Hoofdcommentaar: Wederopbouw

Het is tijd voor wederopbouw

Alsof het niets is, raakte het kabinet-Balkenende vorige week binnen zes maanden zijn vierde bewindspersoon kwijt. Na Bijlhout, Bomhoff en Heinsbroek voelde demissionair minister Korthals van Defensie zich genoopt ontslag te vragen. De parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid verweet hem tijdens zijn ministerschap van Justitie onder Paars II het parlement willens en wetens onjuist te hebben geïnformeerd. Dat was kritiek die Korthals tijdens het vorige kabinet wel vaker hoorde, maar nu gaf hij aan deze «doodzonde» gevolg en droeg de minister van Defensie zijn departement over aan Henk Kamp, die ook al minister is van Vrom. Eerder kregen de ministers De Geus (Sociale Zaken en Volksgezondheid) en Hoogervorst (Financiën en Economische Zaken) er beiden een departement bij. Omdat na de verkiezingen niet de meest soepele informatie en formatie verwacht wordt, zullen de dubbelministers tot ruim in 2003 aanblijven. Of dat de slagkracht van de betreffende departementen in dit toch al verloren jaar ten goede komt, is de vraag.

Ondertussen vond vorige week in de Tweede Kamer binnen het tijdsbestek van één maand het tweede spoeddebat plaats met demissionair minister Nawijn, die het na zijn pleidooi voor de doodstraf deze keer tijd vond het bestaansrecht van het parlement in twijfel te trekken. Hij noemde de parlementaire behandeling van zijn beleid «één groot ritueel» en ergerde zich eraan dat hij door kamerleden in de rede werd gevallen. In de beste tradities van de nieuwe politiek zei Nawijn wat hij dacht en kwam ermee weg. Een VVD-minister mag zijn biezen pakken, een minister die namens de LPF in het kabinet zit, wordt nog even gespaard om geen «martelaren te kweken», zoals PvdA-leider Bos het noemde in het debat over de doodstraf. Toen echter was Nawijn nog in beeld als lijsttrekker van de LPF, bij het debat over de rituele rol van de Tweede Kamer was hij door zijn partij inmiddels onder aan de kandidatenlijst geplaatst.

Minister-president Balkenende riep Nawijn twee keer tot de orde, maar dwong de minister niet tot aftreden, al leek hij er tegelijkertijd geen direct bezwaar tegen te hebben als een kamermeerderheid de door de Socialistische Partij ingediende motie van wantrouwen zou steunen. Pas na lang aandringen van VVD-leider Zalm liet Balkenende met zoveel woorden weten de motie van Marijnissen te ontraden en kon Nawijn opgelucht ademhalen.

Serieus genomen wordt de minister van Integratie en Vreemdelingenbeleid echter al lang niet meer, hoe cruciaal zijn rol afgaand op het regeerakkoord ook had moeten zijn. Aan het zo veel bediscussieerde integratiebeleid is hij vooralsnog in ieder geval niet toegekomen en in het kabinet lijkt zijn rol uitgespeeld, waarmee het aantal functionerende bewindslieden met nog één is teruggebracht.

Ondanks deze treurige balans van een half jaar kabinet-Balkenende blikte de demissionaire premier in een vraaggesprek in de Volkskrant nogal tevreden terug. Op zijn leiderschap gedurende de afgelopen maanden was ongeacht de vele incidenten met vooral de LPF-ministers volgens hem weinig aan te merken. «Ik denk dat het best goed is gegaan», meende Balken ende, anders of beter had hij het althans niet kunnen doen. Over het geval-Nawijn zei de gewezen kabinetsformateur: «Je hebt het niet altijd voor het uitzoeken.»

De opeenstapeling van akkefietjes, botsingen en miskleunen en de val van een kabinet zonder inhoudelijk verschil van mening hebben het toch al gehavende aanzien van de politiek bepaald geen goed gedaan. Na de on-Nederlandse gebeurtenissen van begin mei had het de eerste prioriteit moeten zijn rust en orde terug te brengen en het beschaamde vertrouwen in de politiek en de rechtsstaat te herstellen. De eerstverantwoordelijke hiervoor was premier Balkenende, maar hij is daarin niet geslaagd. De laconieke houding die de premier zich aanmeet, nu ook weer in het interview in de Volkskrant, is misschien de houding van een tevreden lijsttrekker van een politieke beweging die zich heeft hervonden, maar niet die van premier van een land dat getuige enkele reacties op het rapport van de commissie-Van den Haak over de beveiliging van Pim Fortuyn nog altijd in verwarring verkeert.

«Nederland heeft zijn onschuld verloren», zei vice-premier Johan Remkes toen hij het rapport in ontvangst nam. En hij voegde daaraan toe: «Het fatsoen moet terug in de politiek.» In zijn boek Anders en beter, dat tijdens de vorige verkiezingscampagne verscheen, zei lijsttrekker Jan Peter Balkenende, meeliftend op het succes van Fortuyn, zich te willen ontfermen over de «wederopbouw» van Nederland, na acht desastreuze paarse jaren. De term viel verkeerd bij toenmalig premier Wim Kok. Vorige week kreeg Kok uit handen van Balkenende een hoge koninklijke onderscheiding. Balkenende had van de weeromstuit zijn mening herzien en zei dat Nederland bij Kok acht jaar lang «in goede handen» was. Ook excuseerde hij zich bij deze gelegenheid met terugwerkende kracht voor het gebruik van de term «wederopbouw». Hij besloot deze term in volgende drukken van Anders en beter te schrappen. Ook dat was de verdienste van Kok, zegt Balkenende nu.

Maar zou dit de enige reden van de CDA-lijsttrekker zijn geweest om niet meer te spreken van «wederopbouw»? Vast niet. Juist nu, na de puinhopen van zes maanden Balkenende 1, is het woord op zijn plaats. Herstel van normen en waarden in de politiek, de terugkeer van het «fatsoen», om met Remkes te spreken, is in de aanstaande verkiezingscampagne gewenst.