Interview met Jonathan Coe

‘Het is tegenwoordig moeilijk om te verdwijnen’

De nieuwe roman van Jonathan Coe, die net in vertaling is verschenen, gaat over vier generaties moeders en dochters. Een gesprek over de tijdgeest, de schaduw van Charles Dickens en vrouwelijkheid die in de lucht hangt.

LONDEN – King’s Road werd door koning Charles II als privé-weg gebruikt, tijdens de hoogtijdagen van het Britse wereldrijk componeerde Thomas Arne er het Rule Britannia, in de jaren zeventig opende punkpromotor Malcolm McLaren er de kledingboetiek sex, en daarna werd deze winkelstraat van Chelsea blok voor blok veroverd door de Sloane Rangers, de horsey dames van de hogere middenklasse. In Jonathan Coe’s roman The Rotters’ Club belandt de aanstormende journalist Doug Anderton, de beste schoolvriend van Coe’s alter ego Benjamin Trotter, er in het bed van Ffion, een verleidelijke (en verloofde) redactrice bij Horse and Hound. Doug toont zich onder de indruk van de Georgiaanse appartementen en de ordentelijke pleintjes. Hier wordt het leven, anders dan in zijn Birmingham, op een grote manier geleefd.

‘Het is geen onaardige omgeving’, beaamt Coe, zittend in café Picasso’s aan de genoemde straat, waaraan ook, toeval is overal, een peuterwinkel ‘Trotters’ is gesitueerd. Zelf woont de auteur een mijl in westelijke richting – waar de huizenprijzen wat minder ongerijmd zijn – maar hij schrijft zijn boeken in een studio aan King’s Road. Wanneer hij diep in de plot zit, of als familieleden in zijn studio willen logeren, huurt hij een ruimte in een gerestaureerde boerderij, meestal via de Landmark Trust, het Britse Natuurmonumenten.

Jonathan Coe (Birmingham, 1961), die dit jaar het opvallend stemmige The Rain Before it Falls publiceerde, staat bekend als een elegante, heldere en lichtvoetige verhalenverteller met gevoel voor suspense en, bovenal, voor humor. Deze humor is geen vluchtgedrag, eerder de reflectie van een krankzinnige wereld. Dat is mede de reden dat hij, een beetje tegen wil en dank, faam heeft verworven als de voornaamste ‘state-of-the-union’-_schrijver. Zo schetste hij in _The Rotters’ Club (2001) een persoonlijk portret van de jaren zeventig, de bruine tijd waar hij ondanks alle stakingen, ontluikend racisme en ira-bomaanslagen nostalgisch naar terugkijkt. Er leefde indertijd immers iets als harmonie, hetgeen verdween in de jaren tachtig, een maatschappelijke ijstijd die is belicht in What a Carve Up! (1994). De cynische, lege Blair-jaren komen er niet veel beter vanaf in The Closed Circle (2004), het vervolg op The Rotters’ Club.

Coe is niet de enige Engelse chroniqueur. Tim Lott (Rumours of a Hurricane) en Alan Hollinghurst (The Line of Beauty) hebben de jaren tachtig vanuit verschillende perspectieven onder woorden gebracht, zoals Blake Morrison dat deed met de Blair-jaren in South of the River. Dat dit genre in Engeland zoveel beter is ontwikkeld dan in Nederland en Frankrijk heeft naar Coe’s idee te maken met de grote schaduw van Charles Dickens, een schrijver die precies de smaak wist weer te geven van Victoriaans Londen. ‘Doordat we hem proberen na te doen, heeft de sociale roman zich genesteld binnen onze cultuur. Maar met The Rain Before it Falls heb ik bewust een stapje terug gezet omdat ik het gevoel kreeg dat mijn boeken een beetje té journalistiek werden.’ Terwijl de Amerikanen soms vinden dat Coe’s boeken ‘te Engels’ zijn, krijgt hij in het buitenland regelmatig te horen dat mensen zijn boeken graag lezen omdat ze dan weer op de hoogte zijn van wat er op het eiland plaatsvindt. ‘Dat is aardig, maar niet waar romans uiteindelijk voor bedoeld zijn’, zegt Coe.

Zijn jongste raamvertelling kan inderdaad niet worden aangezien voor journalistiek. De Zeitgeist duikt alleen in het begin op, wanneer Gill een telefoontje krijgt over een sterfgeval en haar meeluisterende echtgenoot zich zorgen maakt over hun dochters in het door bomaanslagen geteisterde Londen. Het blijkt echter te gaan om het heengaan van tante Rosamond. Tijdens het opruimen van Rosamonds spullen komt Gill cassettebandjes tegen die ze bleek te hebben achtergelaten voor de kleindochter van haar nicht Beatrix, de blinde Imogen. Gill slaagt er niet in Imogen op te sporen en besluit de cassettes samen met haar dochters te beluisteren, hopend op hints naar de verblijfplaats van de blinde geadresseerde. Het blijkt te gaan om een gedetailleerde beschrijving van twintig foto’s, waarmee de tragische levens van vier generaties moeders en dochters binnen een Engelse familie worden belicht. Voor de kleuter Imogen fungeerde Rosamond lang geleden, samen met haar toenmalige vriendin, als een tijdelijke moeder. Langs deze weg wil Rosamond (de naam is een hommage aan de door Coe bewonderde schrijfster Rosamond Lehmann) haar verloren ‘dochter’ iets vertellen over haar levensgeschiedenis, bijvoorbeeld hoe ze haar zicht is kwijtgeraakt.

De roman kreeg lovende kritieken in de Engelse pers, iets waar Jonathan Coe minder waarde aan hecht dan vroeger: ‘Naarmate je ouder wordt, krijg je meer vertrouwen in het pad dat je in bent geslagen. Het is interessant om te vernemen wat mensen ervan denken, maar je belandt niet meer in de put door een rotrecensie. Er was maar één recensent, collega-schrijver Tim Pears, die opmerkte dat er juist weinig fundamenteel verschil bestaat met mijn andere boeken. En dat is zo. Het is alleen anders aan de oppervlakte. De wat meer persoonlijke onderwerpen die vroeger wat op de achtergrond speelden, achter de komedie en het sociale commentaar, zijn nu naar voren gehaald. Dit keer heb ik het gordijn opengetrokken, maar ik zal het hierna weer sluiten.’ Hij trekt een parallel tussen zijn carrière en die van Woody Allen: ‘Hij maakte in de jaren zeventig komische films, maar kwam dan opeens met het sombere Interiors. Daarna kwam hij weer gewoon met een komedie, al dan niet een zwarte. Maar ik zie geen rivaliteit tussen de verschillende stemmingen. Ook achter een komedie kan treurnis schuilgaan, het is alleen wat minder duidelijk.’

Een voorbeeld van een thema dat in The Rain Before it Falls duidelijk naar voren komt, maar reeds sluimerde in zijn eerdere werken, is de onmogelijkheid om permanente liefde te vinden. De gelukkigste dagen van Rosamond waren toen zij met haar geliefde Rebecca de zorg had voor de kleine Thea. Voor Rosamond was een droom uitgekomen: het leven in een ‘gewoon’ familieverband, dat niet lang zou duren, enerzijds omdat Thea’s moeder terugkwam, anderzijds omdat een lesbische relatie in de jaren vijftig verre van gemakkelijk was. Het bleef bij een fragiele situatie die twee jaar duurde. In een verlangen naar warmte, naar het volgen van haar moederlijke instincten, probeerde Rosamond zich tevergeefs te ontfermen over Imogen, nadat haar moeder Thea hier niet toe in staat was gebleken. In de broeierige momenten vóór het noodweer is er nog steeds de mogelijkheid dat iets je gelukkig kan maken, merkt de kleine Thea tijdens een vakantie op.

Het bekijken van foto’s en het vertellen van verhalen is regelrecht afkomstig uit Coe’s gewone leven. Zijn dochters, zes en negen jaar oud, bleken veel interesse te koesteren voor de familiegeschiedenis van hun vader en moeder, en hun ouders. Jonathan Coe: ‘Zodra we in het huis van mijn ouders zijn, willen ze de fotoalbums zien. Ze vragen altijd wie wie was en leren daardoor iets over hun eigen plaats. Voor ons gezin zijn foto’s de voornaamste link met het verleden, aangezien mijn ouders en mijn grootouders geen brievenschrijvers waren. De interessantste foto’s vind ik niet de “mooie” kiekjes van vergezichten of poserende nichtjes, maar de gewone foto’s, van de keuken of de bouw van mijn grootouders’ huis. Er zijn geen mensen op te zien maar ze roepen momenten op die anders verloren zouden zijn gegaan. Foto’s prikkelen de verbeelding meer dan video-opnamen. Na de geboorte van mijn eerste dochter kochten we een camera en filmden we elke minuut dat ze wakker was. Op een gegeven moment zagen we de zinloosheid ervan in. Het bewaart niet de herinneringen waar we over zoveel jaar geïnteresseerd in zijn.’

Het personage Imogen is eveneens uit het ware leven afkomstig. Twintig jaar geleden was Coe aanwezig op een huwelijksfeest waar alle gasten onder de indruk waren van een knap, blind meisje. Pas nadat hijzelf vader was geworden, durfde Coe deze herinnering nader uit te werken. Met haar verdwijning introduceert hij nog een autobiografisch element. Hij vertelt dat er belangrijke mensen uit zijn leven opeens waren verdwenen, met name school- en studievrienden: ‘Ik heb sterke herinneringen aan hen en ik vraag me af wat ze in hun leven zijn gaan doen. Maar met de jaren is er ook een zeker fatalisme in me geslopen. Ik zie geen basis om deze vriendschappen te reanimeren. Het is misschien niet zozeer de fysieke verdwijning als wel de mentale. Immers, vandaag de dag is het moeilijk om écht te verdwijnen. Dat was een probleem dat ik had bij het bedenken van de plot voor mijn laatste boek. Je hebt misschien gemerkt dat ik Gill weinig heb laten doen om Imogen op te sporen. Het uit het oog verliezen van mensen hoeft niet meer in ons internettijdperk, maar er is tegelijkertijd een gebrek aan menselijk contact. Ik ken mensen die de helft van hun vrije tijd op Facebook doorbrengen. Laatst vroeg iemand me om op Facebook te gaan scrabbelen. “Maar je kunt altijd naar me toe komen om scrabble te spelen”, zei ik. Maar is dit de wereld van oneindige keuzes, een wereld waarin internet de kans biedt om, op afstand, scrabble te spelen?’

Coe staat ambivalent tegenover keuzevrijheid. Een overdosis ervan leidt zijns inziens niet tot geluk. Integendeel: ‘Wanneer je een ding kiest, loop je andere dingen mis. Wij kijken altijd over onze schouder en vragen ons af: hebben we de goede keuze gemaakt? Dat probleem hadden we vroeger niet. Daarom is keuze binnen iets cruciaals als de gezondheidszorg waanzin. Wanneer ik mijn been breek, wil ik zo snel en zo dichtbij mogelijk hulp ontvangen. Keuzevrijheid wordt voorgesteld als de hoogste deugd. Ik heb geen idee wie mijn internetprovider is, laat staan of deze goedkoper of duurder is dan de andere. Het kan me niets schelen.’

Het doelloos ronddolen in een wereld waarin alles mogelijk is, de keuzemogelijkheden oneindig zijn, is het probleem waar de tobbende schrijver Benjamin mee zit in The Closed Circle. Hij stelt zichzelf geen grenzen bij het schrijven van zijn boek (met muziek), geen deadline, geen uitgever, het gaat overal en nergens over. ‘Toen ik studeerde was ik gefascineerd door Pilgrimage van de schrijfster Dorothy Richardson, de eerste die stream-of-consciousness toepaste. Dit boek in twaalf, dertien delen begint nergens en houdt nergens op. Toen vond ik het interessant, maar toen ik er een paar weken geleden weer in bladerde, werd ik boos. Wat een nutteloze onderneming, dacht ik. Er is niet gekneed, geen betekenis gegeven. Het is alleen maar ervaring. Ze heeft haar plicht als schrijver verzaakt. Lezers hebben recht op een uitkomst.’

De jonge Coe zat met hetzelfde probleem als Benjamin. Hij schreef twee, drie boeken voordat het eerste, The Accidental Woman, in 1987 werd gepubliceerd. Het ene ging over een twintigjarige student op Cambridge, het andere over een 24-jarige promovendus op Warwick die met een proefschrift over Henry Fielding bezig was. ‘Een stem van binnen zei dat ik op de verkeerde weg zat. Ze waren saai omdat ik mijn verbeelding niet heb gebruikt. Ze gingen over mezelf. Daarom schreef ik The Accidental Woman, met een vrouwelijk hoofdpersonage. Het is, eerlijk gezegd, geen heel grote stap om in de huid van een vrouw te kruipen, minder moeilijk althans dan het schrijven vanuit het perspectief van een Nederlander of van arbeiders uit een achterbuurt van Leeds, omdat ik de taal en de details niet beheers. Mannen en vrouwen van vergelijkbare komaf hebben weliswaar niet dezelfde manier van denken of voelen, maar ze spreken dezelfde taal, gebruiken dezelfde woorden. En woorden zijn de eerste barrière. Wat betreft het voelen of denken: wanneer je je niet kunt inleven, dan moet je geen schrijver worden. Mijn voordeel is bovendien dat ik thuis omringd ben door vrouwen. De vrouwelijkheid hangt in de lucht.’

Bij The Rain Before it Falls stelde hij zich een nieuwe beperking door alleen foto’s te beschrijven. Daartoe had hij het beeldscherm gesplitst: een foto aan de ene en de tekst aan de andere zijde. Hiermee dwong hij zichzelf om zijn verbeelding te gebruiken, meer dan bij het schrijven van een gewone roman. Jonathan Coe: ‘Soms zijn restricties heel bevrijdend. De Franse romanschrijver George Perec is wat dat aangaat een held van me. Hij schreef ooit een prachtboek zonder de letter e te gebruiken – geniaal naar het Engels vertaald als A Void. Tot zo’n technisch hoogstandje ben ik niet in staat, maar zijn werkwijze heeft mij bezield.’ Ondanks de beperking kostte het bedenken van de familiegeschiedenis hem weinig moeite: ‘Nee, wat ik uiteindelijk moeilijk vind, is gewoon het schrijven van zinnen, proberen om niet saai te zijn, het zien van een scène en daarbij de passende woorden te vinden. Ik onderhoud een haat-liefdeverhouding met taal, een probleem, want het is het enige gereedschap. Daarom ben ik zo jaloers op componisten, want die kunnen uitdragen wat ze voelen in dit fantastische universum van noten en tonen. Het is directer en universeel. Ongetwijfeld hebben componisten ook frustraties, maar van taal hebben ze in ieder geval geen last.’ Muziek, zo zegt hij Benjamin na, always makes sense, terwijl het dagelijkse leven een grote chaos is, een stroom van betekenisloze ervaringen, van verwarring, zinloze keuzemogelijkheden: ‘Daarom hebben we muziek, maar ook schilderijen, gedichten, beeldhouwwerken en boeken nodig om tijdelijke orde aan te brengen.’

Waar The Rain Before it Falls een vioolsonate is, zal het volgende boek weer een orkeststuk met Zeitgeist zijn. Maar wat voor een geest? Volgens Coe is het moeilijk om een vinger op de huidige tijd te leggen. Er is een complexe, kille maatschappij ontstaan waarin individuen wat verloren ronddolen. Het verbaast Coe niets, sterker, het verheugt hem, wanneer ik hem voorhoud dat 1976 is uitgeroepen tot het jaar waarin de Engelsen het gelukkigst waren: ‘Het bestaan was simpeler en er was een gevoel van solidariteit. De enige gemeenschappelijke waarde tegenwoordig is keuzevrijheid voor de consument. Weet je, hoewel ik een atheïst ben, begin ik de teloorgang van de Anglicaanse kerk te betreuren. Zelfs het geloven in een verzonnen verhaal geeft je iets waardevols om je leven omheen te bouwen, iets méér althans dan de vraag welke zeep je gaat kopen in de Body Shop, hier aan de overkant van de straat.’

Jonathan Coe, De regen voor hij valt. Vertaling van The Rain Before it Falls, door C. Tabak. Querido, 221 blz., € 18,95.

Vertalingen van Coe’s eerdere romans, De Rotters Club en De gesloten kring (beide Meulenhoff-uitgaven), liggen in de ramsj onder meer bij Het Martyrium te Amsterdam. Het huis van de slaap (Querido) is nog verkrijgbaar in midprice-editie (€ 12,50). Op 4 oktober om 19.00 uur zal Jonathan Coe worden geïnterviewd in boekhandel Selexyz Scheltema te Amsterdam