Woerden – dit is Nederland. Dit is nu

‘Het is hier prima’

Jarenlang gold Woerden als de meest gemiddelde gemeente van Nederland. 410 Wajong-uitkeringen in een jaar, 12,8 procent allochtonen. Martijn Simons ging kijken hoe die getallen er in het echt uitzien.

Medium rc20120629woerden01

*‘BEZOEKERS MELDEN * bij de receptie’, staat op een geel bord naast de slagboom. In keurige perken staan paarse viooltjes. Op het veld staan zo ver ik kan zien caravans en vouwwagens, gesloten luifels en voortenten, geen mens te bekennen. Eerst woonden hier Polen in de stacaravans, dat verhaal ging, maar die zijn weggestuurd, en de stacaravans zie ik nergens meer.

De receptie van Camping Batenstein is een blokhut met vaantjes en ansichtkaarten aan de muren. Posters van de highlights van de stad, van het kasteel, van de molen, alles in bijgekleurd zonlicht. Achter een houten bureau zit een man die me over zijn bril aankijkt en zegt: 'Er komen hier voornamelijk senioren.’ Hij kijkt weer op het scherm van zijn computer.

Ik vraag of het druk is. 'Nog niet’, zegt de man. 'Maar dit weekend zijn de feestdagen, dan kan er hier geen niks meer bij.’

'Hutjemutje’, zeg ik. Zijn gezichtsuitdrukking verandert niks. Of ik misschien een rondje over de camping mag lopen.

'De mensen zijn hier erg gehecht aan hun spullen.’

Over het grindpad komt een camper aangereden, hij houdt stil voor de slagboom. 'Daar heb je het al’, zegt de man. Hij komt overeind, drukt op een knop en de slagboom gaat omhoog, de camper rijdt stapvoets verder door tot voor de blokhut.

De man vraagt of ik ruimte wil maken. Ik loop naar buiten, denk aan de Polen die hier ooit woonden in hun stacaravans. Harde werkers. Ik benijd ze niet.

*OP EEN * geleende fiets rijd ik rondjes door Woerden. In mijn tas heb ik een exemplaar van de Gemeentegids Woerden 2011-2012, en een uitdraai van de cbs-publicatie Gemeente op maat. Meer heb ik niet nodig.

Jarenlang gold Woerden (vijftigduizend inwoners) als de meest gemiddelde gemeente van Nederland. Wanneer er van overheidswege werd geëxperimenteerd met bijvoorbeeld de invoering van de chipknip of de afschaffing van de eurocent deed Woerden dienst als proeftuin.

De cbs-publicatie is zeventig pagina’s dik, overal tabellen en cijfers, ingekleurde kaartjes en meer. Maar wat betekenen die cijfers? Wat zijn 410 Wajong-uitkeringen in een jaar? Hoe ziet 12,8 procent allochtonen, van wie 6,4 procent westerse en 6,4 niet-westerse eruit in de praktijk? Of een gemiddelde huishoudensgrootte van 2,45 personen? Of de gemiddelde afstand tot een café (1,3 km)? Dat vraag ik me af als ik langs het station rijd, richting centrum.

De expositie is verlengd, wegens succes vermoedelijk. Hij vindt plaats in de kelder van het kasteel, en heet In de gewelven. Dat is adequaat. Aan het begin van de vijftiende eeuw is het kasteel gebouwd. Het heeft lang dienst gedaan als gevangenis, en tot voor kort zat defensie erin, ze hadden er kantoren. Het enige wat nog in de verte aan defensie doet denken zijn de hangar-achtige hallen achter op het terrein. Nog niet zo lang geleden is het hele kasteel gerenoveerd. Er is nu horeca.

Via een trap betreed ik de kelder. De lucht is vochtig. In de bakstenen muren zijn grote schroeven geboord waar touwtjes aan vast zitten die elk een hoek van een op groot formaat kunstlinnen afgedrukte foto vasthouden. Hier en daar zit er een plooi in een van de doeken.

De tentoonstelling eert de maker, uitbater van een fotozaak in het centrum en '50 jaar lang stadschroniqueur’. Hij leerde het vak in het leger, vertelt hij in een interview, dat net als de foto’s op zo'n doek is afgedrukt. 'Ik wilde liever de donkere kamer in dan het leger.’

Het werd beide.

Op een tafeltje naast de trap ligt het gastenboek. Het staat vol met persoonlijke berichten aan de fotograaf: 'Dag Jaap, ik ben import, ik woon hier pas sinds 1972, dus het was even puzzelen, maar in één woord: geweldig!’

Dan de foto’s. Dorpsgezichten in zwart-wit, overwegend uit de jaren vijftig. Een veemarkt voor het arsenaal waar grote koeien kont aan kont staan te wachten tot ze weer de wei in mogen en waar de boeren met een -sigaarstompje in hun mondhoek onderhandelen over de prijs. Een klinkerweg met spelende kinderen op de stoep en een auto die een paard en wagen inhaalt. De man op de bok kijkt opzij. Koningin Wilhelmina in een open auto, een hand de lucht in, publiek dat zich verdringt langs de -straatkant en -achter de ramen van de huizen. Prins -Bernhard in een textielwerkplaats, een cynisch glimlachje om zijn mond, en vrouwelijke arbeiders met -hoofddoekjes die zijn aanwezigheid nauwelijks lijken op te merken en hun blik op hun werk gericht houden.

Ik ken die foto’s, ik heb ze nooit gezien maar ik ken ze van buiten.

Aan de grote tafel in het midden van de ruimte ga ik zitten en bekijk een foto van de haven, een paar jochies die in de weer zijn met hengels en een schepnet. Een man met een geruite pet en een vrouw in wandelschoenen lopen gearmd langs de foto’s. Af en toe blijven ze staan, de man wijst iets aan en vertelt wat. Ik speel met een affiche en wacht tot ze binnen gehoorsafstand zijn. Bij een foto van de straatweg richting Kamerik houdt het paar weer stil. 'Hier woonde opa’, zegt de man. Hij wijst naar een van de huizen. De vrouw mompelt iets. 'Dat is nu allemaal weg’, zegt hij.

De dag erop wandel ik weer door het centrum. Aan de Westdam zitten een paar oudere -mannen, ze monsteren de voorbijgangers. Een heeft zijn rollator omgekeerd tussen de bankjes gezet en zit erop. 'Dit was vroeger het stadhuis’, zegt hij. Ik denk aan de aantekeningen die ik gemaakt heb, de 13,7 procent inwoners van 65 jaar of ouder. Ik wil weten hoe het hier is.

'Het is hier prima’, zegt een van de mannen, hij rookt en ziet er het oudst uit van allemaal. 'Vroeger had je markt, die heb je nu nog.’ Hij noemt de dingen op die er vroeger waren, die er nu zijn. De andere mannen knikken. Ze komen allemaal uit Woerden, zijn er geboren en getogen, hebben er hun hele leven gewerkt. Ik vraag naar de proef met de eurocent. De oudste, die met de rollator, begint over de gulden, en vertelt dan ineens over zijn basisschool, die nog steeds bestaat. Ik vraag de weg.

Medium rc20120629woerden06

HET IS EVEN voor drie uur, op het afgesloten gedeelte van het plein is een meute kleuters in de weer met speelgoed en trapauto’s. Alle meisjes in rok. De kleuterjuf zit op een bankje voor de school met haar handen in haar jaszakken en de kraag tot bovenaan dicht. Het waait flink op het plein, nu en dan stuift er wat zand op.

De school is vernoemd naar Jan de Bakker, een vroeg-zestiende-eeuwse protestant die op bevel van Margaretha van Oostenrijk gevangen werd gezet en uiteindelijk op de brandstapel is gegooid. Daar zit je dan als kind. Iets anders dan 'De zevensprong’.

Langzaam verschijnen de ouders voor de school.

De school: baksteen en donkere kozijnen, alles gelijkvloers. Een soort gigantische bungalow, nergens trappen, dat scheelt ongelukken, daar is over nagedacht.

De juf staat op en roept de kinderen bij elkaar. Ze zingen een liedje: ’… was het zand van je handen, stamp je voeten op de grond…’ Ze gaan naar binnen.

Voor de school staan steeds meer ouders te wachten, een enkele grootvader of een zus. Veel fietsen met kinderzitjes. Geen van de moeders is echt knap, sommigen leunen op een kinderwagen of buggy, vermoeide gezichten. Niemand rookt.

Als de bel gaat, stormen de kinderen naar buiten, op hun ouders af. De juf volgt op een afstandje, ze praat een beetje met wat mensen. Een jongetje is zijn tas vergeten en rent weer terug. 'Buikpijn’, jengelt een meisje. Ze klampt zich vast aan haar moeders been.

Om kwart over drie is het plein leeg. Er zijn geen kinderen achtergebleven.

IK MOET OP ZOEK naar de achterbuurten, ik wil weten waar je beter niet kunt komen, waar het er ’s avonds ruig aan toe gaat. Ik vraag het in winkelcentrum Molenvliet. 'Tja’, zegt de vrouw die bij de poelier achter de toonbank staat. 'Ik zou het zo gauw niet weten.’ Maar er wonen hier probleemgezinnen, vertel ik haar, dat heb ik Stef Blok, fractievoorzitter van de vvd, zelf horen zeggen in de Tweede Kamer, laatst, op gehaktdag. Hij had het over Woerden, over de aanpak van probleemgezinnen en dat het geld niet altijd juist wordt besteed.

Goed.

Ik word naar de wijken met de flats gestuurd. 'Achter Tournoysveld, daar moet je wezen’, zegt de jongen die plakken ham staat te snijden. 'Bij de coffeeshop.’ Een ander zegt dat ik naar Molenvliet-West moet, IJsseloord.

Die avond rijd ik erheen. Een donker deel van de wijk waar de plantsoenen er onverzorgd bij liggen en er onkruid tussen de stoepen groeit. Het is rustig op straat, achter de ramen van de huizen op de woonerven flikkeren grote televisies. De flats zijn donker, maar het zijn amper flats, vier verdiepingen maar. Dat kun je toch geen flat noemen? Af en toe komt er een scooter voorbij. Is dit een achterbuurt?

Dan maar richting Tournoysveld, weer die flats die geen flats zijn, en kleine arbeiders-huisjes, zo te zien uit de jaren zestig. Alles is keurig. In de speeltuin tussen de hoogbouw zitten een paar jongens te blowen. Hun scooters zijn uitgeschakeld, ze drinken blikjes frisdrank. Of ze wel eens naar de coffeeshop gaan. 'Daar geven ze ons niet mee’, zegt een jongen met kleine pukkeltjes en een trainingsjack. Hun broer haalt voor ze, of een oudere vriend. Ze vinden het prima hier. 'Alleen een beetje weinig te doen.’ Of ik een hijs wil, vraagt een ander. Ik bedank hem met een schouderklopje.

Aan het eind van de Leidsestraatweg, waar je een brug over moet om richting Zegveld of -Bodegraven te gaan, zit in een wit geschilderd hoekpand coffeeshop De Steeg. Binnen is het lichter dan je zou verwachten. Twee mannen spelen een potje darts. Aan het tafelvoetbal staan een paar jongens, er wordt gelachen. 'Wij noemen ons geen coffeeshop, maar een -cannabistro’, zegt de man achter de bar. 'Wij hebben een functie in de buurt.’

Een paar dagen later is het stralend weer, ik fiets wat, heb gehoord over 'Waterrijk Woerden’, een nieuwbouwwijk aan de rand van de stad, in de richting van Harmelen. Het is woensdagmiddag en de basisschoolkinderen zijn vrij. Ze springen in de sloten, klauteren op surfplanken en gooien tennisballen naar elkaar.

Aan de rand van het meer blijf ik staan. Het is een uitgegraven meer, het zand is gebruikt om de wijk op te bouwen. Houten huizen op palen, een uitzicht alsof je in Noorwegen bent. Machines die verderop percelen afgraven, grote borden waarop een impressie van de toekomst is geprint. Kinderfietsen onder de carport.

Medium rc20120629woerden10

HET IS EXAMENTIJD, ook op het Minkema College. Op de trappen van Christelijke Ontmoetingsplek The Corner Stone, aan de overkant van de school, zitten jochies te roken. Ze dragen petjes en Vans.

Er wordt verbouwd. 'Hier was eerst het plein’, zegt een meisje in gymkleren. Ze wijst naar een betonnen constructie die verre van voltooid is. Dan laat ze me het sportveld zien. Alle leerlingen dragen een wit T-shirt en een blauwe broek, sommige meisjes hebben een knoop in hun shirt gelegd. Ze zitten in een kring en luisteren naar de docent. Er worden lintjes uitgedeeld en de leerlingen stuiven uiteen. Een potje voetbal, dat wil zeggen: de jongens rennen en de meisjes staan in kleine groepjes bij elkaar. Af en toe wijzen ze, naar de leraar, naar een van de jongens, er wordt gegiecheld en ze plukken aan elkaar.

Ik loop terug en wacht tot het pauze is, de ramen van de lokalen staan open. Een groepje jongens (klas h2a) komt naar buiten gestormd. 'Daar zijn de examens bezig, daar mogen we niet komen. Daarom staan we op de weg.’

'We hebben meegedaan aan de leukste school van Nederland’, zegt een joch met een beugel. Hij eet een broodje knakworst.

'Van Radio 538 was dat’, zegt een ander.

'Ze kwamen met een limo en shit.’

'We werden tweede.’

'We hadden de leukste leraren.’

Hun aandacht wordt getrokken door een jongen die langs komt fietsen. Als hij op de hoek van de straat is, roept hij heel hard 'dikke’ tegen de jongen naast me.

Ik bekijk hem. 'Dat zijn de stoerste gasten’, zegt hij. 'Die roepen pas als ze de hoek om zijn.’ Hij knijpt een pakje drinken leeg en stampt het kapot op het asfalt. Zijn vrienden lachen.

Deze jongens moeten nog een paar jaar.

OP DE STOEP, aan houten tafels onder een grote parasol, zitten vijf mensen, ze drinken koffie en lezen de ochtendkranten. Af en toe maakt iemand een opmerking bij een artikel of een foto. Op een bord staat: 'Stilteruimte, 0 euro’. Op de gevel van het pand staat in rode letters 'degebedswinkel.nl’. Ik knik naar de mensen.

Binnen is het koel. De steunkleur is groen, felgroen zoals vroeger bij Yorin, die tv-zender. De deuren zijn groen, op de bar staan groene bakjes met suiker en melk, de zittingen van de krukken zijn groen. Allemaal hetzelfde groen.

Aan de muur hangt een bord met briefjes. Dankzeggingen voor gebeden die zijn verhoord en verzoeken voor gebed. Op een van de briefjes staat: 'Bid voor Bram, een verloren schaap. Hij is in een verkeerde relatie.’

'Wil je koffie?’ De vrouw achter de bar kijkt me vriendelijk aan en bereidt mijn koffie in alle rust. Ik ga buiten zitten, bij de anderen. Wat dat is, vraag ik, een gebedswinkel.

'Een café’, zegt een man in camouflage-kleding. 'We gebruiken geen drugs en drank, maar verder is het een gewoon café.’

Een ander lacht.

Ik informeer naar het bord, dat met de gratis gebedsruimte. Direct stelt een vrouw voor om me rond te leiden. Ze heet Ria.

Mijn koffie heb ik nauwelijks op, ik volg Ria naar binnen. Achterin is een trap. In de gebedsruimte staat een bank met groene kussens, er ligt een stapeltje bijbels, stukgelezen. Op de muur is met schoolbordverf een groot kruis geschilderd waarop mensen met krijt hun boodschappen hebben geschreven.

Ria gaat in de vensterbank zitten, voor het open raam, de zon achter haar. Ik neem plaats op de bank. Ze vertelt over hoe ze Jezus heeft ontmoet, dat ze een lastige puber was en dat het toen gebeurde. Ze zegt: 'Huwelijken gaan kapot, maar Jezus blijft altijd bij je.’

Ik knik.

Als ze vertelt, begint ze te glunderen. Ze wrijft met haar handen over haar bovenbenen. Ze vraagt: 'Mag ik voor je bidden?’ Stevig pakt ze mijn handen vast en sluit haar ogen. Van buiten klinken stemmen, maar na een tijdje hoor ik ze niet meer, ik concentreer me op de stem van Ria, hoe ze Jezus uitnodigt om mij in zijn heerlijkheid te ontvangen.

Als we onze ogen weer openen, kijkt Ria me aan. Ze straalt. 'Ik denk dat jij Jezus wel gaat vinden’, zegt ze. 'Hij heeft jou in ieder geval al gevonden. Hij is je vriend.’

Buiten nemen we afscheid. 'Geef me een hug’, zegt ze. Dat woord gebruikt ze: hug. Ze heeft zachte schouders en een warme rug.

Met de zon in mijn gezicht en mijn fiets aan de hand loop ik door de Rijnstraat, via het oude stadhuis naar het Kerkplein. Het is markt, overal lopen mensen, ze bekijken de waren, laten fruit door hun handen gaan alvorens tot aankoop te besluiten. Kinderen spelen met konijnen die in een geïmproviseerd hok van balen stro in het rond hupsen. Bij de viskraam staat een jong ventje met een ranzig schort voor haring te prepareren.

Voor de Petruskerk ga ik op een muurtje zitten. Het is nog ochtend en er is voor mij gebeden, de bezoekers van de markt kijken vriendelijk en er zijn geen achterbuurten.

Dit is Nederland, dit is Woerden.

Dit is nu.


Zomerschrijvers

Zes jonge schrijvers trokken op verzoek van De Groene Amsterdammer het land in. We vroegen ze geen verhaal, maar een literaire reportage die inzicht geeft in het Nederland van nu. Deze week Martijn Simons, die in 2010 debuteerde met de roman Zomerslaap. De komende weken volgen Merijn de Boer, Bart Koubaa, Ivo Victoria, Philip Huff en Franca Treur.