‘Het is hier geestelijk een woestijn’

Als jood en homoseksueel was Jacob de Haan in het Nederland van rond de vorige eeuwwisseling een buitenstaander. Maar ook in Israël kon hij zijn draai niet vinden.

Medium de haan

Saai is het leven van de Nederlandse joodse dichter Jacob Israël de Haan zeker niet geweest. Onrust is een passende titel voor de biografie die Jan Fontijn over hem schreef. Jacob de Haan werd op 31 december 1881 geboren in een kinderrijk orthodox joods gezin. Zijn vader, Izak, was voorzanger en godsdienstleraar. Op 30 juni 1924 werd Jacob, 42 jaar oud, in de Jaffastraat in Jeruzalem doodgeschoten in opdracht van de joodse zelfverdedigingsorganisatie Haganah die hem als een gevaarlijke verrader was gaan beschouwen.

In zijn korte maar intense leven bezocht hij de kweekschool in Haarlem, waar hij door een medeleerling werd getypeerd als ‘een wat eenzame figuur’, ‘erg nerveus’, en ‘een eigenaardig mengsel van zich achterafgezet voelen en verwaandheid’. Hij was onderwijzer op diverse scholen, trad in 1903, samen met zijn zus, de schrijfster Carry van Bruggen, toe tot de sociaal-democratische sdap, werd medewerker van de socialistische krant Het Volk waar hij de kinderrubriek redigeerde, schreef twee ophef veroorzakende romans, keerde de socialisten de rug toe, vond het geloof van zijn vaderen terug, studeerde rechten en werd privaatdocent aan de Universiteit van Amsterdam, reisde naar Engeland en Rusland, publiceerde gedichten in het blad van de Tachtiger Albert Verwey, werd zionist, vertrok in 1919 naar Jeruzalem waar hij tot de overtuiging kwam dat het Joods Nationaal Tehuis op de komst van de Messias moest wachten. Vanuit Palestina schreef hij tot zijn dood reportages en beschouwingen voor het Algemeen Handelsblad. Hij had er ook een vriend, Adil, die handelde in Arabische paarden.

Probeer in zo’n leven maar eens de rode draad te vinden. Het is knap van Fontijn dat hij De Haan en de diverse milieus waarin hij zich begaf tot leven weet te wekken en ons laat meeleven met de permanente worsteling van de dichter met zichzelf. Of we hem sympathiek gaan vinden of eerder mesjogge doet er niet toe. Hij stáát er, in al zijn tegenstrijdigheid. Dat effect is zeker ook te danken aan de vele gedichten van De Haan die in de biografie zijn opgenomen en de uitgebreide citaten uit zijn correspondentie met tijdgenoten als Frederik van Eeden en Albert Verwey.

In het Nederland van rond de vorige eeuwwisseling was Jacob de Haan in twee opzichten buitenstaander: als jood en als homoseksueel. Op zijn met religiositeit doordesemde kindertijd keek hij met voldoening terug: ‘Was ik niet naast mijne Moeder gezeten/ Wier stem naar mijn stem de gebeden zong (…)/ En met mijn vader elken dag drie malen/ Stond ik naar u in vroom gebed gekeerd’ (uit het gedicht: Jeruzalem).

Voor Frederik van Eeden schreef De Haan een sonnet dat begint met: ‘Wilt gij mijn god zijn en mijn vader tevens?’

Maar hij kreeg ook te maken met wat Fontijn ‘een pesterig antisemitisme’ noemt, niet erg agressief, maar wel wijdverbreid. Als kwekeling ontdekte de nerd die Jacob was door het lezen van de Tachtigers een nieuwe wereld van literatuur, schoonheid en – bij Van Eeden en Herman Gorter – socialisme. Voor Frederik van Eeden, die hij de rest van zijn leven zou bewonderen en met wie hij ook bevriend zou raken, schreef hij in 1896 een sonnet dat begint met: ‘Wilt gij mijn god zijn en mijn vader tevens?’ Pas drie jaar later durfde hij per brief contact met de oudere schrijver op te nemen en hij was zielsgelukkig dat hij antwoord kreeg.

Medium dh2

Die nieuwe god en vader had hij nodig, omdat hij met de zijne had gebroken. Behalve met het ontdekken van een ruimere wereld dan die van het orthodoxe jodendom had het (tijdelijke) afscheid van gezin en religie volgens Fontijn ook te maken met de onbespreekbaarheid van de homoseksuele gevoelens die Jacob de Haan bij zichzelf begon te ervaren. Homoseksualiteit was destijds in Europa taboe en vaak zelfs strafbaar; de beroemde Britse schrijver Oscar Wilde was om die reden tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Na zijn verhuizing naar Amsterdam in 1902 ontdekte Jacob de geneugten van een wild seksleven en de decadente literatuur van schrijvers als Eekhout, Verlaine en Rimbaud. Het inspireerde deze voorloper van Gerard Reve tot Pijpelijntjes, de eerste Nederlandse roman waarin een relatie tussen twee mannen centraal staat. Het is een ruig boek over ‘dierenmishandeling, dood, homoseksualiteit, de banaliteit van de omgang van mensen, wreedheid, armoede, gevangenisstraf en criminaliteit’. Het directe gevolg van de publicatie was dat De Haan per onmiddellijk werd ontslagen bij het socialistische blad Het Volk. Ook Van Eeden vond het boek afschuwelijk. Die vriendschap bleef desondanks overeind, maar de benepenheid van de socialisten vond De Haan onvergeeflijk en hij keerde zich voorgoed van hen af. Hij schreef nog een tweede roman met een homoseksueel thema, Pathologieën, over de sadomasochistische relatie tussen de held Johan en zijn sadistische vriend René. De kritiek was over het algemeen negatief en ook deze keer was Van Eeden ontzet. De Haan was er kapot van. Aan een andere vriend schreef hij (in 1908, 27 jaar oud): ‘Ik heb mijn leven vergooid en daaraan is niets meer te doen.’

Een gespleten leven: dagelijks bidden bij de Klaagmuur en ondertussen lonken naar mooie Arabische jongens

Fontijn plaatst De Haans beide romans in de context van de decadente stroming in de literatuur en haar fascinatie voor perverse vormen van seks. Een minstens zo voor de hand liggende verklaring is te vinden in het besef dat een eeuw geleden homoseksualiteit net zo not done of zondig werd gevonden als sadisme, masochisme of pedoseksualiteit. Als De Haan in latere gedichten talloze keren uiting geeft aan zijn wroeging en berouw, wordt dan ook niet erg duidelijk waarop die precies betrekking hebben: zijn gevoelens voor andere mannen of de erotisch gekleurde fascinatie voor kleine jongens, die in veel van zijn gedichten naar voren komt. Was Jacob de Haan pedofiel? En hield hij het in zijn liefde voor jonge jongens platonisch? Dat blijft in deze biografie in het midden, wat een manco is in dit verder prachtige boek.

Hoe dan ook, in 1909 volgt in De Haans bestaan een nieuwe ommekeer: hij verzoent zich met zijn ouders, keert terug naar het joodse geloof (hij zou in de loop van de tijd steeds vromer worden) en wordt overtuigd zionist. Hij verwoordt het in het gedicht Verlossing: ‘Ik was een Joodsche jongen, ik verdwaalde/ Door lusten misleid en op vreugden fel/ (…) En nu: schaamte verbrandt mijn bleeke wangen/ (…) Mijn hart is ziek. Mijn hopeloos verlangen/ (…) Kon ik met mijn moede voeten gaan/ Om Rust naar ons land achter de Jordaan.’

Voorlopig bleef Palestina nog even achter de horizon. De Haan dichtte over de Eerste Wereldoorlog die hem schokte, promoveerde cum laude in de rechten, werd privaatdocent en hoopte op een professoraat. ‘Maar’, observeert Fontijn, ‘voor velen (…) was De Haan nog steeds (…) een schrijver van schandaalromans, verguisd door de socialisten, een homoseksueel die openlijk voor zijn geaardheid uitkwam. Door zo’n woelgeest de academische rust laten verstoren? Geen denken aan.’ De Haan was zwaar teleurgesteld, maar betwistte dat het de reden was dat hij naar Palestina wilde. De biograaf wil hem geloven: ‘Zijn zionisme was de reden.’ Aannemelijker is dat zowel verbittering als verlangen naar verlossing De Haan ertoe heeft gebracht de zionistische daad bij het woord te voegen. In joodse kring in Nederland was hij intussen behoorlijk populair en hij hoopte ongetwijfeld in het beloofde land een vooraanstaande rol te kunnen spelen. Bij zijn afscheid citeerde hij het begin van zijn gedicht Roepstem: ‘Ik ga, gelijk de wolken gaan/ Wanneer de zon hen trekt/ Wie zal Gods roep weerstaan?/ Die zijn volk wekt.’

De desillusie was enorm en kwam snel. Eigenlijk al meteen bij De Haans aankomst in Jeruzalem op 1 maart 1919, toen hij noteerde: ‘Nee, dit is geen koninklijke intocht van de Dichter van Het Joodsche Lied te Jeruzalem. Het station is onbeduidend. Het regent, het waait en het is koud.’ En twee maanden later: ‘Het is hier geestelijk gewoon een woestijn (…) Ik voel mij hier erg verlaten. Ik blijf hier uit een gevoel van plicht.’ De meeste joodse immigranten waren socialist en daar wilde De Haan niets van weten. Ook het contact met de religieuze zionisten verliep moeizaam; meer aansluiting vond hij bij de niet-zionistische orthodoxen en dankzij zijn vriendschap met de paardenhandelaar Adil raakte hij ook steeds meer thuis onder de Arabische Palestijnen. Hij was getuige van de eerste botsingen tussen joden en Arabieren en gaf in toenemende mate de zionisten de schuld van alles wat er mis ging. Dat leidde er weer toe dat hij in zionistische kring persona non grata werd. Joodse studenten boycotten zijn colleges, hij werd ontslagen als docent, zijn verbittering kende geen grenzen en hij ging zich inspannen om de Britse machthebbers (Palestina was een Brits mandaat) tegen de zionisten op te zetten. De schandelijke moord op hem was het (in joodse kring overigens zeer omstreden) resultaat.

Dat het Jacob de Haan in Palestina zo ellendig verging, had vooral met zijn eigen persoonlijkheid te maken. Hij had het land en het zionisme tevoren ontzettend geïdealiseerd en de ontgoocheling was diep. Hij kon zijn draai niet vinden en leidde een merkwaardig gespleten leven: dagelijks bidden bij de Klaagmuur en ondertussen lonken naar mooie Arabische jongens die hij daar zag. Het was onverstandig om zich als instrument in handen van de vijanden van het zionisme te laten gebruiken; het was onvergeeflijk dat hij daarom werd vermoord. Hoewel zijn verbittering jegens de zionisten op het laatst zijn blik vertroebelde, waren zijn observaties soms ongemeen scherp. Zo schreef hij naar aanleiding van de botsingen tussen joden en Arabieren in 1921 in het Algemeen Handelsblad: ‘De Joden zijn geen moordenaars, geen plunderaars, geen brandstichters. Zij willen niets anders dan vreedzaam het land veroveren. Maar de Arabieren willen niet vreedzaam veroverd wezen. En daar zij economisch niet tegen de Joden op kunnen, proberen zij het met geweld.’ Het is een waarneming die een kleine eeuw later nog niets aan belang verloren heeft.


Beeld: (1) Jacob Israël de Haan, ca. 1917 ( (Universiteit van Amsterdam)); (2) De Haan in Rusland, 1912 (Letterenhuis Antwerpen / De Bezige Bij)