INTERVIEW MET MARCEL BEEKMAN

‘Het is kop dicht en zingen’

Tenor Marcel Beekman – die onder meer optrad in Calliope Tsoupaki’s Lucas Passie en Jan Rots Mattheus Passie – zong tot voor kort ‘gewoon’ in het Nederlands Kamerkoor. ‘Een oude vriend van me zei: Sallands haantje, kraai toch lekker solo.’

IN HET AMSTERDAMSE Muziekgebouw hoorde ik tijdens het Holland Festival een stem uit duizenden de Christus-rol in de Lucas Passie van Calliope Tsoupaki zingen. Die stem droeg met gewichtloze intensiteit de merkwaardig opstijgende lijnen die Tsoupaki voor haar Christus had geschreven, melodieën die hun extatische bekroning vonden in de hoge tonen van een lijden dat natuurlijk ook bevrijding is en navenant gespleten klonk, verzaligd en gepijnigd tegelijk. De gespannen stasis van die lang aangehouden topnoten, roerloos als sterren aan de hemel, was een compositorische meesterzet. Maar het was ook de stem die maakte dat ik de muziek zo kon ervaren als Tsoupaki haar bedoeld had. Het was een merkwaardige, hoge tenor met een volstrekt eigen, blank geluid. Dat was dus Marcel Beekman en ik wist niet dat er in Nederland nog zangers waren die dit konden.
‘Genot’ is een verpestend woord. Het staat voor collectief beleefde, afgevlakte Hollandse verrukking: wij genieten. Maar dit kwam in de buurt van wat genot moest zijn geweest vóór het een geurig kopje Douwe Egberts of een midweekarrangement in Drenthe ging betekenen. Zou Beekman, vroeg ik me af, zelf hebben ervaren wat hij opriep?
Mensen verrassen zelden. Deels omdat ze het niet willen, deels omdat ze het zo zelden kunnen. Er zijn zelfs grote musici die nooit verrassen. Dat is omdat ze doen wat je verwacht, groots musiceren, en omdat hun opvatting van grootheid eist dat ze zich niet verliezen. Bij Beekman, in die Lucas Passie, leken objectieve weergave en subjectieve overgave niet zozeer verenigbaar als identiek. Hij gaf reliëf aan Friedrich Schlegels motto boven Schumanns Fantasie Op. 17 voor piano: ‘Durch alle Töne tönet/ Im bunten Erdentraum/ Ein leiser Ton gezogen/ Für den, der heimlich lauscht’.
Excuses voor de lyrische ontsporing. Zie die grote woorden als een schuldbekentenis. Inzake Beekman had ik beter moeten weten. Marcel Beekman (1969) is in het Nederlandse en, in toenemende mate, het buitenlandse muziekleven geen onbekende meer. Als jongenssopraan was hij dat als kind al, toen hij na het winnen van een lokaal songfestival in het Scheveningse Circustheater optrad en zelfs platen opnam. In zijn latere incarnatie van tenor was hij de evangelist in de door Jan Rot vertaalde Mattheus Passie. In de vertaling van Jan Rot zong hij ook Zomerreis, de Nederlandstalige Schöne Müllerin van Schubert. Hij nam de cyclus op voor Deutsche Grammophon.
Naast oude muziek, Bach voorop, zingt Beekman veel nieuwe, en veel daartussenin. Dit jaar debuteerde hij bij het Koninklijk Concertgebouworkest in de Matthäus Passion onder leiding van Iván Fischer. Hij had een piepkleine rol in Andriessens filmopera La commedia. In de herfst gaat hij met het Orkest van de Achttiende Eeuw onder Frans Brüggen op tournee voor een reeks uitvoeringen van Rameau’s Les indes galantes. Intussen bereidt hij zich voor op zijn rol in de opera Eine Marathonfamilie van de Servische componiste Isidora Zebeljan, die in een productie van de Neue Oper Wien zal klinken in Bregenz, Belgrado en Wenen.

Tot voor kort zong Beekman gewoon – of noem dat maar gewoon – in het Nederlands Kamerkoor, veertien jaar lang. Tot de urgentie van zijn muzikale missie hem tot een drastische beslissing inspireerde: weg daar.
Marcel Beekman: ‘Ik was de groepsdynamica zat. Ik merkte dat bepaalde artistieke processen zich herhaalden. Dat het te vaak alleen maar ging over de problematiek van de vaste aanstelling. Ik heb het veertien jaar lang gecombineerd met solozingen. Maar ik ben nu bijna veertig. Mijn agent zei: als je nog iets wilt, moet je het nu doen.’
Er kwam nog iets bij. Een sterfgeval. ‘Een oude vriend van me, Jan van der Wal, stierf in mijn armen. Voordat hij in de laatste maanden zeer snel aftakelde, had hij iets belangrijks tegen me gezegd: Sallands haantje, kraai toch lekker solo. Alles wat de afgelopen tijd in mijn leven is gebeurd heeft arsis thesis hiertoe geleid. Ik ben een eigen bedrijf begonnen, Blaeubeeck, dat zich richt op dienstverlenende activiteiten op het gebied van de klassieke muziek en mijn carrière faciliteert. Ik heb nu een plek waar ik mensen kan ontvangen en zangers kan coachen – iets waar ik vaker voor gevraagd ben, en wat ik altijd heb afgehouden.’
Nu is hij ook docent. Hij geeft liedmeesterklassen voor zangers van het Utrechts Conservatorium. Een cursus over de interpretatie van aria’s van Bach, ook voor instrumentalisten, ‘omdat die instrumentale partijen in wezen zangpartijen zijn. Met zangers praat je over de frasering, die zodanig moet zijn dat het tekstueel allemaal klopt.’ Na de barokmasterclass die hij vorig jaar december in Teheran gaf, staat een vergelijkbaar project in Syrië op de agenda. ‘Erg interessant. Ik zing dan bijvoorbeeld aria’s van Bach, begeleid door lokale orkestmusici die wel een professionele opleiding hebben gehad maar onze kamermuziektradities totaal niet kennen.’
Wat Beekman wil overdragen is zijn plichtsbesef: ‘Je hebt als musicus niet het recht om voorbij te gaan aan de inspiratiebronnen van de componist. Dat zou godvergeten arrogant zijn. Zelf wil ik ook niet dat mensen denken: wauw, dat is Marcel. Ik wil dat ze denken: wat een geweldig stuk. Je bent een medium, dat staat voorop.’
Een medium kan twee dingen. Dienen. En celebreren, als een doorgeefluik tussen het goddelijke en het ondermaanse. Wie was hij, in die Lucas Passie?
‘Muziek, dat is iets… energetisch. Niet iedereen is ontvankelijk voor de impulsen die op een podium moeten komen. Het is niet “jij” die daar staat. Als mensen vlak voor opkomst praten over dingen die met muziek niets te maken hebben, word ik razend. De ervaring die ik had met de Lucas Passie was zo’n dreun voor m’n hersens dat ik na afloop heb gehuild – van geluk.’
En al hoorde je dat er niet aan af: het was veroverd, bevochten geluk: ‘Het eerste deel is zo verrekte lastig met al die registerwisselingen, zo ontzettend hoog. Calliope wilde dat ik klonk als een kapot gezongen rockzanger van The Scorpions. Dan moet je het wel anders doen, zei ik. Maar in het tweede deel dacht ik: ik sta er toch? Laat ik me eens concentreren op wat ik nu zo mooi in de muziek vind. En toen kwam het. Als in zo’n transcendente, mantra-achtige setting zo’n toon steeds hoger wordt, is op een gegeven moment ook je tekstbewustzijn even weg. Dan hoor je alleen nog frequenties, toon en merk je wat een lichte, hoge stem kan bewerkstelligen met een focus op die hoge tonen. Het zijn gewaarwordingen die via je fontanel je hoofd verlaten en de ruimte in gaan. Waarom zeg ik fontanel? Het is iets heel kinderlijks, misschien.’
Daarover later. Eerst het vak. Dat is bouwen. Rustig opbouwen. Rustig klimmen. Ademen, zoeken en vinden. ‘Het gebeurt vaak dat een eerste inzet of toon overgeplaatst is. De repetitie is voorbij, we staan op het podium. En beseffen niet dat we eerst even moeten inademen. Dat is ook moeilijk in een maatschappij die alleen maar hectiek kent en waarin iedereen om de twee minuten naar z’n mobiele telefoon grijpt.’
Dan moet je je in het muziekleven van nu slecht op je gemak voelen.
‘Niet als je keuzes maakt, zoals ik dit seizoen heb gedaan.’ Niet als je iemand hebt zien sterven en inziet dat je niet als conformist het leven wilt verlaten in een kist vol gemiste kansen. ‘Ik heb dat altijd zo gevoeld maar ik heb me altijd aangepast. Het is interessant om te zien wat er gebeurt als een mens aftakelt en je na drie weken ja mag zeggen als ze vragen of de stekker eruit mag.’ Nogmaals zegt hij: ‘Ik heb het in één keer omgegooid. Een ensemble kan zo remmend werken. Jolivets Epithalame – majesteitelijk om mee te maken.’
Minder majesteitelijk: zijn toenemende overgevoeligheid voor de dagelijkse confrontaties met het menselijk tekort, die overgevoeligheid inbegrepen. ‘Mensen die niet op maandagochtend meteen een hoge bes zingen, ik vind het moeilijk. Mijn stokpaardjes van verstaanbaarheid en tekstarticulatie. Ik zou het niet begrijpen als een koor zangers aannam die het Frans onvoldoende beheersen.’

Geluk kan ontstaan uit het tegendeel van geluk. Het overwinnen van weerstanden, bijvoorbeeld. Uit wat soms erg op lijden lijkt: een heilig moeten.
Marcel Beekman: ‘Ik zong oud-Nederlandse liederen van de componist Jacques Beers. Heel onschadelijke muziek. Je kent dat wel: de melodieën intact laten en er dan iets anders onder zetten. Nu daeghet in den Oosten: ik dacht, hoe ga ik dat in godsnaam zingen? Maar het is mooi geworden. Omdat ik het serieus heb genomen. Doe je dat niet, dan blijft het buitenkant. De noten kunnen naïef zijn, de structuur kan haperen – het is aan mij er iets goeds van te maken. Al ben ik wel blij dat ik afgelopen jaar ook heel andere Nederlandse muziek heb uitgebracht, zoals And Trees Would Sing van Martijn Padding, een uitstekend werk voor tenor en trombonekwartet.’
Zingen is ontzettend simpel, in de kern.
‘Ja. Het is kop dicht en zingen. Hoe meer je gaat frunniken aan technische problemen – hoe moet ik de hoogte in, dat soort dingen – hoe erger het wordt. Je moet je wel kunnen aanpassen aan wat jouw instrument je meegeeft. In mijn geval zijn dat de hoogte, de helderheid, de ronding in de toon – het frequentieboogje dat die toon z’n randje geeft. Ik houd niet van opgesmukt. Dan moet ik zingen zoals ik niet ben. Dat is onaangenaam. Weet je wat er gebeurde toen ik dit jaar onder leiding van Iván Fischer in de Matthäus zong bij het Concertgebouworkest? Ik zong alleen de Geduld-aria. Fischer wilde dat ik die actief en bijna agressief zou zingen, terwijl ik hem altijd als een contemplatie heb opgevat. Ik heb me laten meeslepen door zijn enthousiasme. Maar ik was niet gelukkig. Hij had het te fel gemaakt en dat wil ik niet.’
Toch wil hij niet eenkennig zijn. ‘Mij is gevraagd waarom ik in godsnaam Schuberts Schöne Müllerin en Bachs Matthäus in het Nederlands zing. Ik vind het nog mooi ook, als ik daarmee een publiek bereik dat anders niet bereikt zou worden.’
Kop dicht en zingen. Beekmans eerste, bepalende muziekherinnering gaat zo: ‘Ik ben zeven jaar. Op een binnenplaats in een Italiaans stadje vlakbij Verona, waar kennissen van mijn ouders woonden, beklim ik net voor het dessert de tafel waaraan we eten. En zing O sole mio. Er is nog een cassettebandje van, waarop je Gianni, een vriend van de familie, hoort gillen: “Marcello, grande artista!” Waarom ik het deed? Ik weet het niet. Het was er.’ Het kinderlijke fontanelgevoel, wellicht. En het ging niet meer weg.
‘Kort daarop hoorde ik l’Oiseau et l’enfant, het liedje waarmee Marie Myriam in 1977 het Songfestival won. Ik zong het de hele dag. Ik deed auditie voor het Grand Gala des Enfants en mocht zingen in het Circustheater van Scheveningen. Dat is grappig: daar is een tv-opname van. Hans Flupsen vroeg me in het programma Vrije geluiden: wat voel je als je jezelf zo ziet? Dat er niets veranderd is, denk ik. Behalve dat ik nu alleen doe wat ik zelf wil.’