Gedachten over God

Het is niet onopgemerkt gebleven

De recente briefwisseling tussen Stephan Sanders en Yvonne Zonderop in De Groene over hun zoektocht naar God laat zien: men wíl nog steeds in Hem geloven. Maar waarom toch?

Medium mb2013 18

Volgens Gerard Reve gaan katholieke dieren ook naar de hemel. Ongewild geeft hij ons daarmee een mooi argument in handen dat tegen het bestaan van God pleit. Niemand die nog weigert te accepteren dat homo sapiens een diersoort is. Dieren kennen geen God. Waarom zou de mens er dan ineens wel een hebben, een God die hem ook nog eens Zijn eigen hemel in het vooruitzicht stelt na de dood? Het ligt natuurlijk veel meer voor de hand dat die nieuwe diersoort met zijn enorme hersencapaciteit God ‘verzonnen’ heeft omdat hij Hem om allerlei redenen nodig had. Die redenen bestaan nog steeds, ook na een eeuw secularisering waarin het bestaan van God werd ontkend of minstens met grote scepsis bekeken.

‘God bestaat niet, maar daarom kun je nog wel in Hem geloven’, laat ik een dominee zeggen in mijn roman Schuim en dat lijkt precies het uitgangspunt te zijn voor talloze zoekende geesten in onze kille westerse samenlevingen. ‘Ik geloof dat ik wil geloven’, zegt een van hen, Stephan Sanders, in De Groene van 12 november, in een briefwisseling met een andere zoeker, Yvonne Zonderop. ‘Ik wil alleen geloven als ik niet per se hoef te geloven’, schrijft zij.

Men wíl nog steeds in Hem geloven. Waarom? ‘Als God niet bestaat is alles mogelijk’, schreef Dostojevski. Hij bedoelde dat de morele grondslag onder ons handelen dan zou zijn weggeslagen. Maar neem nou de Tien Geboden, waarvan alleen 6 (niet doodslaan) en 8 (niet stelen) nog relevant zijn; of neem de zeven hoofdzonden: hoogmoed, hebzucht, wellust, afgunst, gulzigheid, gramschap en gemakzucht (meer een handjevol karakterfouten, dunkt me, dan zaken die ons zielenheil in gevaar brengen); je vijanden vergeven, de andere wang toekeren – verliezen deze en andere richtlijnen hun werking als God niet meer bestaat?

Welnee. Ondanks de enorme secularisering is ons morele kompas niet verdwenen en iedereen die het werk van de primatoloog Frans de Waal kent weet dat dat ook helemaal niet zou kunnen. De Waal maakt immers met veel bewijsmateriaal duidelijk dat die naaste verwanten van ons – chimpansees, bonobo’s, gorilla’s en orang-oetans – over een goed functionerend moreel apparaat beschikken om hun redelijk complexe samenlevingen draaiende te houden, keurig geïnternaliseerd in elk individu dat bijvoorbeeld woedend wordt als een ander een hogere beloning krijgt voor hetzelfde: rechtvaardigheid! Of die een soortgenoot die zonder voeten is geboren meezeult en eten geeft: barmhartigheid!

Beide briefschrijvers hebben er sterke behoefte aan door God gekend te worden. Hier echoot het beroemde slot na van De avonden, ‘het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven’. Het treurige leven van Frits van Egters is misschien niet helemaal vergeefs, want God heeft hem opgemerkt. We dwalen in duisternis, maar ergens boven ons weten we het onzichtbare oog dat ons gadeslaat en ons volgt, we zijn niet alleen. Het is het oog van de moeder. De negatie ervan is het vreselijke schrikbeeld van het kind dat zijn moeder kwijt is, in een winkel, op het strand. Het geloof dat God ons ziet en beschermt, sterker nog: ons kent en een bedoeling heeft met ons leven, is troostrijk. Nu willen we allemaal dat we opgemerkt worden door onze naasten, dat we met respect behandeld worden, dat we erkend worden in wie we zijn en dat is meestal ook het geval, maar voor de godzoeker is dat blijkbaar niet genoeg.

De godzoeker wil door een bestaande entiteit opgetild worden uit een bestaan dat als armzalig wordt ervaren

Een belangrijk punt om in God te willen geloven is de existentiële leegte waarin veel mensen zich geplaatst zien. De zin van het bestaan. Het gevoel dat je ontheemd bent, dat je geen plek hebt in het leven. Eenzaamheid. Levensangst. Angst voor de dood, waarmee we weer terug zijn bij af, want wat is de zin van ons bestaan als we toch doodgaan? Dat zijn voorwaar geen geringe problemen en het grootste probleem is dat je ze zelf moet oplossen als je niet in een God gelooft Die naar je luistert, Die je tranen afwist en je hart vult. Ik kan me goed voorstellen dat mensen zich om deze redenen tot de godsdienst wenden, maar stiekem vind ik het ook een vorm van capitulatie, van gebrek aan ruggengraat.

Ik vind het wel mooi, ben er zelfs trots op, dat homo sapiens zich, althans in de westerse wereld, ontwikkeld heeft tot een zo krachtige en zelfstandige soort dat talloze exemplaren van die soort geen metafysische steun meer nodig hebben om overeind te blijven in een bepaald vijandige wereld en in het volle bewustzijn van hun sterfelijkheid. ‘De broekbewapperde mens’, zo heb ik deze positie met de titel van een gedichtenbundel eens omschreven: dat is de mens die op de dijk staat aan de zee van het Niets waarvandaan de stormen zijn broekspijpen doen wapperen, maar hij blijft staan om terug te keren naar de wereld waar hij vandaan komt en daar met opgeheven hoofd verder te leven.

De godzoeker wankelt bij zoveel leegte en eenzaamheid. Hij wil deel uitmaken van iets wat groter is dan hijzelf, hij wil opgenomen zijn in een spiritueel verbond. Zonderop voelt zich ‘diep verbonden met een joods-christelijke traditie van eeuwig menselijk pogen’. Sanders spreekt van het ‘overstijgen van het al te menselijke, die vorm van transcendentie, die (…) zich buiten het geloof om niet goed [laat] denken’.

Daar stel ik de volgende ervaring tegenover waarvan ik vermoed dat ik die met velen deel. De ervaring die je hebt als je in een concertzaal samen luistert naar muziek, in een theaterzaal samen ondergaat wat er op het toneel gebeurt (bij film is dat veel zwakker, maar daarover een andere keer). Dat is de ervaring dat je opgenomen wordt in een groter geheel dat iedereen verbindt. Er is verwantschap met het ritueel. Op dat moment wordt er iets gesticht dat lijkt op een gemeenschap met een overkoepelend maar niet goed te verwoorden belang. Het is niet de veiligheid van de kudde of de groep, want die voltrekt zich nog op een dierlijk niveau, het is iets wat alleen mensen overkomt.

Ik denk dat die ervaring teruggaat op de gebeurtenis waarin de mens zich losmaakte uit het dierenrijk, een stap opzij zette uit de natuur, en toen zag ‘dat alles er was’, en hij ‘begreep’ dat hij tot een soort behoorde die alles kon overzien, die over alles was gesteld en hij ervoer dat dit gevoel samen te zijn binnen een uitzonderlijke gemeenschap zich uitstrekte over alle soortgenoten waar ze zich ook bevonden (ik laat het onderlinge geweld dat minstens zo kenmerkend is voor deze soort hier terzijde). Dat gevoel tot een gemeenschap te behoren is onverminderd aanwezig, al zal men zich buiten grote momenten van rouw (een ramp) of vreugde (een kampioenschap) daar niet altijd bewust van zijn. Hans Boutellier zegt het in een interview in hetzelfde nummer van De Groene zo: ‘Af en toe zijn er flitsen van gemeenschappelijkheid. Er zijn momenten en situaties waarin een gezamenlijk gevoel ontstaat dat er iets is wat ons overstijgt. Zonder dat het meteen een permanent verhaal is waar iedereen zich in moet vinden. Een gedeeld gevoel van vervuld zijn.’ Hij noemt de ramp met de MH17 als voorbeeld. ‘Dan herkennen we elkaar in iets groters dan onze eigen kleine motiefjes en belangetjes.’

Ik kan me niet voorstellen dat iemand erin slaagt te geloven in iets wat eenvoudigweg niet kán bestaan

Maar volgens mij kun je het ook al vinden op kleiner niveau, ontroering over de eigen soort: een kind dat probeert een niet zo belangrijke handeling onder de knie te krijgen, kwetterende pubers in de tram die zichzelf al helemaal als wereldwijs beschouwen, een oudere heer die een paar keer een omgevallen fiets opraapt en recht zet: zie de mens.

Voor de godzoeker is het niet genoeg. Hij wil door een bestaande entiteit opgetild worden uit een bestaan dat blijkbaar als armzalig wordt ervaren. Er is een tijd geweest dat ik op gelovigen neerkeek. Verdwaasden vond ik ze. Die tijd is voorbij. Maar nog steeds kan ik me niet voorstellen dat iemand erin slaagt te geloven in iets wat eenvoudigweg niet kán bestaan. Voortdurende strijd en twijfel zullen zijn deel zijn. Waarom die energie niet gebruikt om te leren accepteren dat het leven dat wij leiden, de wereld die we kennen, het enige is dat bestaat, te leren de zinloosheid van dat leven te aanvaarden door het hele idee ervan opzij te schuiven en te proberen het eigen bestaan op een eigen manier zinvol te maken. Begin bij het kleine, kijk eens goed om je heen, er zijn nog heel wat wonderen te ontdekken.

Intussen stuit ik op een interessant fenomeen. Ik ben dichter en net als de muziek is de dichtkunst nauw verwant met de religie, beide vielen daar ooit mee samen. Ik denk dat iedere dichter wel eens de ervaring heeft dat zijn geest in de taal grenzen opzoekt of zelfs over gaat van een gebied buiten het reële, een onkenbaar en onbenoembaar gebied waarvan hij iets wil oproepen of ervaarbaar maken in zijn gedicht in de hoop dat de gevonden formulering de lezer treft. Ik denk dat dat gebied ooit de verblijfplaats was van God. Het aardige is dat er in de bijbel soms formuleringen staan die erin slagen mij, ongelovige, even diep te raken als mijn eigen bedenksels (waarvan ik vaak het gevoel heb dat ze mij worden aangereikt…). Een voorbeeld is de zegen uit Numeri 6:24-26: ‘De Heere zegene u, en behoede u! De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! De Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!’

Yvonne Zonderop zegt dat sommige aan de godsdienst gelieerde ervaringen haar kippenvel bezorgen. Dat doet deze zegen bij mij ook, maar ik weet precies wat hier werkzaam is: niet een vermeend of gezocht contact met God, maar de taal in zijn bijzonderste vorm, die van de poëzie. Al spreekt daarin de verdwenen God misschien toch een woordje mee.

Robert Anker is schrijver, dichter en literatuurcriticus


Beeld: Michaël Borremans, The Angel_, 2013. Olie op doek, 300 × 200 cm. Foto Peter Cox / courtesy Zeno X Gallery Antwerp_