Het is nog steeds 1909

Jess Walter bouwt zijn verhaal vernuftig op © Jan Bose

Eind 2006 verscheen van de notoire en onzichtbare Thomas Pynchon een indrukwekkende historische roman: Against the Day. Onder heel veel meer ging die roman over zilvermijnwerkers in Colorado die streden voor eigen vakbonden en tegen koppelbazen, bonzen en bedrijfsleidingen. Te midden van samenzweringen, pseudo-anarchistisch of niet, schrokken ze niet terug voor aanslagen, met of zonder dynamiet. Ze hadden geen andere keus: erop of eronder.

Jess Walter (1965) moet dat boek gelezen hebben alvorens hij begon aan zijn historische roman over de woeste strijd van mijnwerkers in de westelijke staten Montana en Washington voor vakbonden en betere lonen: De nietige miljoenen. Was zijn bekendste historische roman Schitterende ruïnes (2012) nog een milde sociale satire én een ontmanteling van Hollywood-mythes, dit boek blijkt een zeer betrokken vertelling te zijn rond twee broers, wezen, die worstelen om een leefbaar bestaan in 1909 in Spokane, Washington. Tegelijkertijd wil de roman iets fundamenteels zeggen over het Amerika van 2021: vakbonden ondervinden nog steeds tegenwerking van de leidingen van gigabedrijven als Amazon, die het personeel ook karig belonen. ‘History is now’, schreef de filosoof Ralph Waldo Emerson halverwege de negentiende eeuw.

Jess Walter volgt de leerzame lijdensweg van Gig (Geoffrey) en Rye Dolan met betekenisvolle intermezzi. De oudere Gig is betrokken bij vakbondsactiviteiten en demonstraties voor free speech. De broers dromen van een eigen huisje, maar het lot – om het onmaatschappelijk te zeggen – wil anders. De moord op een agent, waarmee de roman opent, is de aanleiding om honderden in Spokane rondzwervende werkzoekenden op te pakken en zonder vorm van proces gevangen te zetten in overvolle, vervuilde cellen. Een zogenaamde anti-agitatiewet helpt hen daarbij. De zestienjarige Rye komt vrij dankzij een goedgebekte advocaat, zijn oudere broer niet. Maar in werkelijkheid raakt Rye van de regen in de drup als de puissant rijke mijnmagnaat Lemuel Brand hem inpalmt en met een handvol dollars voor zijn eigen karretje spant.

De lezer zit midden in een corrupte wereld die haaks staat op welk ‘vrij woord’ ook: iedereen – de politie, de amusementsindustrie, de arbeiders zelf – wordt omgekocht om de bestaande verhoudingen te bestendigen. Ook de naïeve Rye heeft zwakke knieën en een buigzame ruggengraat. Dat is een sterke kant van De nietige miljoenen: het wordt nergens een simpel zwart-witverhaal over de goeien en de kwaaien, de bezitlozen en de bezitters.

Hoe vrouwenmoed doorslaggevend kan zijn in historisch cruciale tijden

Walter is sterk in het vernuftig opbouwen van zijn verhaal: elke nieuwe episode laat hij voorafgaan door een verhaal dat dodelijk afloopt: een agent, een indiaan of een bedrijfsspion legt het loodje en blijkt onderdeel van de totale samenzwering geleid door magnaat Brand. Alle verhaaldraadjes vervlecht Walter tot een zeer sterke intrige, inclusief de symbolische lievelingslectuur van Gig: Tolstojs Oorlog en vrede.

Een kille, keiharde superintrigant – die zichzelf de rol van een gewelddadige anarchist toebedeelt – lijkt de loop van de geschiedenis en het lot van zijn omgeving dwingender naar zijn hand te kunnen zetten dan wie dan ook. Zijn identiteit is zo vloeibaar dat niemand hem echt kent. De oudere broer Gig, vrouwenliefhebber, gaat er uiteindelijk aan onderdoor; Rye weet alle turbulentie te overleven en kan het navertellen. Vanuit het jaar 1964, als hij gepensioneerd is na een leven lang actief te zijn geweest in de vakbond voor staalarbeiders, blikt hij terug op het turbulente jaar 1909. De doorslaggevende reden daarvoor is een negentienjarige zwangere vrouw op wie hij in die tijd verliefd werd: Elizabeth Gurley Flynn (1890-1964).

Walter benut de aanwezigheid van de feministische Flynn in zijn roman ten volle. Zij blijkt de dominante figuur in een mannenwereld vol bazigheid en betutteling en weet de strijd om vakbondsrechten te verbinden met de feministische ‘emancipatie van de vagina’. Al op vijftienjarige leeftijd hield Flynn voor de Harlem Socialist Club een toespraak over ‘what socialism will do for women’. In De nietige miljoenen is ze er in de cel getuige van dat bewakers met goedkeuring van ‘boven’ vrouwen misbruiken: de gevangenis als bordeel. Dat feit wordt haar tactische troef in de juridische strijd voor democratische rechten voor de iww, International Workers of the World. Walter weet heel subtiel haar inspanningen te verweven met Rye’s blik op haar, die scherp is én een beetje verliefd.

De nietige miljoenen volgt de historische waarheid van 1909 in Spokane. Uiteindelijk worden de vijfhonderd gevangengenomen mannen vrijgelaten en kan de iww doorgaan met vakbondsactiviteiten en loonstrijd. De lezer beseft dat die strijd nog steeds gestreden wordt in Amerika, waar werkloosheid betekent dat je maar al te vaak je ziektekostenverzekering kwijtraakt en waar grote bedrijven vakbonden alleen maar zien als communistische agitatie. En dan te bedenken dat de farmaceutische megabedrijven betaalbare ‘medicare for all’ in Amerika tegenhouden door zowel Democratische als Republikeinse politici in te kapselen. De tegenwerking van 1909 ís de tegenwerking van 2021. Omkoping, spionage, geweld, verdachtmakingen; alles zet men in om de vermeende dreiging van ‘socialisme’ te dwarsbomen.

Jess Walter had een naturalistische roman kunnen schrijven waarin het lot dominant blijft en de maatschappelijke ongelijkheid een vanzelfsprekend, onwrikbaar gegeven. Met een geweldig gevoel voor contrastwerking, narratief vooruitlopen en terugblikken à la John Dos Passos weet hij duidelijk te maken dat 1909 niet echt voorbij is en dat vrouwenmoed doorslaggevend kan zijn in historisch cruciale tijden.