Het is niet wat het is

Bij het nadenken over de democratie moeten we volgens de historici Maarten Prak en Wim Blockmans meer naar het wat verdere verleden kijken. Onze huidige vrijheid en gelijkheid zijn deels een wassen neus.

Bartholomeus van der Helst, Schuttersmaaltijd ter viering van de Vrede van Münster, 1648. Olieverf op doek, 232 x 547 cm © Rijksmuseum

Het heersende beeld is duidelijk: tot zo’n tweehonderd jaar zuchtten verreweg de meeste Europeanen onder de knoet van brute tirannen. Weliswaar probeerden zij die knoet regelmatig te breken, het lukte zelden. Totdat eind achttiende eeuw opeens de verandering kwam. Terwijl de Amerikanen zich vrijmaakten van de Engelsen, sleepten de Fransen hun adel naar het schavot. Wat voorheen (maar anders) in de Renaissance was gebeurd, gebeurde nu opnieuw: opeens brak het licht door, deze keer niet alleen van de Rede maar ook van de Vrijheid – beide met een hoofdletter. Vanaf dat moment begon met vallen en opstaan een proces dat, zeker in Europa, na de Tweede Wereldoorlog zo goed als overal slaagde: democratisering.

Maar begin 21ste eeuw is dit proces zo ver voortgeschreden dat bij zijn verworvenheden steeds meer vraagtekens worden geplaatst, niet zozeer bij de principes als wel bij de uitvoeringspraktijken en pretenties van de democratie. Dit gebeurt zelfs vanuit onverwachte hoek, bijvoorbeeld in de laatste geschriften van twee vooraanstaande Nederlandstalige historici, de een uit Leiden (Wim Blockmans, emeritus, Middeleeuwen, van oorsprong Belg), de ander uit Utrecht (Maarten Prak, economische en sociale geschiedenis). Met die vraagtekens in het achterhoofd doen beiden wat je van een historicus verwacht: zij kijken terug en suggereren dat wij modernen wellicht iets minder hoog van de toren moeten blazen en van het verleden nog wat kunnen leren. Anders gezegd, de verhalen die we elkaar over onszelf en anderen vertellen zijn, zoals eigenlijk altijd, tot op zekere hoogte mythes.

‘In de komende bladzijden hoop ik aan te tonen dat het middeleeuwse en vroegmoderne stadsburgerschap, in vergelijking met de uitwerking in de praktijk van het negentiende-eeuwse nationale burgerschap, eigenlijk een indrukwekkende staat van dienst heeft als het gaat om politieke vrijheid, sociale gelijkheid en gemeenschapsvorming – of, in de bewoordingen van 1789: van liberté, égalité, fraternité’, schrijft Maarten Prak aan het begin van Stadsburgers.

Wim Blockmans zegt aan het eind van zijn boek hetzelfde maar dan anders, voorzichtiger, en mede daarom helaas ook iets moeizamer. ‘Het overheersende beeld is dat van revolutionaire breuken in 1789, 1848 en de stapsgewijze veralgemening van het stemrecht’, schrijft hij. ‘Zonder het belang te onderschatten van de massamobilisaties en de versnelling van institutionele hervormingen, plaats ik hier toch drie overwegingen tegenover.’ De eerste: dat opvattingen over gelijkheid, onafhankelijkheid van rechtspraak en algemeen kiesrecht, stuk voor stuk pijlers van de moderne democratie, voorheen ook al uitvoerig geformuleerd waren (en her en der in praktijk gebracht). Twee: dat revoluties als die van 1789 en 1848 veel minder ingrijpend zijn geweest dan veelal wordt gedacht: veel bleef bij het oude. De derde en wellicht belangrijkste overweging: dat institutionele veranderingen niet betekenen dat de cultuur verandert. En die cultuur, zo impliceert Blockmans, is vaak van meer betekenis dan de organisatie. Kortom, de buitenkant kan wijzigen terwijl de binnenkant hetzelfde blijft.

Beide historici werken hun theses uit door indringend te beschrijven hoe vóór 1800 stedelijke gemeenschap, medezeggenschap, macht en sociale organisatie functioneerden. Hoewel beiden de pretentie hebben boeken voor een groter publiek te schrijven, lukt dat slechts matig. Het merendeel van de teksten komt moeilijk los van het academische debat. Ook zijn die teksten behoorlijk veralgemeniserend en theoretiserend en dus niet, wat publieksboeken veelal kenmerkt, verhalend. De boeken bevatten weinig mensenvlees, om het met historicus Marc Bloch te zeggen. Een recensie voor een algemeen tijdschrift als De Groene ligt om die reden wellicht niet voor de hand, ware het niet dat de actueel-politieke consequenties van beide geschriften, hoe moeilijk zichtbaar op het eerste gezicht ook, enorm zijn, en buitengewoon verrassend.

De eerste consequentie werd al genoemd: onze ‘mythes’. Prak en Blockmans tonen aan dat onze manier van denken over heden en verleden nog altijd volledig doortrokken is van een nationale (wat iets anders is dan een nationalistische) ideologie, wat met zich meebrengt dat van de verworvenheden van de nationale staat, in het bijzonder van de hierin heersende gelijkheid, vrijheid en medezeggenschap hoog opgegeven wordt. Maar is dat terecht? Het antwoord ligt ergens tussen relativering en ontkenning. We zien het aan alle kanten. Met een variant op Martinus Nijhoff: kijk maar, het is niet wat het is. De vrijheid is niet zo groot. Gelijkheid is vaak een wassen neus. Maar het sterkst toont zich de betrekkelijkheid van de democratie op het vlak waar vrijheid en gelijkheid in zekere zin samenkomen: bij medezeggenschap. Is daarvan daadwerkelijk sprake?

De nationale staat zoals die na het tijdperk van de grote revoluties (1789, 1848, Amerikaanse Onafhankelijkheid, Industriële Revolutie) ontstond, pretendeerde wat die medezeggenschap (en dus ook vrijheid en gelijkheid) betreft grote stappen voorwaarts te zetten. Dat lukte aanvankelijk amper. In veel gevallen nam de negentiende-eeuwse burgerij gewoon het stokje van de adel over, met als belangrijkste verschil dat voortaan niet geboorte maar verdienste het onderscheid maakte: aristocratie werd meritocratie. Vervolgens werd het proces door fascisme en vergelijkbare ideologieën in de eerste helft van de twintigste eeuw ernstig geremd, maar inderdaad, het herpakte zich en kwam in de tweede helft van diezelfde eeuw tot bloei.

Tegenover de democratie stellen deze schrijvers denkbeelden die we tot voor kort zagen als reactionair

Dat althans is het beeld. Maar klopt het, kan het überhaupt kloppen? Om op basis van de boeken van Prak en Blockmans slechts één aspect te noemen: kan medezeggenschap functioneren in een ruimte die verder gaat dan een overzichtelijk geheel, een ruimte die groter is dan een stad of een streek? Overal wordt gestemd. Maar dat zegt niets. Iedereen kent de landen waar gestemd wordt maar waar van medezeggenschap, laat staan democratie, geen sprake is. En ook bij ons is medezeggenschap vaak weinig meer dan een woord – vandaar alle opwinding over bijvoorbeeld referenda en internetraadpleging. Anders gezegd, het begrip medezeggenschap zegt veel over de pretenties, lees mythes, maar minder over de werkelijkheid van de nationale staat.

‘In veel Europese landen had de Franse Revolutie het stadsburgerschap en bijbehorende instellingen weggevaagd en vervangen door de beginselen van nationaal burgerschap’, schrijft Prak, ‘echter zonder de nobele beginselen (van dat stadsburgerschap waaronder sociale zorg, medezeggenschap en onderlinge verbondenheid – cvdh) ook maar bij benadering in de praktijk te brengen.’ Hij bedoelt: wat in een kleine ruimte als de vroegmoderne stad goed mogelijk was, is in de grote ruimte van de nationale staat heel wat moeilijker te verwezenlijken. Dankzij een langdurig proces van vallen en opstaan, groeiende welvaart en moderne middelen slaagde de nationale staat er in de loop van de twintigste eeuw in om voor zijn burgers een zorgzaam systeem te bouwen, maar op dit moment wankelt het bouwwerk weer, ‘en lijkt het voor nationale regeringen steeds moeilijker te worden om hun burgers tevreden te stellen’.

Wat met name ontbreekt is datgene wat aan elke politieke eenheid noodzakelijk ten grondslag ligt en binnen een kleine, homogene ruimte eenvoudiger te realiseren is dan in een grote, heterogene ruimte: verbondenheid, of op z’n minst het gevoel daarvan. Het gebrek hieraan wreekt zich. Blockmans betoogt min of meer hetzelfde. Nog spannender wordt het als je beziet wat de twee vervolgens tegenover het gebrekkige bouwwerk van de huidige democratie plaatsen: niets minder dan denkbeelden, werkwijzen en instellingen die tot voor kort zonder meer voor reactionair zo niet fascistoïde werden versleten.

Beschuldig ik Prak en Blockmans dan van fascisme of iets in die trant? Nee hoor, verre van. Wat ik in het ‘ergste’ geval doe is beweren dat sommige zaken die vanwege de associatie met het fascisme tot voor kort taboe waren, heroverwogen zouden moeten worden. De belangrijkste is zoiets als wat een van de belangrijkste theoretici van het conservatisme, Edmund Burke, little platoons noemde: de kleine kring waarin het voor ieder mens goed toeven is. Direct of indirect hebben de twee historici het hier voortdurend over, zonder de uitdrukking of de naam Burke ook maar één keer te noemen. Zo gebruikt Blockmans bij de aanduiding van middeleeuwse gemeenschappen klassieke termen als amicitia (vriendenkring), confraternitas (broederschap), coniuratio (eedgenootschap), compania (handelaarsassociatie) en parlamentum (praatclub).

Het meest voorkomende begrip bij Prak is gilde, gevolgd door schutterij, burgerwacht, buurt, wijk en parochie. In alle gevallen wordt een kleinschalige samenlevingsvorm bedoeld. Fascisten spraken in een vergelijkbare context graag van gemeenschap (in plaats van Gesellschaft) of liever nog, althans in zuidelijke landen, van corpora, corporatisme dus. Vandaar dat deze begrippen, zeker het laatste, zwaar besmet zijn. Maar als Blockmans aan het eind van honderden pagina’s over Middeleeuwen en vroegmoderne tijd opeens een hoofdstuk begint met de titel ‘Politieke participatie vandaag’, doelt hij op een vergelijkbaar fenomeen. ‘Participatie’ klinkt slechts anders, modern, vertrouwd; maar het is hetzelfde. En dat niet alleen. In de zin waarin Blockmans het gebruikt is het begrip oeroud en, in ieder geval tot voor kort, niet van smetten vrij. Eenmaal zo ver realiseer je je het begrip ‘participatie’ in Blockmans’ tekst tientallen keren tegengekomen te zijn, veelal ter aanduiding van een principe uit een ver verleden. En inderdaad, het staat er maar liefst 85 keer.

Op vergelijkbare wijze stelt Prak dat het vroegmoderne burgerschap op twee pijlers rustte: de bescherming van het individu door zijn gemeenschap en de inschakeling van datzelfde individu in zijn gemeenschap, met rechten en plichten. ‘In het kielzog van de Franse Revolutie sloeg de collectieve identiteit over van het plaatselijke naar het nationale niveau en daarbij traden de individuele kanten van het burgerschap meer op de voorgrond, terwijl ze in de voorgaande eeuwen juist op de achtergrond waren gebleven’, stelt Prak. Individu en gemeenschap maakten zich dus van elkaar los, met alle denkbeeldige en daadwerkelijke gevolgen van dien: een staat die zijn burgers behandelt als pionnen en een burger die een dikke vinger opsteekt naar zijn omgeving. Praks conclusie ligt dan ook voor de hand, en is gelijk aan die van Blockmans: ‘Is het misschien tijd geworden om de afschaffing van het stadsburgerschap weer een beetje ongedaan te maken – of dat tenminste serieus in overweging te nemen.’

Conclusie – als zoiets in enkele zinnen mogelijk is en als ik het in mijn eigen woorden (of eigenlijk die van Paul Scheffer) mag zeggen: zonder wij lukt het niet. Dit zinnetje bevat niet alleen kritiek op de verheerlijking van grote verbanden als de nationale staat, het bevat ook kritiek op de moderne lofzang op de kleinst denkbare eenheid, het individu. Deze kritiek werpt niet alleen nieuw licht op heden en toekomst, zij impliceert ook een ander, fraaier, beeld van het verleden.

Op zich is dat wellicht niet verrassend. Alleen al het modieuze begrip ‘participatie’ toont dat alom in deze richting wordt gedacht en gewerkt. Maar wat de historiografische, politieke, morele en praktische consequenties van deze omkeer inhouden, is volgens mij nog nauwelijks doorgedrongen, en wél verrassend. Zo zal iedereen vermoedelijk schrikken van de suggestie dat een pleidooi voor pre-revolutionaire verbanden tot voor kort voor reactionair doorging en dat misschien ook wel is. Deze schrik zal dermate zijn dat de keutel vermoedelijk meteen weer ingetrokken wordt. Maar gezien deze twee boeken is het daarvoor nu te laat. De teerling is geworpen.

Anders gezegd: we denken dat intellectuele koerswijzigingen aan de flanken plaatsvinden. Dat is hoogstens een gedeeltelijke waarheid. Daar beginnen ze wellicht, maar vervolgens verplaatsen ze zich naar het midden. En eenmaal daar vormen ze daadwerkelijk een kracht.