig ambassadeur te Washington. ‘Het is waar dat Mali een failed state is’, zegt Traoré. ‘En het is waar dat men lang heeft gedaan alsof dat niet zo was. Na de staatsgreep werd ons een breed maatschappelijk debat in het vooruitzicht gesteld rond de vraag hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Maar niets! Het volk is nooit geraadpleegd.’ Diarrah wijst op de lage opkomstcijfers tijdens de vorige verkiezingen. ‘In het noorden hebben we een probleem’, zegt hij. ‘Maar het zuiden staat ook op ontploffen, het is als de spreekwoordelijke vulkaan.’

Op de ochtend van 20 april 1828, ruim een maand na zijn vertrek uit Djenné, meerde René Caillié aan in de haven van Timboektoe. Zelf doe ik er vijf dagen over. Twee dagen langer dan de bedoeling was. Dankzij de lage stand van de rivier is de El Hadj Youssufu Salamantha tot twee keer toe vastgelopen op een zandbank. De vijftien kilometer lange asfaltweg die vanuit de haven naar Timboektoe voert, zou als een metafoor kunnen dienen voor het falen van de Malinese overheid. Er zitten zóveel gaten in dat auto’s er slechts stapvoets kunnen rijden. Op billboards langs de weg geven hulporganisaties hoog op van hun projecten in de stad.

Toen Caillié de stad betrad, ‘object van zoektochten vanuit alle beschaafde Europese landen’, maakte een gevoel van diepe bevrediging zich van hem meester. Met het tragische lot van Laing in gedachten gaf hij zich uit voor een Egyptische moslim. Tijdens zijn voorbereiding leerde hij Arabisch. Maar al snel besefte Caillié dat wat hij waarnam in het geheel niet overeenkwam met zijn verwachtingen. Van grandeur of rijkdom viel niets te bekennen. ‘Op het eerste aanzicht biedt de stad slechts een verzameling van slecht gebouwde lemen huizen; daaromheen strekt zich in alle windrichtingen dorre woestenij uit.’

Vanaf de zeventiende eeuw raakte de stad in verval. Tegenwoordig is het weinig meer dan een onaanzienlijke provinciestad. Alleen de imposante Sankoré-moskee herinnert aan de glorietijd van weleer. Het centrum is een labyrint van stoffige straatjes met uit leem opgetrokken huizen in uiteenlopende staat van verval. Op open plekken staan de rieten tenten van de Bella, voormalige slaven en in Timboektoe behorend tot de laagste sociale kaste. Ze leven van de verkoop van brandhout en de fabricage van bouwleem. Formeel werd de slavernij in 1960 afgeschaft. Maar vaak dwingen erbarmelijke economische omstandigheden de voormalige slaven de bescherming van hun voormalige meesters op te zoeken. Het is een groot taboe. Mensenrechtenorganisatie Temedt schat dat er in het noorden van Mali de facto tweehonderdduizend mensen in slavernij worden gehouden.

Wanneer de Toeareg van de mnla op 1 april 2012 bezit nemen van de stad wordt gerapporteerd over plunderingen en verkrachtingen. De bewoners reageren dan ook met een zekere opluchting wanneer enkele dagen later de islamisten van aqim (voornamelijk Arabieren) en Ansar Dine (Arabieren én Toeareg) in Timboektoe arriveren. De mnla wordt de stad uit gejaagd en niet lang daarna patrouilleert een islamitische politie door de straten. Het is een brute orde, maar het is tenminste orde. Maar dan wordt de sharia ingevoerd en begint een islamitische rechtbank in een geconfisqueerd hotel straffen uit te delen. Spoedig erna vinden op het marktplein de eerste executies plaats. Zweepslagen voor vrouwen die hun gelaat niet afdoende hebben bedekt. Een vermeende dief wordt de hand afgehouwen. Een overspelig stel dat tot steniging is veroordeeld weet ternauwernood naar het zuiden te ontsnappen. Wanneer de islamisten begin juli overgaan tot de vernietiging van een deel van de heiligengraven waar Timboektoe beroemd om is, verliezen ze het laatste restje sympathie onder de bevolking.

Uit een later gevonden memorandum, afkomstig van Abdelmalek Droukdel, de nummer één van aqim, lijkt de leiding van de terreurorganisatie te hebben beseft dat hun mannen ter plaatse te ver waren gegaan. Het document stelt dat de mausolea ongeschonden hadden moeten blijven en dat de sharia te snel is ingevoerd. ‘In een omgeving die onbekend is met onze religie, moeten we een stapsgewijze methode hanteren’, schrijft de zich in Algerije schuilhoudende Droukdel. ‘Zo niet, dan zal de bevolking onze religie verwerpen en onze strijders haten, met de mislukking van ons experiment tot gevolg.’

Uiteindelijk bleef de bevolking lijdzaam. Van actief verzet tegen de islamisten was op geen enkel moment sprake. ‘Timboektoe is een stad die de dingen ondergaat’, zegt imam Abderrahmane Essayouti in de salon op de eerste etage van zijn lemen huis. Hij droeg zijn stadsgenoten nadrukkelijk op kalm te blijven en geen verzet te bieden. Mahama Konaté, leraar geschiedenis en zelfverklaard ‘notabel’ van de stad, ziet in de bezetting de hand van God. ‘Timboektoe is zondig geweest’, zegt hij. ‘Een tijd terug hebben mensen van de nationale televisie hier een lokale missverkiezing georganiseerd. Het is ons toen niet gelukt dat tegen te houden en daarvoor betaalden we alsnog de prijs.’

Enkele uren voordat de islamisten op de vlucht sloegen voor de naderende Franse interventiemacht lieten zij een deel van de collectie van het Institut des Hautes Études Islamiques Baba Ahmed in vlammen op gaan. Dit centrum, genoemd naar de beroemde zestiende-eeuwse geleerde, conserveert tienduizenden eeuwenoude manuscripten. Ze hebben de religie tot onderwerp. Maar ook astronomie, wiskunde, medicijnen en magie. Uiteindelijk viel de schade te overzien, al was het maar omdat het merendeel van de collectie tijdig per boot richting Bamako was getransporteerd. Op de binnenplaats liggen de verkoolde resten van enkele tientallen manuscripten. Ook de tientallen privé-bibliotheken die Timboektoe rijk is, zijn de bezetting ongeschonden doorgekomen.

Op de binnenplaats van de Sidi Zeiyane Haidara Bibliotheek, in het lemen gedeelte van de stad, bladert Darhamane Moulaye door een eeuwenoude koran. Sierlijke kalligrafie en kleurrijke verluchtingen wisselen elkaar af. Moulaye’s familie is sinds het jaar 1500 eigenaar van de bibliotheek. Ze bevat werken van theologische aard, maar er zijn ook manuscripten over exacte wetenschappen, letteren en schone kunsten. Moulaye koos ervoor de collectie tijdens de bezetting in de stad zelf te verstoppen. Een deel ervan is inmiddels weer terug in de bibliotheek. Hij wijst op een stapeltje manuscripten, de oudste daterend uit de elfde eeuw.

Wat de bezetting niet heeft overleefd is het sociale weefsel van de stad. Traditioneel wordt de stad geprezen om haar vermogen verschillende etniciteiten in harmonie met elkaar te laten samenleven. Maar de fameuze tolerantie van Timboektoe lijkt onherstelbare averij te hebben opgelopen. Uit angst voor represailles zijn alle Arabieren en Toeareg gevlucht. Hun winkels en huizen zijn massaal geplunderd. Een paar bejaarde Arabische mannen die weigerden te vluchten, zijn door het Malinese leger meegenomen. Later ontdekt een cameraploeg van France24 hun lijken in het woestijnzand buiten de stad. Andermaal heeft het regeringsleger zijn beroerde reputatie waargemaakt. In de hal van Hotel Colombe zegt een officier van de Malinese gendarmerie met de zaak bezig te zijn. Rond lunchtijd vraagt hij de barman om een glas met ijs. Uit zijn tas tovert hij een literfles gin.

Waar de Arabieren naartoe gevlucht zijn, is niet duidelijk, misschien naar Algerije of Marokko. De Toeareg zitten in vluchtelingenkampen in Mauretanië en Burkina Faso. Of in de noordelijker gelegen Kidal, een geducht Toeareg-bastion. ‘Iedere Toeareg-opstand begint en eindigt in Kidal’, zegt men in Bamako.

Afgelopen maanden hergroepeerden zich hier de strijders van de mnla. Vrijwel alle belangrijke Toeareg-leiders verblijven er. Uit angst voor vergeldingsacties verboden de Fransen tot dusver het Malinese regeringsleger de toegang tot de stad. Volgens Franse kranten helpen jonge Toeareg de Franse special forces hun weg te vinden in het moeilijk doordringbare Ifoghas-gebergte. Deze berichten leidden tot woede onder de zwarte elite in Bamako. De Franse interventie tegen de islamisten kan in Mali op brede steun van de bevolking rekenen.

Volgens sjeik Oumar Diarrah neemt Frankrijk grote risico’s wanneer het al te nauwe banden met de mnla aanknoopt. ‘De Fransen moeten oppassen, het sentiment zou zich hier wel eens tegen ze kunnen keren.’ De haat zit diep. Hoofdstedelijke kranten laten zonder gêne dodenlijsten circuleren van leiders van de mnla. Het is de Toeareg-opstand die het land in het verderf heeft gestort, zo is de overtuiging. Dat het regeringsleger Kidal niet in mag, wordt volgens de oud-diplomaat als een regelrechte vernedering beschouwd. ‘Denk je eens in: een buitenlandse macht die een nationaal leger de toegang tot het eigen territoir verbiedt!’ Volgens Diarrah bestaat er in Frankrijk veel sympathie voor het onafhankelijkheidsstreven van de Toeareg, voortkomend uit de idealisering van het woestijnvolk.

‘Tot een jaar of tien geleden was dat zeker het geval’, zegt Pierre Boilley, directeur van het Afrika Instituut van de Sorbonne in Parijs. ‘Tot die tijd overheerste het beeld van de Sahara als maagdelijke ruimte of van de Toeareg als ongenaakbare woestijnridders – de laatste aristocraten. Maar de aanhoudende berichtgeving over wapen-, drugs- en mensensmokkel heeft van dat beeld weinig heel gelaten.’ Boilley deed jarenlang veldwerk bij de nomadische volkeren in de Sahara. Hij geldt als een van ’s werelds grootste kenners van de Sahel. ‘Het vredesproces zal lastig zijn’, zegt hij. ‘Op dit moment zijn we zeer ver van een oplossing verwijderd.’ Bij de Toeareg is er veel oud zeer vanwege de gedeeltelijke of niet-uitvoering van eerdere vredesakkoorden, zoals het akkoord van Algiers (2006) dat het noorden meer autonomie beloofde. Hoe diep de frustratie daarover zit, blijkt uit het feit dat de Toeareg-opstand deze keer voor het eerst onafhankelijkheid van het noorden claimde. In het zuiden heerst het sentiment dat er al meer dan genoeg concessies richting de Toeareg zijn gedaan. Daaronder sluimeren allerlei diep ingesleten vooroordelen, niet zelden van racistische aard. De mnla eist erkenning voor de wandaden die door het regeringsleger zijn begaan tijdens het neerslaan van eerdere opstanden. Maar na de slachting in Aguelhok, zelfs als daar islamisten achter zaten, zal het Malinese leger daar niet bepaald happig op zijn, denkt Boilley. ‘Het zal van twee kanten moeten komen, maar ik vrees dat in Bamako de politieke wil ontbreekt.’

Op 4 mei 1828 verliet René Caillié Timboektoe. Per karavaan doorkruiste hij de Sahara richting Marokko. In Parijs wachtte hem het Légion d’Honneur, een pensioen, en zijn reisverslag werd op staatskosten gedrukt.

Zelf verlaat ik de stad via het zuiden, per Toyota Landcruiser. De sfeer in de auto is bedrukt. In het gebied dat we doorkruisen zijn een paar dagen eerder vier mensen door bandieten de keel doorgesneden. Bij Douentza draaien we de asfaltweg op richting Bamako, ruim achthonderd kilometer naar het zuidwesten. Als het begint te schemeren stuiten we op een konvooi stilstaande Franse legervoertuigen. Het konvooi is afkomstig uit Senegal, tien dagen eerder is het vertrokken uit de haven van Dakar. Wanneer we behoedzaam voorbij rijden blijkt de reden voor het oponthoud. Een van de pantservoertuigen heeft zijn achteras gebroken door een gat in de weg. Een blonde soldate waarschuwt het achterop komende verkeer met een zaklamp. Monter blikt ze de invallende duisternis in.


Beeld: Timboektoe, 3 februari (Stephen Dock/Agence VU/HH).