Het is rood en het hinnikt

De tijd waarin de zoektocht naar het goede, het ware en het schone een gezamenlijk project van de literatuur en de filosofie was, mag inmiddels een eeuw of twee achter ons liggen, toch begeven dichters en denkers zich nog graag op elkaars terrein.

Nogal wat filosofen hebben in poëzie naar wijsheid en inzicht gezocht en gingen van de weeromstuit zelf schrijven alsof ze door de Muze werden aangeblazen. Dat geldt voor Heraclitus en Plato, maar ook voor Nietzsche en Heidegger. Omgekeerd pogen veel dichters filosofie te bedrijven. In ons taalgebied kan men denken aan J.A. dèr Mouw, Hans Faverey en Henk van der Waal. Haken filosofen doorgaans naar helderheid om de duistere gronden van ziel en zijn te verlichten, dichters zijn vaak eerder geneigd de onuitsprekelijkheid van het mysterie te benadrukken.

K. Michel (1958), opgeleid als filosoof, staat sinds zijn debuut Ja! Naakt als de stenen (1989) bekend als een lichtvoetig denker. Ritme en muzikaliteit treden nergens op de voorgrond, woordkeus en zinsbouw zijn direct verstaanbaar, alle beelden onmiddellijk herkenbaar, en de toon is die van een kalme, afstandelijke, soms geamuseerde observator. Je zou dit oer-Hollandse poëzie kunnen noemen. In veel gedichten slaagt Michel erin op zo’n manier naar de alledaagse feiten te kijken dat er een tintelende verbazing optreedt: de dingen blijken heel even niet meer te zijn wat ze waren. De titel van zijn verzamelbundel luidt dan ook terecht Speling zoeken.

Michel wordt alom hogelijk gewaardeerd, zowel door poëzielezers als door mededichters en recensenten, en hij heeft al een flinke reeks prijzen in de wacht gesleept. Het was al weer zes jaar geleden dat zijn vorige bundel verscheen, dus naar een nieuw boek werd reikhalzend uitgekeken. Lost het inderdaad de belofte in? Te voet is het heelal drie dagen ver telt nog geen dertig gedichten, hetgeen betekent dat de dichter over elk ervan minstens twee maanden heeft kunnen nadenken.

De titel verwijst naar de zogeheten Kármánlijn ‘die de grens tussen de aardatmosfeer en de ruimte situeert op ongeveer 100 km hoogte’. Dat zal wel, maar ten eerste kun je daar niet te voet naartoe, ten tweede behoort ook het ondermaanse tot het heelal. Suggereert Michel dat we ons nietig bestaan wat vaker sub specie aeternitatis moeten bekijken? De bundel biedt geen uitsluitsel.

Om het beeld van de voettocht aan te houden, de dichter lijkt de weg kwijt te zijn, want de bundel hangt van flauwe readymades, woordspel en anekdotes aan elkaar. Het eerste gedicht opent met een reeks zinnen die aan nieuwsberichten zijn ontleend:

Walvis landt op vissersboot.

Trainer vindt vliegtuigdeur op voetbalveld.

Student heeft seks met standbeeld.

In de tweede strofe blijkt ‘paardbei’ het antwoord op het raadsel ‘het is rood en het hinnikt’. Aan het eind van de bundel vraagt een naaktmodel aan Matisse waarom de olifant zijn teennagels rood verft. Dat is ‘om zich beter/ te kunnen verstoppen in de kersenboom’. De naam van de Japanse dichter Basho klinkt als niezen. En wanneer een ober vraagt hoe de klant de biefstuk vond, antwoordt deze: ‘Door het toastje op te tillen.’ Is dit nu het hoogste wat in Nederlandse letteren bereikt kan worden?

Woordspel berust niet alleen op toevallige eigenschappen van woorden, die doorgaans niet op een diepere betekenislaag gebaseerd zijn, maar bovendien werkt het, zoals vrijwel alle grapjes, maar één keer. Ook is het een misverstand dat etymologie onvermoede waarheden aan het licht zou kunnen brengen. In Worry legt de dichter uit dat dit woord in de Middeleeuwen werd gebruikt voor ‘wat een jachthond doet/ met een prooi/ bijtvast de nek en dan schudden’. Het zou afgeleid zijn van ‘wyrgan’, dat zich via ‘sworga’ en ‘sorga’ heeft ontwikkeld tot ‘zorgen’ en ‘bezorgd zijn’, terwijl ook ‘wurgen’ op die stam teruggaat. Ik wil het graag geloven, maar welk verrassend inzicht levert het me op? Dat zorgen een wurgend karakter kunnen hebben?

Dat het Michel de afgelopen jaren aan inspiratie ontbrak, wordt duidelijk als men bijvoorbeeld een gedicht over Wittgenstein beschouwt, dat gebaseerd is op een fragment uit een boek van Norman Malcolm. De dichter presenteert zeven anekdotes, waarvan dit de middelste is:

Wittgenstein

wilde als hij bij ons logeerde

na de maaltijd altijd met alle geweld

helpen met de afwas. Daarbij maakte hij zich erg druk

over de hoeveelheid zeep en warm water die werd gebruikt

en over de vraag of de juiste soort vaatkwast werd gehanteerd.

Ongetwijfeld is dit typerend voor de notoir onaangepaste Wittgenstein, maar waar is de poëzie gebleven? Voegt dit iets toe aan onze kennis van de filosoof? Of is het de bedoeling dat we voortaan meer aandacht aan de afwas besteden?

Natuurlijk zijn er momenten waarop Michels gedichten een glimlach oproepen, op enkele pagina’s klinkt politieke ergernis en onmacht door, en beschrijvingen zijn steeds trefzeker. Maar er gebeurt niets. Wat moeten we in ’s hemelsnaam met een dialoogje tussen twee daklozen die over magnetrons bekvechten? ‘Heb jij een magnetron?/ – Wat?/ Heb jij een magnetron?/ – Of ik een magnetron heb?/ Ja, heb jij een magnetron?’ Hier haakt zelfs de meest welwillende lezer af. Deze bundel stelt in alle opzichten teleur.


win win

Verhip, nou heeft toch weer iemand

de melk al in de koe verkocht.

Hé daar, niet de appelmoes al voor de pluk

veilen en geen gegoochel met oogstprognoses.

Wat, ligt de toekomst maagdelijk open?

Handen thuis, dat is wel mijn uier, ja.

En hou op met de tomaten meloenig op te pompen.

Man, waarom zou je zoveel mogelijk nullen

doorschuiven? O, aha, zit je niet aan tafel

dan sta je op het menu. Hoezo, ogen

op de bal anders doet de rente hopla.

Tsjonge, ben ik morgen dan ook duurder?