`het is in gods handen of er in iran iets verandert’

In de Openbare Bibliotheek van Amsterdam is nog tot half juni een fototentoonstelling te zien van foto’s die Michiel de Ruiter en Robbert Bodegraven in Teheran en twee Iraanse dorpen maakten. Prinsengracht 587, Amsterdam.
Na vijftien jaar islamitische revolutie wordt er gemord in Teheran. Over de prijsstijgingen, over de politici. Niet over de geestelijkheid. Bericht uit de bazaars en de theehuizen.

TEHERAN - ‘Het is triest’, zegt Abbas. 'Ze zingt, maar het is een gekooid lied. Ik zou het deurtje willen openen, haar de vrijheid geven.’ Hij kijkt weemoedig naar de vogel achter de tralies, die voor het Iraanse theehuis in de bazaar van Teheran haar gezang door de lucht strooit. 'Ze leeft als ik: opgesloten, getralied in een land waar je je vleugels niet kan uitslaan.’ Kazem, net als Abbas een trouw bezoeker van het theehuis, is het niet met zijn vriend eens. 'We kunnen haar niet vrijlaten’, zegt hij. 'Ik had ook een vogeltje. Op een dag liet ik haar gaan, ze kon de wijde wereld in. Maar na een paar dagen kwam ze terug naar het kooitje in mijn tuin. Ze kon niet voor zichzelf zorgen, ze had haar tralies nodig.’ Abbas schudt van nee en maakt een gebaar naar de strak blauwe Iraanse hemel. 'Ik red me wel’, fluistert hij. 'Hoe meer ruimte, hoe beter.’
Als we een van de oostelijke poorten van de bazaar uitlopen, raast het verkeer ons tegemoet. Het zonlicht schittert op het asfalt, dat onophoudelijk wordt geteisterd door gierend rubber van brommers, motoren en auto’s. We nemen een taxi naar een rustiger stadsdeel en belanden noordelijker in Bahjat Abad. De muren in de straten van Teheran zijn opvallend kaal. Vanaf de wederkeer van ayatollah Khomeiny in 1979 hoorde het tot de plaatselijke folklore dat, waar mogelijk, de stad werd opgesierd met aansporingen tot trouw aan de islamitische revolutie en haar leiders. Ze zijn nu opvallend afwezig. De enorme portretten van de Grote Leider Khomeiny en de Nieuwe Leider van de Natie, Khamenei, sieren nog menig flatgebouw, maar het enthousiasme lijkt er een beetje af.
In het rijke noord-Teheran duikt sinds kort wel een nieuwe leus op: 'Weg met de sjah’, staat er hier en daar te lezen. De Iraniers weten maar al te goed dat deze hartekreet niet op de afgezette sjah slaat, maar aan het adres van de zittende president Ali Hashemi Rafsanjani is gericht. De regeringsleider heeft het volgens veel Iraniers lang genoeg voor het zeggen gehad. Zeker de meer welgestelde inwoners in de noordelijke wijken van de hoofdstad wensen een andere politieke voorman. ’s Avonds flaneert de nouveau riche er langs de goed gevulde etalages van juweliers, vol goud, zilver en diamant. Jonge stellen kopen gretig de kostbare parafernalia, die terstond onder de chador uit het zicht verdwijnen. Op straat houden ze zich nog aan de islamitische wet die de kleding van vrouwen voorschrijft, maar de weerzin laat zich aflezen aan de subtiel aangebrachte make-up, de modieuze schoenen en de net iets te ver naar achteren gezakte hoofddoek.
'De yuppen van Teheran’, noemt een Iraanse fotograaf ze. 'Ze leven in het pre-islamitische tijdperk. Op straat houden ze zich noodgedwongen aan de voorschriften, thuis leven ze als westerlingen. Ze dragen westerse spijkerbroeken, geven feesten waar de whisky vloeit en luisteren naar de nieuwste Amerikaanse muziek. Ze hebben zich afgekeerd van de politiek en zijn alleen nog geinteresseerd in hun eigen welzijn. Ze zeggen een hekel te hebben aan Rafsanjani en aan Khamenei, maar voor een revolutie moet je niet bij hen zijn.’
TERUG IN DE BAZAAR van Teheran gonst het. Mensenslierten banen zich een weg door de overdekte straten. De lichtzuilen uit de gaten in het dak vallen op de koopwaar: fruit, groente, stoffen in alle denkbare dessins, keukengerei, naaimachines en tapijten. 'Mister, mister’, sist een jongen, en hij maakt duidelijk dat we mee moeten komen naar zijn nering waar de Perzische tapijten manshoog opgestapeld liggen. We verontschuldigen ons en gaan het theehuis binnen.
Abbas vertelt dat ook hij het vertrouwen in Rafsanjani verloor. Nee, hij hoort niet bij de rijke stedelingen, hij heeft weinig geld en dat ziet hij ook nog eens door de inflatie bijna dagelijks in waarde verminderen. Maar hij is ook niet zozeer uit op de grote rijkdom van de mensen in het noorden; hij wil alleen wat meer vrijheid. Daarvoor moet er iets ingrijpend veranderen, betoogt Abbas.
Hij is niet de enige. Op straat gaat de klaagzang op de onbetaalbaar wordende levensmiddelen gepaard met de verzuchting dat het onder de sjah allemaal veel beter was. Toen was er werk, voldoende eten en geld. En er werd minder in het priveleven van de Iraniers ingegrepen. Nu zijn er de islamitische wetten, die veel van het dagelijkse leven aan voorschriften onderwerpen. Maar ook Kazems angst dat een grotere vrijheid tot de ondergang zal leiden, leeft bij veel Iraniers. Ze herinneren zich nog de bandeloosheid in de tijd van de sjah, waarin de sji'itische waarden werden geofferd aan de macht van mammon.
Abbas en Kazem zijn het over een ding eens: de ulama, de islamitische geestelijkheid, moet de leiding geven. Je kunt kritiek leveren op de wereldlijke leiders en hun slechte beleid, maar de schriftgeleerden moeten hun macht houden. Vooral voor de armere Iraniers is dat precies de reden om niet te fel in verzet te komen. Beter een slechte regering dan een vertoornde Allah. En zo vinden de Abbassen en Kazems elkaar - ze verschillen van mening over het politieke leiderschap, maar onderwerpen zich aan het woord van de koran. Ook zij zullen geen revolutie ontketenen.
Rond de bazaar in zuid-Teheran heerst de gebruikelijke drukte. Het verkeer is chaotisch en luidruchtig. Mensen drommen met meloenen onder de armen of tassen vol verse komkommers over de trottoirs. De vrouwen dragen lange jassen en hoofddoeken. Sinds de controle op de chador, het kleed dat de vrouwen van Iran in zwarte nonnen verandert, minder streng is, zijn veel Iraansen overgestapt op lange mantels en gekleurde hoofddoeken. Het is een van de voorzichtige vormen van verzet die door de komitehs, de islamitische politie, wordt bestreden. Met een zekere regelmaat zijn er razzia’s op vrouwen in overtreding.
IN EEN RUSTIGER straat staat een groep vrouwen voor een warenhuis. Een van hen vertelt dat ze wacht tot de winkel opengaat en ze eieren kan kopen; die zijn hier goedkoper dan elders. Ze is afgekomen op de aanbieding. Iedere rial die kan worden bespaard, houdt ze in haar portemonnee, de prijzen zijn al hoog genoeg. Dan komt er een lid van de pasdaran aanlopen, een afdeling van de Iraanse politie. Hij doet een poging de rij vrouwen te ordenen; ze moeten netjes achter elkaar gaan staan en niet zo samenklonteren, vindt hij. De vrouwen denken daar anders over en een oude dame in zwarte chador loopt op hem toe. Ze duwt hem ruw opzij en zegt dat hij zich er niet mee moet bemoeien. Dat ze zelf wel kan bepalen of ze in een ordelijke rij wil staan of wil dringen voor een winkel. De jongen van de pasdaran, zo'n jaar of twintig, maakt zich onthutst uit de voeten. In de beginjaren van de revolutie zou de actie van de oude dame goed zijn geweest voor standrechtelijke executie op de hoek van de straat. Nu wint ze het van de pasdaran.
In het theehuis zitten Abbas en Kazem aan de thee, een klontje suiker tussen de kiezen, waarlangs ze de thee slurpen. Kazem reageert laconiek op ons verhaal over de gevluchte pasdaran. Hij gelooft niet zo in een groeiend Iraans verzet. Zelf zal hij er in ieder geval niet aan meedoen, verklaart hij. De politiek laat hij liever aan de politici over. En hij is blij dat Rafsanjani het land regeert, benadrukt hij nog maar eens.
Dan komt de plaatselijke mollah binnen en stokt het gesprek. De geestelijke zoent de aanwezigen op beide wangen en loopt naar het tafeltje waar eigenaar Nasser een hoekje heeft ingericht voor de verkoop van zijn ringen, munten, postzegels en andere snuisterijen. De man Gods bekijkt keurend een oud zwaard. Hij houdt het in zijn handen en ziet er, met zijn zwarte tulband en idem jurk, uit als een middeleeuwse Perzische ridder. De fotograaf staat op om een foto te maken, maar als de mollah dat merkt, wordt hij woedend. Hij vaart uit tegen Kazem.
Na een verhit gesprek vertelt Kazem ons wat het probleem is. De mollah voelt zich aangevallen en wil niet worden gefotografeerd. Hij had Kazem op het hart gedrukt dat hij ons niet kon vertrouwen, we zijn immers westerlingen en dus uit op de vernietiging van de islam. Kazem had geprobeerd ons te verdedigen, maar de mollah was niet te overtuigen. 'Hij is zo ontzettend dom’, verzucht Kazem, 'dit soort mollahs zijn een plaag voor ons.’
Ondertussen voert de geestelijke het woord temidden van wat omstanders. Op dwingende toon verklaart hij een deel van de geschiedenis van de islam. Hoewel de mannen in het theehuis daarnet nog geamuseerd of zelfs spottend naar de mollah hadden geluisterd toen hij protesteerde tegen de fotograaf, zijn ze nu een en al oor. Een mollah die predikt heeft gezag, zo iemand onderbreek je niet. Ook Kazem niet. Toch herhaalt hij, als de mollah is vertrokken, zijn ergernis over de stupiditeit van de geestelijke.
DE GEVOELIGHEID voor de autoriteit van de geestelijkheid is groot. Klagen over de slechter wordende leefomstandigheden mag, afgeven op de politiek ook, maar het parool blijft 'Insjallah’ - zoals Allah het wil.
Dat wordt de dag daarop nog eens onderstreept. Het vrijdagsgebed op het terrein van de Teheran Universiteit is druk bezocht. Honderden mannen luisteren binnen de universiteitsmuren naar de woorden van de voorganger. Buiten zijn de straten gevuld met vrouwen. Zij zitten achter doeken, afgeschermd van de mannen, en luisteren naar de preek die uit de luidsprekers schettert. De kleedjes van de mannen die geen plaatsje vonden op het plein van de universiteit, liggen richting oosten.
Als de toespraak van de ayatollah is afgelopen, stromen de mensen naar buiten. De mannen naar de ene kant, de vrouwen naar de andere. Emotioneel, bezield door de woorden van de geestelijke - en niet in de laatste plaats geinspireerd door de aanwezigheid van een paar westerse journalisten - ontstaat een demonstratie. De sliert mannen aan de ene kant en de stoet vrouwen aan de andere kant zijn eensgezind in hun leuzen: 'Dood aan Amerika, dood aan Israel.’ De geestdrift van enkelen doet denken aan de eerste dagen van de revolutie. Alleen de massaliteit van toen is weg.
Als de meeste mensen huiswaarts zijn, komt een man van een jaar of zestig naar ons toe. 'Wilt u mij misschien interviewen?’ vraagt hij. Zonder een vraag af te wachten, steekt hij van wal. Dat hij iedere vrijdag naar de universiteit komt, om onderricht te krijgen in de leer van de koran. Al sinds de eerste dagen van de Grote Leider ayatollah Khomeiny. En hij heeft zojuist ook meegelopen met de demonstratie.
Is hij de islamitische politiek, die het leven in Iran zo moeilijk maakt, dan nog niet zat, vragen we hem. 'De politiek is slecht’, antwoordt hij, 'er moet veel veranderen, maar de islamitische republiek moet blijven bestaan. Het is onze plicht daarvoor te vechten, ons te verdedigen tegen de vijand.’ Daarmee bedoelt hij de Verenigde Staten, Israel maar ook de rest van het Westen. Zij werken de verspreiding van de islam tegen, en daar zal hij zich, samen met veel van zijn landgenoten, tot het uiterste tegen verzetten. Als er een oorlog voor nodig is, dan maar een oorlog. Maar de opkomst van de islam is niet te stuiten.
De volgende dag vinden we Abbas en Kazem zoals gewoonlijk in hun theehuis in de bazaar. Abbas stalt op een tafeltje zijn handelswaar van die dag uit, ringen, dolken en een paar horloges. Over politiek willen ze het vandaag niet hebben. 'Rafsanjani regeert voorlopig nog en daarna zien we wel verder’, zegt Abbas schouderophalend. Maar hoe zit het dan met zijn vrijheidsdrang?
'Het is in Gods handen of er iets in Iran verandert’, antwoordt hij, 'het is in Gods handen of ik mijn vrijheid krijg.’ Kazem knikt instemmend en samen drinken ze nog een kopje thee. De stilte in het theehuis wordt slechts doorbroken door het lied waarmee de gekooide vogel de ruimte vult.