Verkiezingen: Niet-stemmers

Het is toch één pot nat

Drie op de tien mensen gaan niet stemmen. Wie dat zijn, en waarom ze niet gaan, is onduidelijk, ondanks onderzoeken. Misschien moet de politiek de hand in eigen boezem steken en de burger weer vertrouwen geven dat stemmen zin heeft.

Medium groene niet stemmen illustratie

Volgens sommige media gaat het belangrijkste gevecht op 12 september tussen Mark Rutte en Emile Roemer: welk van hun twee partijen wordt de grootste? Maar de grootste partij bij de verkiezingen staat al lang vast: dat is de partij van de niet-stemmers. Al in 2010 vormden zij de grootste fractie, en volgens mensen die het weten kunnen groeit hun aantal stevig door. Kees Aarts, hoogleraar politicologie aan de Universiteit Twente, deskundig op het gebied van verkiezingsonderzoek, zegt: ‘Ik hou er serieus rekening mee dat we afstevenen op een historisch dieptepunt. Ik hou rekening met een opkomst bij de komende Kamerverkiezingen van tussen de 65 en zeventig procent.’

Wie de – alomtegenwoordige – verkiezingscampagne volgt, krijgt geen moment dat idee. Twee zetels verschil in een peiling van Maurice de Hond is een bericht op alle radiozenders en alle nieuwssites. Maar dat bijna een op de drie stemgerechtigden niet meedoet, lijkt een angstvallig geheim; niemand heeft het erover in politiek Den Haag. Rondom niet-stemmen hangt een taboe, ook al ‘bezondigt’ inmiddels dertig procent van de bevolking zich eraan. Zijn het soms spelbedervers die niet meedoen aan het feestje dat verkiezingen heet, en die daarom kunnen worden stilgezwegen? Of is er meer aan de hand?

Sommige politieke wetenschappers proberen al jaren aandacht te vragen voor het fenomeen. Maar de opiniepeilers houden hun mond en ook politieke partijen besteden er liever geen aandacht aan. Dat is geen toeval, denkt Kees Aarts: ‘Het establishment weet best dat het geen baat heeft bij een hogere opkomst. Niet de middenpartijen, maar de partijen op de flanken groeien als niet-stemmers alsnog naar de stembus komen. Daarom vinden middenpartijen het eigenlijk wel best.’

Medium grafieken 1

Daarin staan de Nederlandse politici niet alleen. Al sinds 1990 loopt overal in de westerse wereld de opkomst bij verkiezingen terug, maar algemeen wordt het afgedaan als een natuurverschijnsel. In Nederland daalde het enthousiasme vooral voor de Europese, de provinciale en later ook de gemeentelijke verkiezingen. De opkomst voor de Tweede-Kamerverkiezingen is verhoudingsgewijs nog steeds hoog. Maar sinds in 1970 de stemplicht werd afgeschaft, daalt het aandeel van de kiezers dat daadwerkelijk een stem uitbrengt gestaag. Zelfs het positieve effect van nieuwkomers Pim Fortuyn en Geert Wilders op de opkomst bleek van voorbijgaande aard. Bij de laatste Kamerverkiezingen in 2010 bracht 75 procent van de kiesgerechtigden haar stem uit. Dit jaar, zo verwacht Kees Aarts, eindigt dat cijfer dus vijf tot tien procent lager.

Over niet-stemmers is bar weinig bekend. Het inzicht in hun motieven en achtergronden is ronduit gebrekkig. Feitelijk onderzoek is op de vingers van één hand te tellen – en staat in geen verhouding tot het aantal onderzoeken dat betrekking heeft op de daadwerkelijke stembusuitslag. Maar dit is niet alleen een blijk van beperkte belangstelling; onderzoek naar niet-stemmers is ook heel lastig. Zelfs een wetenschapper die er intensief mee bezig is als Kees Aarts zegt: al het beschikbare onderzoek laat zich samenvatten tot de conclusie dat we er eigenlijk heel weinig van afweten.

Niet-stemmers laten zich moeilijk ondervragen. Ze werken liever niet mee aan enquêtes, en als ze het wel doen, is het nog maar de vraag of ze de waarheid spreken. Een kwart van de mensen die niet hadden gestemd verklaarde in een Zweeds onderzoek wel degelijk een stem te hebben uitgebracht. Deze foute meldingen leiden ertoe dat het fenomeen consequent wordt onderschat in onderzoeken. Dat heet met recht een taboe.

Kees Aarts zegt dat niet stemmen vaker een opwelling is, gebaseerd op een gevoel, dan een weloverwogen besluit. Het is per definitie een individuele actie. Groepskenmerken bieden misschien een aanwijzing, maar ze geven geen doorslag. Jongeren gaan bijvoorbeeld van alle kiesgerechtigden het minst vaak stemmen, maar toch komt een meerderheid altijd nog opdagen. Mede daarom zijn wetenschappers er (nog) niet in geslaagd een model te bouwen dat stemgedrag zou kunnen voorspellen.

Maar al kun je het niet voorspellen, je kunt nog wel proberen het gedrag van niet-stemmers te verklaren, om zodoende meer greep op het fenomeen te krijgen. Diverse sociale wetenschappers hebben daartoe de afgelopen jaren een poging gedaan. De Rotterdamse socioloog Godfried Engbersen schreef tien jaar geleden al een artikel waarin hij aandacht vroeg voor het groeiende aantal afhakers in oude stadswijken die zich, zoals hij dat noemde, steeds vaker ‘verschuilen achter sociale coulissen’. Ze houden zich onbereikbaar en hebben bijvoorbeeld vaak een geheim telefoonnummer. Dat heeft te maken met de buurt waar ze wonen, zegt Engbersen. Van cultureel homogene arbeiders- of middenklassewijken werden deze buurten een multi-etnische lappendeken, waar uiteenlopende en soms conflicterende regels en omgangsvormen heersen. Het leidt ertoe dat mensen zich terugtrekken uit de sociale ruimte en zich gaan verschuilen. Niet stemmen is gedrag dat daarin past.

Of bewoners van oude stadswijken nemen hun toevlucht tot een andere strategie: het voeren van alledaags, stilzwijgend verzet. Niet komen opdagen bij verkiezingen is een eenvoudige vorm van lijdzaam protest dat je als individu ongestraft kunt vertonen, schrijft Engbersen. De boodschap die mensen daarmee afgeven is: ik doe niet mee met jullie afspraken. Niet stemmen hoeft dus niet te duiden op apathie, het kan wel degelijk een bewuste daad zijn. Engbersen citeert de Amerikaanse antropoloog James Scott, die op basis van internationaal veldwerk beschrijft hoe alledaagse vormen van verzet kunnen fungeren als ‘individuele zelfhulp’ waarmee burgers in zwakke posities de directe confrontatie met het gezag en de elite weten te vermijden en toch hun zelfrespect kunnen opvijzelen.

Medium groene niet stemmen graphic 2

maar behalve sociale strategieën zijn er ook inhoudelijke redenen denkbaar om het gedrag van niet-stemmers te verklaren. Waarom zou je nog gaan stemmen als de politiek toch één pot nat lijkt? Willem Schinkel, Engbersens collega-socioloog van de Erasmus Universiteit, zegt: ‘Ik denk inderdaad dat een aantal mensen denkt dat het niet uitmaakt wat ze stemmen. Ze zien weinig verschil, en dat maakt fatalistisch. Ze hebben daarin gelijk, maar ook niet. Niet, omdat het voor de portemonnee uitmaakt of Rutte of Roemer in het Catshuis zit. Wel, omdat Rutte en Roemer niet op een fundamenteel niveau verschillen, maar op een procentueel niveau. Procenten koopkracht, procenten belastingtarieven, procenten bezuinigingen. Ook Roemer wil niet een ander type economie. Hij wil, net als Pechtold, met wie hij in debat was, dat de economie zo snel mogelijk weer op gang komt. Terwijl je zou verwachten dat een SP-voorman bijvoorbeeld een socialistische economie zou bepleiten.’

Als hij over niet-stemmers spreekt, gaat het bij Engbersen bijna automatisch over de onderlaag in Nederland. Dat is grotendeels terecht. Want al is niet stemmen een individuele beslissing, er zijn wel degelijk bepaalde groepen die vaker dan gemiddeld afhaken. Het Nationaal Kiezersonderzoek, een representatieve steekproef van alle leerstoelen politicologie, spreekt duidelijke taal. Niet-stemmers zijn vaker jong (41 procent stemde niet in 2010), met hooguit lagere school (37 procent stemde niet), met enkel lager beroepsonderwijs (36 procent stemde niet), ongehuwd (36 procent stemde niet), allochtoon (33 procent stemde niet*), met enkel mavo (28 procent stemde niet).

Hoe hoger de opleiding, hoe vaker men naar de stembus komt. Stemmen wordt aldus steeds meer iets voor Ons Soort Mensen. Sywert van Lienden en zijn G500 proberen dit jaar uit man en macht meer jongeren naar de stembus te trekken, maar of ze daarmee ook lager opgeleiden weten te bereiken, staat nog te bezien.

De Utrechtse bestuurskundige Mark Bovens heeft voor dit verschijnsel een pregnante formulering gevonden: de diplomademocratie. Met collega Anchrit Wille stelde hij zes jaar geleden dit fenomeen al aan de kaak. De politiek is in steeds meer opzichten het domein geworden van hoogopgeleide professionals. Er zit geen arbeider of anderszins waarneembaar laag opgeleid persoon meer in de Tweede Kamer. Belangengroepen worden geleid door beroepsbestuurders die in bestuurdersjargon met elkaar in discussie gaan bij Nieuwsuur. De representatie heeft een ander aanzien gekregen. Burgers met een lage opleiding pikken het signaal op dat hun opvatting er niet zo veel toe doet.

Die ontwikkeling is al sinds 1970 aan de gang en versterkt zichzelf, meent Bovens. Hij schreef: ‘In 1967, voor de afschaffing van de opkomstplicht, was bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer het opkomstcijfer van de kiezers met alleen maar lager onderwijs vrijwel gelijk aan dat van de kiezers met een hbo of wo-opleiding – respectievelijk 93 en 97 procent. De geleidelijk dalende opkomstcijfers in ons land sinds de afschaffing van de opkomstplicht in 1970 impliceren in feite een sterke stijging van het gewicht van de hoogopgeleide stem.’

Het is een herkenbaar beeld op televisie; politiek is amusement geworden in late night shows waarin hoogopgeleide insiders elkaar goed gebekt vliegen afvangen. Politiek wetenschapper André Krouwel formuleerde het netjes maar duidelijk in een rapport uit 2009 over de verkiezingsopkomst in Almere: ‘Er is een zeer sterke relatie tussen opleiding en politieke participatie.’ Bovens spreekt zelfs van een ‘nieuw breukvlak’ tussen hoger en lager opgeleiden. Beide groepen leven in sterk gescheiden werelden en verschillen aanmerkelijk in welvaart en welbevinden. Maar waar hoger opgeleiden onder elkaar verkeren in gelijksoortige wijken en stadsdelen is de groep lager opgeleiden alleen maar diverser geworden. Algemeen geldende normen, zoals een morele stemplicht, zijn vaak ver te zoeken, zoals Engbersen ook waarnam. In zijn oratie bij de aanvaarding van de J.J.A. Van Doornleerstoel in Rotterdam zei Bovens: ‘De groep lager opgeleiden is heterogener, minder goed georganiseerd en minder zelfbewust.’ De opkomst in de gemeente Den Haag in 2010 biedt hiervan een treffend voorbeeld. De sociale norm dat stemmen een burgerplicht is, staat in de gegoede wijk nog fier overeind, zie hoe de bewoners van de Haagse Vogelwijk met 91 procent opkwamen (in het kader op pagina 20). Maar in Moerwijk werkt de norm al lang niet meer, daar blijft meer dan de helft van de bewoners thuis.

De boodschap van Bovens is duidelijk: onze parlementaire democratie is veel minder democratisch dan wij doen voorkomen. Het parlement biedt geen getrouwe afspiegeling van de bevolking als geheel. Een substantieel maar niettemin bepaald deel van het volk laat er zijn stem horen. En de professionele politiek lijkt dit nauwelijks te deren.

Want wat heeft politiek Den Haag nu eigenlijk geconcludeerd uit de cijfers die Wille en Bovens over hen hebben uitgestort? ‘Kamervoorzitter Gerdi Verbeet en partijen als de pvda hebben er veel belangstelling voor getoond dat Kamerleden vooral uit bepaalde delen van het volk worden gerecruteerd’, vertelt Bovens. ‘Wat nog niet betekent dat het ook helpt, want ik begrijp uit onderzoek van NRC Handelsblad dat het opleidingsniveau van de nieuwe lichting Kamerleden nog hoger is dan tevoren. Maar goed, het heeft aandacht getrokken. Het punt dat lager opgeleiden minder stemmen, heeft amper geresoneerd.’

Het is koren op de molen van de niet-stemmers. Ze zien hun gelijk bevestigd. Godfried Engbersen zegt: ‘Er leeft bij hen sterk wantrouwen tegen de politiek. Den Haag heeft toch geen oog voor ons, zeggen ze dan, en daarom laten ze verstek gaan.’ Voor een van oudsher egalitair land als Nederland is dat een vreemde uitkomst: politici en niet-stemmers die elkaar bevestigen in hun verwijdering van elkaar. Of botst hier een officiële ideologie van gelijkwaardigheid op een praktisch onderscheid dat maar niet erkend wil worden?

Misschien dat je daarom nog steeds hoort verkondigen dat niet-stemmers over het algemeen best tevreden zijn en daarom niet de moeite zouden nemen om naar de stembus te komen. Maar dat is een groot misverstand. Volgens André Krouwel is de verhouding juist andersom: ‘De kans dat iemand gaat stemmen, wordt groter naarmate hij of zij meer tevreden is.’ Dat klopt met de bevindingen van Kees Aarts: ‘Mensen met een duidelijke opvatting over hun eigen rol in de samenleving brengen sneller hun stem uit. Dat is niet per se een kwestie van inkomen of opleiding. Ook mensen die sociaal geïsoleerd zijn en daardoor eenzaam stemmen vaker niet.’

Het Sociaal en Cultureel Planbureau bracht in 2002 niet-stemmers daadwerkelijk aan het woord in focusgroepen om meer van hun achtergronden te begrijpen. Uit het rapport rijst een beeld op van ondervraagden die twijfelen of hun mening er überhaupt wel toe doet. Mensen denken dat ze niet slim genoeg zijn voor de politiek, of dat ze het niet begrijpen. Ze schamen zich vaak voor hun gedrag, en beloven een enkele keer zelfs beterschap – al blijft het onderlinge begrip voor de niet-stemmers groot. Maar ze laten niet verstek gaan omdat ze vinden dat de politiek het zo voortreffelijk doet. Niet voor niets suggereren de onderzoekers als oplossing om vaker dit soort onderzoek te doen. Want het pure feit dat mensen van buiten serieus moeite doen om te horen wat zij vinden, werkt als een aansporing om toch maar weer te gaan stemmen.

Aan Pim Fortuyn komt de eer toe dat hij in 2002 kiezers die al lang waren afgehaakt weer naar de stembus wist te lokken. De verkiezingsopkomst steeg in dat jaar met zes procent tot 79 procent. In 2006 was de opkomst met tachtig procent zelfs nog een tikje hoger. Europa stond ruim in de belangstelling, het referendum over de grondwet was voor de bovenlaag een klap in het gezicht. Geert Wilders verscheen op het toneel met zijn pvv. En de SP won maar liefst negentien zetels en kwam uit op 25 zetels.

Waarschijnlijk staan deze beelden nog op het netvlies, en denken mensen daarom dat de opkomst geen probleem is. Maar hun is dan ontgaan dat, zoals Kees Aarts het omschrijft, ‘de aantrekkingskracht van partijen voor sommige kiezers minder wordt’. Het effect van Fortuyn is uitgewerkt. De SP deed het in 2006 heel goed, de pvv spande in 2010 de kroon. Maar de SP en de pvv groeien niet meer, voorspelt Aarts: ‘Het nieuwe is eraf. In de coalitie is het niet goed gegaan. Een groep die dacht dat ze een stem had in Den Haag denkt nu: vals alarm, het heeft niet gewerkt.’

De consequentie is duidelijk. Er groeit een hardcore groep die niet meer tot stemmen te bewegen valt. Dat kan een kwestie van opleiding zijn, maar ook van sociale klasse. Uit eigen onderzoek heeft Aarts vastgesteld dat twee van de drie niet-stemmers bij de daaropvolgende verkiezingen opnieuw verstek laten gaan. Dat zijn de echte afhakers. Het verklaart waarom de opkomst in steden als Kerkrade en Heerlen in 2010 toch maar 66 en 67 procent bedroeg, ook al deed ‘hun’ Wilders mee. Een op de drie inwoners was kennelijk al afgehaakt en geen enkele politicus, ook de populistische niet, wist ze nog over de streep te trekken.

De populisten lopen veel mis. Een niet-representatieve maar wel beeldende extrapolatie van het stemgedrag van mensen die niet stemden in 2006 maar wél in 2010 leert dat de pvv veruit de meeste stemmen zou krijgen, twee keer zo veel als de pvda, die dan nog op nummer twee eindigt (zie de tabel op pagina 23). Het brengt Aarts tot de verzuchting dat mensen die aandringen op een hogere opkomst wel eens verbaasd zouden kunnen staan over het resultaat. De niet-stemmers zouden zomaar een aardverschuivinkje kunnen bewerkstelligen.

Maar dat doen ze dus niet, want ze geloven er niet in. Natuurlijk zijn er altijd mensen geweest die zich niet verbonden voelden met het parlementaire systeem. Een onderzoek uit begin jaren zestig, toen stemmen nog een plicht was, leert dat een vijfde van de Nederlandse bevolking het functioneren van het parlementaire stelsel ronduit slecht vond. Maar dat aantal ligt nu beduidend hoger en groeit vermoedelijk door zolang er niets verandert.

Dat brengt het Nederlandse systeem, met zijn vele partijen en zijn lage kiesdrempel, met zich mee. Het is geënt op coalitievorming: geen enkele partij haalt de absolute meerderheid. Partijen moeten compromissen sluiten en standpunten aanpassen als ze na de verkiezingen willen meeregeren. Maar kiezers, zo weet Kees Aarts, houden daar bij hun stemgedrag meestal geen rekening mee. ‘Slechts een handjevol mensen stemt strategisch, ik schat hun aantal op maximaal vijf procent. De rest kiest voluit voor een bepaalde partij.’ Veel stemmers voelen zich na afloop vervolgens teleurgesteld zo niet bedrogen als de partij van hun keuze bepaalde beloftes niet nakomt. Onderzoek van de Volkskrant suggereert bijvoorbeeld dat veel pvv-kiezers Wilders zullen verruilen voor Roemer omdat de pvv niet vasthield aan de aow-leeftijd in de coalitiebesprekingen. Hoe meer partijen een coalitie vergt, des te lastiger dit probleem.

Het is van politieke partijen erg veel gevraagd om nog voor de verkiezingen te vertellen welke issues ze bereid zijn af te zwakken. Dat zou niet alleen onderhandelingstechnisch een domme zet zijn, het scheelt ze ook stemmen. Meer dan veertig procent van de kiezers besluit pas de laatste dagen voor de verkiezingsdatum waar de stem naartoe zal gaan, zo blijkt uit onderzoek van de Universiteit Twente. Sowieso besluit een meerderheid van zestig procent pas in de laatste weken wat te stemmen. Partijtrouw is laag, en spreekt in ieder geval niet vanzelf. Geen wonder dat partijen zich gedurende de campagne zo scherp mogelijk presenteren, want mensen zijn nog beïnvloedbaar. Dat de teleurstelling na de verkiezingen daarmee is ingebakken, wordt als onvermijdelijk beschouwd.

Het Twentse onderzoek van Aarts en consorten laat zich ook nog op een andere manier lezen: steeds meer mensen aarzelen steeds langer over hun stem. De keuze spreekt niet meer vanzelf. Dan wordt het gemakkelijker om maar eens een keertje over te slaan, vooral als het regent of als de file maar niet opschiet. ‘Het onderscheid tussen stemmen en niet stemmen is flinterdun’, schreef het scp al in 2002.

Het politieke aanbod spreekt niet meer voor zich – en dat geldt ook voor hoger opgeleiden. Kees Aarts zegt: ‘De opkomst is hoog als er iets te kiezen valt, kijk maar naar het referendum over de Europese grondwet.’ Het is een variant op de kritiek van Willem Schinkel dat politieke partijen niet wezenlijk maar enkel relatief van elkaar verschillen. Aarts onderschrijft dit: ‘Voor steeds meer mensen is de politiek één pot nat, één grote puinhoop. Het gaat om een grote, groeiende, gemêleerde groep, met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze steeds minder boodschap hebben aan de politiek. En de vraag is: waar eindigt dit? Hoe hou je ze erbij? Of zullen ze, als het zo doorgaat, hun eigen emancipatie met veel rumoer komen opeisen?’

De legitimiteit van de politiek is onvermijdelijk in het geding. Het is nu al moeilijk verdedigbaar dat een kwart van de burgers niet stemt – te meer als het gaat om de zwakkere groepen in de samenleving. Maar hoe valt zo’n trend te keren? Voor Mark Bovens ligt het antwoord voor de hand; we zouden de stemplicht opnieuw kunnen invoeren. Deze plicht werd in 1970 afgeschaft omdat hij niet handhaafbaar was; we konden het niet over ons hart verkrijgen om mensen die niet kwamen stemmen zwaar te beboeten. Maar nu is er een ander kwaad, zegt Bovens, namelijk dat lager opgeleiden zich steeds minder herkennen in de parlementaire democratie. In België en Australië is de opkomstplicht nog steeds van kracht. En al stemmen sommigen blanco, ze komen wel opdagen. Bovens: ‘Onderzoek in België leert dat vooral de lager opgeleiden afhaken als de stemplicht zou vervallen. Zolang de stemplicht geldt, worden partijen gedwongen rekening met hen te houden.’

Maar veel andere sociale wetenschappers twijfelen. Godfried Engbersen: ‘Gaat het in België zoveel beter? De oude partijen houden de gevestigde belangen in stand. Met een cordon sanitaire hebben ze het Vlaams Blok op afstand gehouden, en de kabinetsformatie heeft anderhalf jaar geduurd.’ Volgens Engbersen is het echte probleem dat ‘de hele onderkant uit het oog is verdwenen. Fortuyn wist mensen nog op grote schaal naar de stembus te krijgen, ook allochtonen, zeker in Rotterdam. Nu voelen mensen zich weer gewoon speelbal.’ pvv en SP bieden geen uitzicht, vindt Engbersen, want ze bedienen in feite de ‘erkende’, teleurgestelde onderlaag, zoals mensen met een wao-uitkering. Maar de nieuwe onderlaag komt zelfs niet meer voor een uitkering in aanmerking, zegt hij. De politiek spreekt jongeren helemaal niet aan, dat probleem speelt overal in Europa: ‘Ze hebben behoefte aan een zekere bescherming, zodat ze het gevoel krijgen dat wij er ook voor hen zijn, en aan een wenkend perspectief, niet aan een stemplicht.’

willem schinkel zoekt de oplossing in een radicale aanpassing van het systeem. Ook hij heeft weinig fiducie in de huidige politieke partijen, die richten zich maar naar de status-quo. In zijn pas verschenen boek De nieuwe democratie, naar andere vormen van politiek doet hij de suggestie een nieuw soort Raad van State op te richten, die als een tegenkracht kwesties opnieuw gaat politiseren en kwesties aanjaagt in het parlement. Deze Raad van State moet het publiek achter zich kunnen krijgen en mensen kunnen mobiliseren. Want aan echt politiek debat ontbreekt het nu en dat vindt hij het grote gemis.

Er is te weinig moeite gedaan om burgers te betrekken bij de werking van de democratie, zegt Kees Aarts. Politiek burgerschap stelt in Nederland weinig voor. Op school is het vak sinds een paar jaar verplicht, maar de invulling wordt overgelaten aan wie er toevallig lol in heeft. Als mensen zich niet realiseren dat de politiek compromissen moet sluiten, wordt het lastig. Datzelfde punt maakte scp-directeur Paul Schnabel vorige week in zijn Montesquieu-lezing. Recent onderzoek wijst uit dat de helft van het Nederlandse electoraat het sluiten van compromissen afwijst. Het is de erfenis van het populisme, vindt Schnabel. Daarom opperde hij om, in navolging van de Duitse filosoof Habermas, burgers onderling met elkaar in gesprek te brengen op basis van argumenten; een deliberatieve methode.

Maar dat, zegt Mark Bovens, zal de onderlaag zeker geen soelaas bieden. Op basis van feiten argumenten uitwisselen is typisch een methode voor hoger opgeleiden. Om niet-stemmers te mobiliseren, zo lijkt de conclusie, zal de politiek juist minder ons-kent-ons moeten worden en de burgers meer keuzes moeten voorleggen die er in hun ogen werkelijk toe doen.

* 32 procent van de niet-westerse en 34 procent van de westerse allochtonen stemde niet in 2010


Moerwijk versus Vogelwijk

In de Haagse wijk Moerwijk werd bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 2010 een stedelijk dieptepunt bereikt. Met een opkomst met 47,1 procent kwam minder dan de helft van de stemgerechtigden opdagen. Naar schatting 6840 bewoners brachten hun stem niet uit. Deze cijfers vergen een kleine slag om de arm omdat in 2010 de stempas werd ingevoerd, die het stemgerechtigden mogelijk maakt in een andere wijk te stemmen dan waar ze wonen, bijvoorbeeld bij hun werk.

Moerwijk, gelegen langs het Zuiderpark en ontwikkeld volgens een stedenbouwkundig plan van Willem Dudok voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog, is nu een klassieke achterstandswijk. In de vele huurhuizen (83 procent van het totale woningaanbod) woont een 19.000-koppige bevolking die voor 56 procent uit niet-westerse allochtonen bestaat, en waarvan bijna driekwart van de huishoudens beschikt over een laag inkomen. Van de duizend huishoudens zitten er 174 in de bijstand, meer dan twee keer zo veel als in heel Den Haag. Ook de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkeringen zijn ver bovengemiddeld. Het gemiddelde inkomen is zo’n 20.000 euro.

Moerwijk is een zogeheten Krachtwijk, onderdeel van de door minister Ella Vogelaar aangewezen probleemwijk Zuidwest. Al jaren wordt geprobeerd de wijk te verbeteren. De woningbouwcorporaties, die een groot deel van de woningvoorraad bezitten, proberen door herstructurering van woningen en met nieuwe bebouwing nieuwe bewoners te trekken en daarmee de bevolkingsopbouw gevarieerder te maken.

Volgens het rapport Gezondheid in de Krachtwijken (2010) is het fysieke en psychische welbevinden van de bewoners slecht: er is een verhoogd risico op depressie en angststoornissen, meer eenzaamheid, en, vooral onder sommige bevolkingsgroepen, veel overgewicht.

Vier kilometer verderop, in de gegoede Vogelwijk, is de opkomst stukken hoger. Maar liefst 91,1 procent ging stemmen, slechts 361 kiesgerechtigden bleven thuis. Dit is dan ook een heel andere buurt; de tegen de duinen gelegen tuinwijk is een zeer geliefde woonwijk in Den Haag.

Ook hier spreken de statistieken voor zich: de kleine 5000 inwoners wonen voor het overgrote deel in koopwoningen (82 procent) – die met 581.000 euro gemiddeld een krappe zes keer meer kosten dan in Moerwijk. De bevolking bestaat voor 5 procent uit niet-westerse allochtonen. Slecht 12 procent van de Vogelwijkers verdient een laag inkomen, en van de 1000 gezinnen zit er niet één in de bijstand. Het besteedbaar inkomen per huishouden is bijna drie keer zo hoog als in Moerwijk: 59.700 euro.

In de Vogelwijk was bij de laatste parlementsverkiezingen de VVD veruit de grootste partij met 43,5 procent van de stemmen (21,4 in heel Den Haag), verder deed D66 het beter dan gemiddeld (14,9 vs 9,9), de PvdA, PVV, SP presteerden veel zwakker dan gemiddeld in de stad. In Moerwijk was het beeld precies omgekeerd: PvdA, SP, PVV presteerden ruim bovengemiddeld, VVD en D66 bleven ver achter bij het Haagse gemiddelde.


Zetels

Waarheen gingen de stemmen in 2010 van mensen die in 2006 niet gestemd hadden? Uit het Nationaal Kiezersonderzoek 2010, dat op dit onderdeel vanwege de kleine aantallen niet geheel representatief is, ging het overgrote deel – ruim 70 procent – wederom niet stemmen. De zetelverdeling onder de mensen die wél stemden, was als volgt (tussen haakjes de landelijke uitslag):

PVV61 (24)
PvdA30 (30)
VVD19 (31)
SP18 (15)
CDA9 (21)
Partij voor de Dieren5 (2)
GroenLinks3 (10)
D663 (10)
ChristenUnie1 (5)
Anders1 (0)
SGP0 (2)