Column

Het is tijd voor De Ontwerper

Het vak van ontwerper gaat niet alleen maar over mooi, over esthetiek, maar ook over het bieden van alternatieven, het tonen van nieuwe horizonten, het doorbreken van taboes. Laat ontwerpers hun eigen sector vormgeven.

Vooral sinds ik What Design Can Do organiseer, raak ik vaak met mensen in gesprek over wat design precies is. Sinds wanneer valt ‘voedsel’ onder design, vragen ze? En wat is ‘social’ design? Is alle design niet social? En is architectuur dan ook design?

Wel, alles is design. Alleen de natuur niet. Alhoewel creationisten mij daar wellicht in zullen tegenspreken. Alles wat de mens heeft aangeraakt is in de kern design, vormgegeven. Stap ’s ochtends uit je bed, kijk op de klok hoe laat het is, eet je Kellogg’s uit een blauwe of witte kom aan een houten tafel, zittend op een stoel. Fiets naar je werk, stuur je berichten via WhatsApp. Inderdaad, het is allemaal vormgegeven.

Vanuit die stelling is de maatschappij waarin we leven dus design en kan de rol van de ontwerper niet serieus genoeg genomen worden. Dat doet de overheid ook, tot op zekere hoogte. Sinds het vorige kabinet de creatieve sector tot een van de negen speerpunten in het top­sectorenbeleid heeft gemaakt, is een groot aantal stichtingen, instituten, fondsen, raden, topteams, boards en andere advies- en uitvoeringsorganen bezig deze sector een impuls te geven.

Dat kan ik alleen maar toejuichen. Hoe meer de creatieve sector wordt gestimuleerd, hoe liever het me is. Creative thinking heeft de wereld veel te bieden. Ontwerpers kunnen op veel meer terreinen dan waar zij traditioneel mee in verband worden gebracht een bijdrage leveren. Een van de redenen om de conferentie What Design Can Do te beginnen, is juist dat laten zien.

Wat me wel opvalt, is dat binnen die vele advies- en uitvoeringsorganen en ook binnen het creatieve onderwijs een bestuurscultuur is gegroeid waarin de stem van de creatieven zelf nauwelijks doorklinkt. Zeker in het onderwijs zijn door fusies kolossale, logge organisaties ontstaan met – soms falende – raden van toezicht, colleges van bestuur en vele managementlagen daaronder. Hetzelfde model is inmiddels op vele organisaties in de creatieve sector losgelaten. Dat is verbazingwekkend, omdat in deze wereld juist ruimte voor persoonlijke ontwikkeling en ongebreidelde creatie de toon zou moet zetten.

Dat de wereld geregeerd zou moeten worden door ontwerpers is wellicht wat veel gevraagd, alhoewel ik er graag getuige van zou willen zijn. Maar laat ontwerpers dan in ieder geval hun eigen sector vormgeven. De berichten in de media van het afgelopen jaar hebben genoeg stof tot nadenken gegeven. Een fusie van het Nederlands Architectuur Instituut met de Premsela Stichting en het Virtueel Platform werd door iemand van Berenschot begeleid!

Het samenvoegen van deze disciplines is een goed idee, maar de gesloten cultuur waarbinnen dat gebeurde verdient geen schoonheidsprijs. Hopelijk pakt de nieuwe directeur Guus Beumer de handschoen snel op, want de huidige stilte in Rotterdam doet Het Nieuwe Instituut, zoals de fusieorganisatie heet, al bijna in de vergetelheid wegzakken.

Daarbij is het goed op te merken dat de creatieve sector het zich tot nog toe allemaal redelijk ongeïnteresseerd heeft laten welgevallen. Juist nu zouden ontwerpers, architecten, game­makers en andere creatieven hun volle gewicht in de schaal moeten leggen om ervoor te zorgen dat Nederland een instituut krijgt dat de sector daadkrachtig vooruit kan helpen. Beumer zou er goed aan doen zich te omringen met adviseurs uit het veld zelf, maar andersom zou dat veld zijn diensten wel eens wat luider mogen aanbieden.

Waar de opmars van de managementcultuur toe kan leiden hebben we gezien bij de recente bestuurscrisis bij ArtEZ, zo’n typisch geval van een fusiehogeschool voor de Kunsten in Arnhem, Zwolle en Enschede. Drie steden, alle kunstdisciplines door elkaar. Met achthonderd (!) personeelsleden en drieduizend (!!!) studenten. Opgetuigd als een soort zorginstelling. De bestuurders zijn ontslagen, de hogeschool is in crisis.

De Design Academy Eindhoven dreigde vorig jaar aan dezelfde managementcultuur ten prooi te vallen. Gelukkig is daar het licht op tijd aan gegaan en hebben docenten, allemaal praktiserende ontwerpers, zich daartegen verweerd. Nu hebben zij samen met een ontwerper als creatief directeur – Thomas Widdershoven van Thonik – weer een leidende rol. En zo hoort het ook.

Als de overheid de creatieve topsector serieus neemt, moeten ontwerpers in de lead zijn. Het succes van Dutch Design is wereldwijd heel groot. Maar dat blijft niet vanzelf goed. Als er iets moet gebeuren, is het dat we het onderwijs kleinschaliger maken en laten aansturen door het creatieve veld zelf. Dat we ons realiseren dat de internationale status van de Design Academy ook kwetsbaar kan zijn. En dat het begrip Dutch Design dringend toe is aan een nieuwe lading.

Er is een goede aanleiding voor her­bezinning. De crisis die nu vijf jaar woekert, heeft ook Nederlandse ontwerpers wakker geschud. Zoals het was wordt het nooit meer. En dat werpt onherroepelijk een paar existentiële vragen op. Waarom doe ik de dingen die ik doe? Wat is mijn bijdrage? Hoe kan ik dingen op een positieve manier veranderen? Die vragen stellen ontwerpers zichzelf ook. Het gaat in hun vak niet alleen maar over mooi, over esthetiek. Het gaat ook over het bieden van alternatieven, het tonen van nieuwe horizonten, het bijdragen aan oplossingen voor prangende grote en kleine maatschappelijke vraagstukken, het doorbreken van taboes. Niet met praatjes maar doen. Jan Schaeffer zei het al: ‘In gelul kun je niet wonen.’

Het mooie is dat ontwerpers doeners zijn. Dat zit in hun dna. Een probleem is een vraag voor een ontwerper, een taboe een uitdaging. Ontwerpers combineren conceptueel en abstract denken met idealistische vergezichten en praktische toepasbaarheid.

Alles is design. Daarom misschien ook wel, is dit het tijdperk van De Ontwerper, met hoofdletters. Het tijdperk waarin zij zelf hun sector vormgeven en daarnaast, samen met overheid, bedrijfsleven, de consument, gebruiker en publiek de maatschappij veranderen.

Mijn collega’s, en ik, zijn er klaar voor.


Richard van der Laken is mede-oprichter van grafisch ontwerpbureau De Designpolitie, mede-auteur van de wekelijkse visuele column Gorilla in De Groene Amsterdammer en mede-oprichter en directeur van What Design Can Do, een evenement over de impact van design