Het is tijd dat de kunstsector stopt met pleasen

Luister naar dit artikel

In het Museum voor Niet-Essentiële Kunst kun je kijken naar objecten die absoluut niet-essentieel zijn en wie wil, kan ze nog kopen ook. Het initiatief van We Are Public opende in Amsterdam, officieel als winkel maar op de eerste plaats als bijtende kritiek op het huidige coronabeleid. Je vindt er producten gemaakt door kunstenaars met materiaal afkomstig uit Action en Primark, winkels voor niet-essentiële producten die weer volop in bedrijf zijn. Het is plastic galore in dit museum: een set badslippers in regenboogkleuren, een herdenkingslicht met duif en ondergaande zon, een boeddha op een boomstronk. ‘Kennelijk mogen we momenteel alleen kijken naar voorwerpen die te koop zijn’, was de nuchtere constatering van de organisatie.

Minister Van Engelshoven is ondertussen nergens te bekennen

Ruim vijf maanden is de culturele sector op slot en niet eerder voelde die situatie onrechtvaardiger én onbegrijpelijker. Winkels, horeca, bordelen: terwijl de zorg overuren draait en patiënten wanhopen, deelt het kabinet deze geneugten des levens uit als cadeautjes aan het volk. Ondertussen blijven de theaters, bioscopen en musea, plekken bij uitstek die gewend zijn om iedere bezoeker te tellen, om routes en zitplaatsen toe te wijzen, plekken met waterdichte protocollen, dicht.

Het Museum voor Niet-Essentiële Kunst speelt een slim spel van omkering en uitvergroting, een strategie waar de kunst in uitblinkt. De Oude Kerk in Amsterdam ontdekte dat zij als kerk de deuren gewoon kon openen en de Vleeshal in Middelburg doopte zichzelf eerder al om tot winkel. In het Stedelijk Museum in Amsterdam wachten we met smart op de opening van de tentoonstelling van Bruce Nauman. Met een beetje fantasie installeert het museum Seven Figures – de lichtsculptuur met het silhouet van een orgie – vanavond nog op de gevel en voilà, we hebben een seksclub.

De veerkracht van de sector in coronatijd is alom geprezen en inventiviteit en creativiteit worden steevast genoemd als de toegevoegde waarde van kunst in de maatschappij. Maar creativiteit is ook een achilleshiel: volstrekt ongevaarlijk is ze makkelijk voor een karretje te spannen en nog makkelijker te negeren. Waar andere sectoren hun woede over gederfde inkomsten uitten, zit de kunst als braafste jongetje van de klas nog altijd met de vinger omhoog. In die rol gedwongen sinds de aankondiging van de grootschalige cultuurbezuiniging onder Halbe Zijlstra, nu tien jaar geleden. Beroofd van een vanzelfsprekend bestaansrecht moet de kunst zichzelf voortdurend legitimeren. De brief aan de Kamer die Balie-directeur Yoeri Albrecht en kunstenaar Tinkebell onlangs opstelden, ondertekend door vele prominenten, is in dit opzicht veelzeggend. Zij spraken zich uit tegen de testwet en hielden en passant nog maar eens een worst voor. De musea in België zijn al maanden open, schreven zij. ‘Dit leverde een hele nieuwe groep museumgangers op: mensen die nog nooit of zeer sporadisch in het museum geweest waren.’ Stel u voor, minister. Dat kunnen wij ook.

Een jaar corona heeft veel zichtbaar gemaakt. Plots bleken er allerlei breuklijnen door de samenleving te lopen: een onderscheid tussen al dan niet vitale beroepen, al dan niet acute zorg en al dan niet essentiële winkels. Ieder kreeg een plek op de ladder en voor de culturele sector blijkt die helemaal onderaan. De reden daarvoor is ondoorgrondelijk, de boodschap niettemin duidelijk. In een debat over de testwet sprak demissionair minister Hugo de Jonge: ‘Je kunt ook (…) überhaupt niet naar het theater gaan en gewoon een mooie dvd opzetten.’ Bij de laatste persconferentie voegde hij eraan toe dat we ook best ‘een dag’ zonder theater en museum kunnen. Die onverschilligheid is een klap in het gezicht, bijvoorbeeld van het Holland Festival, het grootste internationale podiumkunstenfestival waarover in dit nummer een uitgebreide special. Minister Van Engelshoven, die het zou moeten opnemen voor de kunst onder haar hoede, is ondertussen nergens te bekennen. De grootste schade aan de culturele sector is niet eens in geld en bezoekersaantallen uit te drukken. De deuk in het zelfvertrouwen na jaren gericht beleid én een crisis eist zijn tol. Het is zaak dat de sector stopt met pleasen en, zodra het kan, de mooiste en beste niet-essentiële kunst gaat tonen. We kunnen namelijk niet zonder.