STAMMEN OF NATIONALITEITEN?

Het ís niet Kikuyu versus Luo

In Kenia is meer reden om van een nationaliteitenvraagstuk te spreken dan van een strijd tussen stamverbanden. Zeggen dat het Afrikaanse politieke spel zou draaien om etnische verbanden is van een gevaarlijke eenvoud.

De Nederlandse media gebruiken met grote vanzelfsprekendheid het woord ‘stammenstrijd’ om te duiden wat er in Kenia gebeurt. Dat geldt niet alleen voor de kranten. Als correspondent Kees Broere in het NOS Journaal zorgvuldig probeert het woord ‘stam’ te vermijden door te praten over het Kikuyuvolk en het Luovolk neemt de nieuwslezer toch het woord ‘stammenstrijd’ in de mond. Een enkeling wijst in ingezonden brieven op de problemen met zo’n stamvertoog, maar als zelfs geleerden als de cultuurhistoricus Thomas von der Dunk het simplisme voeden (de Volkskrant, ‘Forum’, 18 januari) lijkt het vechten tegen de bierkaai. Zijn bewering dat het Afrikaanse politieke spel zou draaien om etnische verbanden en niet zou gaan over ideeën is van een gevaarlijke eenvoud.

Zijn in twijfel trekken van de democratische gezindheid van de Kenianen komt voort uit een gebrek aan kennis over wat zich daar afspeelt. Het stamvertoog verwijst naar noties van primitiviteit en premoderniteit. Het suggereert dat vooral Afrika nog in een oerstadium zou zitten van biologische kernverbanden. Een politieke strijd, die juist gaat over ideeën over de gewenste staatsinrichting en de toegang tot hulpbronnen, wordt daarmee teruggebracht tot een strijd tussen de Kikuyu Kibaki en de Luo Odinga en tussen hun etnische achterbannen, die elkaar nu naar het leven staan. Niet dat we onze ogen moeten sluiten voor de rol die etnische identiteiten spelen en het feit dat etnische politieke loyaliteiten door politieke leiders worden ge- en misbruikt. Maar er is meer reden om van een nationaliteitenvraagstuk te spreken dan van een strijd tussen stamverbanden.

Identiteiten die gebaseerd zijn op het gevoel tot een natie te behoren, zijn politiek belangrijk en af en toe explosief, overal op de wereld. Zogenoemde etnische minderheden krijgen wereldwijd ondersteuning. Vaak slagen zij erin grotere macht te verwerven om zichzelf en de door hen geclaimde territoria en hulpbronnen te besturen. Dat geldt voor de Inuits in Canada, de Aboriginals in Australië en de Amerindianen in de regenwouden van tropisch Amerika en op de prairies van de Verenigde Staten. Een belangrijk deel van de Europese geschiedenis betreft de staatsvorming rondom naties. Die voedde de onderhandelingen na de Eerste Wereldoorlog. Ook na het einde van de Koude Oorlog ontstonden allerlei nieuwe staatsverbanden op etnische basis, met Kosovo mogelijk als nieuwste toevoeging. Het India dat uit de puinhopen van de Partition te voorschijn kwam is ook sterk vormgegeven op basis van taalculturen. Is het dan vreemd om de Afrikaanse politieke perikelen te willen begrijpen als een nationaliteitenvraagstuk?

De recente politieke verkiezingsstrijd in Kenia werd overheerst door een strijdpunt dat al vanaf de jaren vijftig af en toe oplaait: de mate van zelfbestuur die wordt toegestaan aan districten, voor een belangrijk deel etnische territoriale eenheden. Kenia heeft 69 districten en 42 erkende taal-/cultuurgroepen. In veel districten is één etnische groep dominant; in een paar districten zijn er combinaties met elk hun eigen subdistrict waar weer één etnische groep dominant is. Slechts enkele districten zijn een hutspot. Het district Nairobi is daar het duidelijkste voorbeeld van, ook al zijn er enkele etnisch-specifieke zones zoals de krottenwijken Dandora, vooral Kikuyu, of Kibera, vooral Luo.

Net als Europa worstelt Afrika met een dubbele uitdaging: hoe kun je beter op continentale schaal opereren (de African Union) en je zo effectiever invoegen in de mondiale politieke orde en economie, en toch voldoende eigenrichting geven aan lokale groepen zonder voortdurend etnisch-territoriale geschillen te moeten beslechten.

In Afrika zijn landen als Nigeria en Ethiopië al ver gegaan met devolutie: het toekennen van relatief veel macht aan substaten die grotendeels etnisch zijn ingericht. In Kenia gaat de politieke controverse over de vraag of het land een eenheidsstaat zou moeten blijven, met een grote macht voor de president en voor ministers en ministeries op het niveau van de centrale staat, of dat Kenia nu eindelijk zou moeten gaan in de richting van een etnische federatie, met een zwakkere president en grotere invloed van districtsraden. De partij van Kibaki, de Party for National Unity, staat voor een sterke centrale overheid. De partij van Odinga, de Orange Democratic Movement, staat voor devolutie, aangeduid met de Swahili-woorden majimbo en ugatuzi.

Dat het noodzakelijk is om tot een eerlijker verdeling van de welvaartsbronnen te komen staat voor veel Kenianen vast. Kenia’s welvaart is extreem ongelijk verdeeld en ook regionaal zijn er grote onevenwichtigheden. Bij de onderhandelingen over een nieuwe grondwet was aan de orde dat districtsraden veertig procent van de lokaal gegenereerde belastingen zelf zouden mogen besteden. Na een brede consultatieronde zou die grondwet aan de bevolking worden voorgelegd.

Toen in 2005 president Kibaki sterk ging afwijken van dat plan en een eigen versie van de grondwet naar voren schoof, werd hij bij een referendum zwaar afgestraft: 57 procent van de Keniase kiezers verzette zich tegen een voortgezette overmacht van de centrale staat. Kibaki’s _banana-_coalitie legde het af tegen Odinga’s _orange-_coalitie. Bij de laatste verkiezingen bleven deze coalities grotendeels in stand. De verwachting was gerechtvaardigd dat Odinga zou worden gekozen op een devolutieprogramma, dat hij ugatuzi noemde.

Odinga’s orange-coalitie wordt gesteund door etnische groepen die al decennia ijveren voor groter lokaal zelfbestuur. In de koloniale tijd waren de African District Councils van de toenmalige reserves voorbeelden van devolutie: de lokale raden gingen over landtoewijzing, handelstoestemmingen, water, onderwijs, gezondheid, en lokale rechtspraak en inden daarvoor ook relatief omvangrijke belastingen. Die Councils bestaan nog steeds, maar hebben veel taken gaandeweg moeten overdragen aan de centrale overheid.

Bij de aanloop naar de onafhankelijkheid in 1963 won de politieke groepering die voor een eenheidsstaat was: de Kenya African National Union van toen nog coalitiegenoten Kikuyu Kenyatta en Luo Oginga Odinga, de vader van de huidige oppositieleider. De groepering die ijverde voor lokaal zelfbestuur, de Kenya African Democratic Union van de latere president Moi, verloor de verkiezingen.

Maar toen Moi zelf president werd, introduceerde hij de District Focus for Rural Development en bevorderde hij de vorming van etnisch-specifieke districten. Hij stond toe dat onderwijs in de eerste jaren van de basisschool in de moedertaal gegeven werd en dat er etnisch-specifieke radio-uitzendingen kwamen. Veel van zijn Kalenjin-genoten grepen chaosperiodes, vaak rondom verkiezingen, aan om in hun ogen ongewenste indringers uit ‘hun’ gebieden weg te jagen.

Devolutieaanhangers zijn vooral de Kalenjin uit de Rift Valley, de kustgroepen, een aantal nomadische volkeren in het droge noorden, oosten en zuiden (zoals de Masai, de Samburu en de Somali), de Luhya uit het westen en de laatste tijd ook de Luo uit het zuidwesten. Tegenstanders zijn vooral de Kikuyu, Meru en Embu uit centraal Kenia, de Kisii uit het zuidwesten, de Bukusu uit het westen en de Turkana en enkele andere groepen uit het droge noorden. Die laatste groepen hebben weinig te winnen bij economisch zelfbestuur, afhankelijk als ze zijn van subsidies uit de centrale staatskas (en het buitenland). De andere tegenstanders waren voor de onafhankelijkheid al uitgezwermd over een groot deel van Kenia, een proces dat na de onafhankelijkheid verder is versterkt.

Zij waren het die gingen werken als landarbeiders voor de blanke boeren. Zij kregen na de MauMau-opstand in de jaren vijftig grond toegewezen in de settlement schemes. Zij grepen de kansen die de unitaire staat hun bood, met patronage van Kikuyu-presidenten als Kenyatta en Kibaki, om grond te kopen en een business te beginnen in de meest veelbelovende gebieden van het land: Nairobi en de Rift Valley. Zij hebben het meest te vrezen van devolutie.

De slogans van devolutie klinken mooi: grotere lokale participatie, een directere vorm van democratie, eerlijker toegang tot de eigen rijkdommen. Maar de hardste aanhangers van devolutie bedoelen ook: lokale raden zijn eigenaars van lokale hulpbronnen en gaan bepalen wie daar wel of niet gebruik van mogen maken.

In een milde vorm betekent dit dat een etnisch dominante groep de hulpbronnen verpacht aan andere etnische groepen, zolang die laatste zich houden aan de lokaal vastgestelde regels. In een hardere vorm betekent het dat ‘vreemdelingen’ het gebied uit worden gezet, dat lokaal-specifieke rechtspraak wordt toegestaan, zoals de sharia aan de kust, dat onderwijs in de lokale taal moet, dat ook de ambtelijke taal in het district de etnische taal is en dat er een lokale politiemacht is die lokaal is gerekruteerd.

In het Kalenjingebied, waar met deze wensen het meest te winnen valt, was men er klaar voor om majimbo in de praktijk te brengen op het moment dat Odinga zou winnen. Odinga’s deal met de nieuwe generatie Kalenjin-leiders was dat er ook snel aan zou worden gewerkt. Toen dat door verkiezingsfraude onmogelijk leek te worden, grepen veel Kalenjin naar de wapens, zowel spontaan als politiek georkestreerd, om kwaadschiks te doen wat ze anders ‘legaal’ hadden willen bereiken.

Het resultaat is nu al een Rift Valley die grotendeels is ‘gezuiverd’ van ‘ongewenste vreemdelingen’. Vooral de bezittingen en oogsten van Kikuyu’s zijn vernield en geplunderd. Als ze al mogen terugkeren, dan is dat als destitutes.

Nu de Kikuyu gaan terugvechten, zijn de meeste Kalenjin voor hen te sterk. De Kikuyu’s keren zich nu tegen de Luo, die uit gebieden in de Rift Valley en Nairobi worden weggejaagd. Cynisch gezegd: het is gemakkelijker geworden om de devolutie langs etnische lijnen te realiseren.

Maar de Kikuyu-gemeenschap is terug bij de situatie van 1950: een grote onderklasse van boze jongeren die niets hebben, bereid zijn de wapens op te nemen en er niet tegenop zien te moorden. Destijds kwam de MauMau, nu heet het Mungiki. Kenia is er nog niet klaar mee en de rest van Afrika ook niet.

Ton Dietz is hoogleraar sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam