In de val in Idlib

‘Het is mijn droom dit te overleven’

De luchtaanvallen op de provincie Idlib door de Syrische regering en haar bondgenoten gaan maar door. Doelwit: burgers, scholen, ziekenhuizen, reddingswerkers. ‘Ik kijk de dood in het gezicht met alle kracht die ik in me heb.’

Syrië, Idlib, Maar Shurin-district, 10 juni © Izeddin Idlilbi / Anadolu Agency / HH

Het is rond negen uur ’s avonds als Amany al-Ali zich per Messenger meldt. ‘Het is vreselijk. Weer zo veel doden vandaag.’ De 35-jarige al-Ali woont in Idlib in Noord-Syrië waar de oorlog sinds maart weer in alle hevigheid is opgelaaid. ‘Het is wachten op de dood die elk moment kan komen.’ Haar foto op Facebook laat een kamer zien met een houder potloden op een kleine houten tafel, een schildersezel en schetsen aan de muur.

Terwijl het Russische en Syrische leger bombardementen rond haar woonplaats uitvoeren, pakt al-Ali haar tekengerei. Zo schetste ze enkele uren eerder nog een zwart vliegtuig dat vatbommen vol dynamiet verpakt in snoeppapier afwerpt. ‘Eid in Idlib’, luidt haar tekst in het Arabisch. Het Suikerfeest is dan net begonnen.

De potloden en penselen van al-Ali sparen geen van de strijdende partijen. ‘lk teken wat er om me heen gebeurt: de machthebbers die opdracht geven tot het bombarderen van mijn stad, de gewapende groepen die beweren dat ze onze religie delen terwijl ze er alleen maar op uit zijn om geld af te persen.’ Ook de wereld die dag in dag uit toekijkt bij de oorlog in Syrië, krijgt ervan langs. ‘Wat heeft jouw berichtgeving nog voor zin? De oorlog is al acht jaar gaande en niemand grijpt in.’ Die boosheid en frustratie spreken ook uit haar tekening van 29 april 2019. Terwijl bommen gebouwen tot puin verpulveren, steekt een struisvogel zijn kop in een berg schedels. ‘The world’, wijst een pijltje.

De Verenigde Naties noemen de recente aanvallen de ergste van de afgelopen vijftien maanden. Er vielen al honderden doden. Ongeveer driehonderdduizend mensen vluchtten naar het noorden tegen de grens met Turkije. Volgens de Syrische ngo Alliance die in Idlib werkt, bivakkeert meer dan twee derde van deze ontheemden in de open lucht tussen de olijfbomen. Vrijwel zonder toegang tot schoon water en medische hulp. Anderen namen hun toevlucht in gebouwen die onder constructie zijn, in tenten of in overvolle kamers.

Turkije, dat al ongeveer vier miljoen Syriërs opnam, houdt de grens hermetisch gesloten. Langs de drie meter hoge muur wordt gepatrouilleerd met pantservoertuigen die door de Europese Unie zijn gefinancierd. De sensoren op de camera’s van de vehikels zijn zo gevoelig dat ze ook in het pikkedonker al op kilometers afstand mensen kunnen detecteren. De grens oversteken via de enkele sluiproutes die bij mensensmokkelaars bekend zijn, is daardoor een levensgevaarlijke exercitie geworden.

De humanitaire nood in Idlib wordt nog vergroot doordat graanvelden in brand staan – volgens satellietfoto’s gaat het om een gebied van zo’n vierhonderd vierkante kilometer. Vanwege de droogte en hitte vatten de akkers makkelijk vlam als bommen inslaan, maar er zijn ook aanwijzingen dat een deel van de branden aangestoken is.

Toen de troepen van president Assad zich vorig jaar september opmaakten voor een offensief om de provincie in te nemen, sloten Poetin en Erdogan een overeenkomst voor het instellen van een bufferzone, een 25 kilometer breed gebied in Idlib en delen van het aangrenzende Latakia, Aleppo en Hama. Turkije zette twaalf observatieposten op en beide landen patrouilleerden. Die de-escalatie bestond van meet af aan vooral op papier. De extremistische groep Hayat Tahrir al-Sham (hts) ging de strijd aan met andere rebellen in het gebied en ook het Syrische leger en hts bestookten elkaar met regelmaat. Eind april lanceerden de Syrische regering en haar Russische bondgenoot vanuit het zuiden een offensief om strategisch gelegen delen van Idlib en het aangrenzende Noord-Hama te heroveren.

Cartoon van Amany al-Ali uit het boek ‘Cartooning Syria’

Artsen en reddingswerkers maken deze weken overuren. Het kost moeite oude contacten te vinden die tijd hebben om vragen te beantwoorden. Ismail Alabdullah, die op het platteland van Idlib en West-Aleppo als reddingswerker voor de organisatie Syria Civil Defence werkt, reageert maar kort. ‘Ik ben oké. Dank je.’ De foto’s die hij post vertellen de rest van het verhaal. Een oudere man die zittend op de grond een kartonnen doos omklemt. ‘Idlib vandaag. De overblijfselen van een van de slachtoffers’, luidt het onderschrift. Op 6 juni een foto van een hand die een peutervuistje vastheeft dat uit een bebloed truitje steekt. Daarbij Alabdullahs commentaar: ‘Dit gebeurt al acht jaar elke dag, een vader die zijn kind vaarwel zegt.’

Nadat Syrische strijdkrachten en Russische troepen eind 2016 het oostelijke deel van zijn woonplaats Aleppo binnentrokken, vluchtte Alabdullah naar het platteland. In een telefoongesprek van een jaar geleden voorspelde hij: ‘Het zal een volgende keer erger worden. Dan zitten we in de val.’ Zijn stem klonk mat en haperde af en toe. Zijn droom om leraar Engels te worden had zich verruild voor een urgentere: ‘Het is mijn droom dit te overleven. Met mijn vrouw en twee maanden oude dochtertje Leah.’

‘Dit gebeurt al acht jaar elke dag, een vader die zijn kind vaarwel zegt’

Obada Zekra, het hoofd van de Syria Civil Defence in Maarat al-Numan dat tussen de stad Hama en Idlib in ligt, reageert uitgebreider. ‘Burgers, ziekenhuizen en onze centra worden gebombardeerd. Vandaag vielen er bommen op Marshurin, ten westen van hier. Ze doodden een moeder en haar kind. Er waren meer dan veertig gewonden, vrouwen en kinderen.’ Dan schrijft hij: ‘Ogenblikje. Er komt een vliegtuig over. Tot later.’ Zijn beleefde woorden vormen een bizar contrast met de omstandigheden. Een paar minuten later is hij terug en vervolgt: ‘Mijn familie zie ik nauwelijks. De luchtaanvallen gaan maar door en mijn werk ook. De raket die een paar dagen geleden vlak bij mijn huis landde doodde mijn buren.’ Sinds hij vijf jaar geleden begon is hij al drie keer gewond geraakt en hij verloor collega’s. Zekra is 24 jaar.

De reddingswerkers, inmiddels vooral bekend onder de naam White Helmets, opereren met toestemming van de gewapende oppositie. Met de camera’s op hun helmen maken zij opnames van hun werk. Die documentatie van oorlogsmisdrijven maakt hen tot extra doelwit. Tientallen White Helmets-reddingswerkers werden gedood bij wat Zekra ‘double taps’ noemt. Het is een beruchte tactiek om doelen voor een tweede keer te raken als het reddingswerk gaande is.

Ook voeren Syrië en Rusland een actieve lastercampagne om de White Helmets als terroristen en jihadisten neer te zetten. Uit onderzoek blijkt wel dat enkele van de reddingswerkers zich schuldig maakten aan mishandeling en het verminken van lichamen of persoonlijke banden met extremisten hadden. Volgens de organisatie zijn zij ontslagen.

Nederland, dat de organisatie sinds eind 2014 met enkele miljoenen steunde, besloot een jaar geleden niet verder te financieren. Het systeem van toezicht werd onvoldoende gevonden en er zou niet genoeg transparantie zijn over de samenwerking met Mayday Rescue, een in Nederland geregistreerde organisatie die de White Helmets ondersteunt. Ook de gekrompen ruimte voor de Syrische oppositie en toenemende invloed van extremistische groepen in het gebied speelden mee in het besluit. Nederland was daarmee de enige Europese donor die de steun aan de White Helmets stopzette.

Cartoon van Amany al-Ali uit het boek ‘Cartooning Syria’

Tijdens een bezoek aan Nederland begin november vertelde Raed Saleh, de directeur van de Syrische reddingsorganisatie, dat het besluit onverwacht kwam, maar verder hield hij zich beleefd op de vlakte. Enkele weken eerder uitte hij zich in de Volkskrant explicieter toen het nieuws van de stopzetting bekend werd. Hij had de indruk dat de Nederlandse regering geen onderscheid maakt tussen de White Helmets en de andere programma’s die onderdeel waren van de zogeheten ‘non-lethal assistance’ aan de Syrische oppositie. Het programma gaf tussen 2015 en 2018 ondersteuning aan ongewapende politieagenten en niet-militaire hulp aan zogeheten gematigde rebellengroepen, het kostte in totaal zeventig miljoen euro. Een deel van die steun bleek terecht te zijn gekomen bij gewapende groepen die mensenrechten schonden.

Syrische en Russische strijdkrachten bombardeerden de afgelopen tijd ongeveer 25 ziekenhuizen. Van negen van de getroffen medische faciliteiten waren de coördinaten via de Verenigde Naties aan Rusland en Syrië doorgegeven. Artsen hadden gehoopt dat het delen van de locaties zou leiden tot vermindering van de aanvallen. Nu zeggen velen van hen dat het gevaar juist groter is geworden.

Het bombarderen van ziekenhuizen en andere medische faciliteiten in Syrië is niet nieuw. De organisatie Physicians for Human Rights (phr) documenteerde tussen 2011 en 2018 566 aanvallen op meer dan 350 medische faciliteiten. Meer dan 890 artsen en ander medisch personeel kwamen om. Negentig procent van de bombardementen werd uitgevoerd door Syrische en Russische troepen. phr concludeert dat het onder vuur nemen van medische voorzieningen, volgens het internationale recht een oorlogsmisdaad, systematisch is en onderdeel van de militaire strategie van de Syrische regering en haar bondgenoten. Ook scholen, markten en bakkerijen zijn regelmatig doelwit. Hoewel het overgrote deel van de burgerdoden in deze oorlog voor rekening van het regime en zijn medestanders komt, deinzen rebellengroepen er evenmin voor terug om woonwijken onder vuur te nemen.

Van de naar schatting 2,5 tot drie miljoen inwoners van de provincie Idlib bestaat ongeveer de helft uit ontheemden die de afgelopen jaren vanuit andere oppositiegebieden van Syrië gevlucht of gedwongen verhuisd zijn toen het regime daar de controle terugkreeg.

Het haalde de afgelopen jaren maar zelden het nieuws dat er in de provincie Idlib nog altijd plaatsen waren waar allerlei professionals en activisten zich inzetten om de samenleving draaiende te houden nadat het staatsapparaat verdwenen was. Lokale raden vormden een nieuw bestuur, al kwamen ook daar machtsmisbruik, corruptie of extremistisch beleid voor. Verschillende civiele initiatieven voor onderwijs, gezondheidszorg en media bleven op de been, vaak dankzij persoonlijke relaties met strijders die uit het gebied afkomstig waren.

Maar die speelruimte slonk de afgelopen jaren. In het scala aan rebellengroepen met wisselende allianties die ook regelmatig met elkaar slaags raken, kregen warlords en extremisten steeds meer de overhand. Het jihadistische hts, dat vooral bestaat uit strijders van Jabhat Fateh al-Sham (voorheen Jabhat al-Nusra, de lokale tak van al-Qaeda totdat het zich afsplitste) ontpopte zich tot de machtigste militaire speler in de provincie. Ook hts vervolgt of doodt burgers die de organisatie bekritiseren of op een andere manier verzet plegen.

Ook Amany al-Ali moet op haar tellen passen. Aanvankelijk reageert ze gedecideerd. De bedreigingen vanuit de conservatieve samenleving hebben haar sterk gemaakt, net als de oorlog, zegt ze. ‘Ik kijk de dood in het gezicht met alle kracht die ik in me heb.’ Maar gaandeweg klinkt er ook wanhoop door in haar woorden. ‘Het liefst zou ik weg willen.’ Als het kon.