Blair wint de verkiezingen, en er is weer oppositie in Engeland

Het is… Tweedledum!

Tony Blair en de zijen kunnen doorregeren. Maar niet op de oude manier. Na acht jaar is er in Engeland weer iets als een oppositie.

LONDEN – De verkiezingen in het Verenigd Koninkrijk hadden een hoog Big Brother-gehalte. Er werd nu eens niet vóór iemand gestemd, maar tegen iemand. Uiteindelijk bleef Tony Blair over. Met een bloedneus, een blauwe plek onder zijn kont en zonder Cheshire Cat-grijns betrad de Britse premier de ochtend na de verkiezingen de National Portrait Gallery. De tijd dat hij zelfs het Eurovisie Songfestival had kunnen winnen, is voorbij.

Een paar dagen voor de verkiezingen was het de Conservatieve medemens geheel te moede: op de televisie zag hij beoogd premier Michael Howard van deur tot deur hollen. Op hemelvaartsdag werd de oude strijdwet dat wanneer de generaal rent de slag verloren is, bevestigd. Hoewel de Conservatieven de meeste stemmen hebben gekregen in Engeland kunnen Tony Blair en de zijnen doorregeren, met speciale dank aan het kiessysteem dat onevenredig veel gewicht toekent aan al die rotten boroughs in het noorden des lands waar men wegens de magere opkomst reeds voor middernacht klaar is met het tellen van de stemmen.

De verkiezingen vormden het sluitstuk van vier weken politiek fastfood. Voorzover de Britten iets van het stembejag hadden meegenomen, luidde «infantiel» en «kinderlijk» hun oordeel. De opiniepeilingen waren zo vlak als de hartslag van een overleden patiënt. Grote thema’s werden nauwgezet vermeden. Het buitenland was bij deze «lokale» verkiezingen gedegradeerd tot een ongedefinieerd gebied waar vreemdelingen vandaan komen. En tot Irak natuurlijk, vooral in de Oost-Londense wijk Bethnal Green & Bow die dankzij de felle campagne van de linkse demagoog George Galloway werd omgetoverd tot Bethnal Green & Bagdad. Met behulp van de moslimstem versloeg hij er de joodse Blair-babe Oona King. Het milieu was de andere grote afwezige.

Voor originele denkbeelden moest de kiezer elders zijn. Niet zozeer bij de Church of the Militant Elvis Party, die voorstelde af te reizen naar Antarctica om daar «Stop melting you big white bastards» te schreeuwen tegen de smeltende ijsbergen, of de Monster Raving Loony Party, die kinderen, net als de koningin, twee verjaardagen wil laten vieren, maar bij de aartsbisschop van Canterbury Rowan Wil liams. Terwijl Blair en Howard zich als astrologen bogen over de jongste misdaadstatistieken deed de geestelijke leider een oproep aan volwassenen in den lande, vooral die met kinderen, om zich eindelijk eens op een volwassen manier te gedragen. «When adults stop being infants, children can be children», sprak hij. Geen politicus die hem durfde bij te vallen.

In plaats daarvan gingen de partijleiders al vrij vlug over tot hun favoriete onderdeel van de campagne: bang maken en beledigen. «Stop the Tories» werd het voornaamste motto van New Labour, en de Conservatieve leider besloot, op advies van de Australische stembusgoeroe Lynton Crosby, het hoge woord eruit te gooien door te zeggen wat iedereen al vermoedde: «Blair is a liar.» Het maakte Howard alleen maar minder populair. De Britse debatcultuur – waarin liegen wordt omschreven als «zuinig zijn met de waarheid» – bleek de Australische niet te zijn. Howards belofte «What you see is what you get» maakte het alleen maar erger.

De kiezers zaten uiteindelijk opgescheept met een liegende premier wiens meest opvallende uitlating tijdens de campagne was dat hij «het» met gemak vijf keer per nacht kan doen en met een oppositieleider die ook iets van de nacht heeft, doch iets aanmerkelijk minder romantisch. Met zijn Schotse accent, Henry VIII-achtige voorkomen en onvermogen om de fiscale plannen van zijn partij uit te leggen, was Charles Kennedy van de Liberaal Democraten niet hét echte alternatief. The Daily Star introduceerde het trio aan zijn lezers als Monster, Raving en Loony. Een andere krant sprak over de keuze tussen Tweedledum en Tweedledee, zoals het verschil tussen de ruziënde componisten Händel en Bononcini ooit is aangeduid.

Dat één op de zes Britten bereid was gevonden om op een kandidaat van New Labour en daarmee impliciet op een liegende premier te stemmen, behoeft geen psychoanalytische duiding. Blair toont simpelweg leiderschap. Al in 29 voor Christus bleek zulks belangrijker te zijn dan een grillige verhouding tot de waarheid. Saloninus omschreef de «premier» van keizer Tiberius destijds als een leugenaar, maar wel eentje die van zijn troepen een alerte en gedisciplineerde eenheid wist te maken waarmee hij elke schermutseling overleefde. In de moderne politieke geschiedenis vindt Blair zijn gelijke in Stanley Baldwin, over wie Win ston Churchill beweerde dat hij «zo nu en dan over de waarheid struikelde maar zich altijd snel weer wist te herstellen om door te gaan alsof er niets aan de hand was».

Dat laatste wil Blair ook. Halverwege de campagne werd het in slaap gesuste kiezers publiek wreed wakker geschud door het beeld van vijf mannen en twee vrouwen die in zwarte pakken op een felrood belicht podium achter een hippe katheder stonden, met in hun handen een klein rood boekje. De heren droegen een rode stropdas, de dames een rode blouse. Achter op het toneel bevolkte een man of twintig een kleine tribune. Een optreden van de Duitse rockband Kraftwerk («We are programmed just to do, anything you want us to, we are the robots») met een achtergrondkoortje? Nee, het bleek de presentatie van het New Labour-manifest te zijn en de definitieve overwinning van vorm op inhoud. «Het orakel van Delphi heeft meer nieuws te verkondigen», schreef de politicoloog Ferdinand Mount na lezing van de 112 pagina’s van het manifest.

De boodschap komt erop neer dat het goed gaat, maar nog veel beter kan, iets waar Tony Blair na gesprekken met verpleegsters, onderwijzers en sociaal werkers her en der in den lande van overtuigd is geraakt. Na de gewonnen verkiezingen beloofde hij nog veel meer te gaan luisteren naar de vox populi. Dat zal een uitdaging zijn voor Blair en zijn ministers, die ertoe neigen interviews als lezingen te beschouwen en hun gehoor te overdonderen met informatie, vooral bestaande uit glorieuze cijfers. «Tegen de tijd dat Blair halverwege één van zijn antwoorden is, was Clement Attlee al terug in zijn studeerkamer geweest om de cricketuitslagen te bekijken», omschreef Mount de liefde van Blair voor diens eigen stem.

Meer nog dan naar de kiezers zal Blair moeten luisteren naar hun vertegenwoordigers, die hij «kameraden» is gaan noemen. Na acht jaar bestaat er weer iets als een oppositie. Vooral zijn eigen backbenchers verdienen niet de zweep, maar aandacht. Blairs meerderheid van 67 zetels is weliswaar groter dan die van Margaret Thatcher aan het begin van haar derde termijn in 1987, maar zijn partij is aanmerkelijk verdeelder. De stille overwinnaar van deze verkiezingen is immers Old Labour, de ongeveer vijftig koppen tellende coalitie genoot van New Labour. Helaas voor de partijleiding zal een groot deel van de nieuwe kamerleden zich waarschijnlijk ook tot deze Awkward Squad wenden, de vleugel voor wie niet lavendel maar de rode roos het symbool is.

De ongekozen leider van de rebellen is Gordon Brown, de nurkse goedzak van Financiën die volgens de Downing Street-deskundigen binnen achttien maanden het premierschap zal overnemen, mogelijk na het referendum over de Europese grondwet volgend voorjaar. Het zal interessant zijn hoe de euroscepticus Brown samen met eurofiel Tony Blair campagne gaat voeren voor een toch nog onverwacht «yes».

De overnameperikelen binnen de regeringspartij zullen dagelijks nieuws zijn en opvlammen tijdens debatten over controver siële onderwerpen, zoals de gokwetgeving, de identiteitskaarten en antiterrorisme. En niet te vergeten de gemeentelijke belastingen. De aanstaande verhoging daarvan kan tot een oproer leiden dat gelijkenissen vertoont met de onrust rond hun voorganger, de poll tax tijdens Thatcher III.

Waar New Labour twee goudhaantjes bezit, hebben de Tories er geen. Howard trok meteen na de verkiezingen zijn conclusie en maakte baan voor een opvolger. Maar wie? Usual suspects doken meteen op bij de bookmakers. De kroegtijger Kenneth Clarke, de ijzige euroscepticus John Redwood, de sluwe advocaat Malcolm Rifkind, de olijke brokkenpiloot Oliver Letwin (alias Oliver Leftwing), de ex-paratroeper David Davis, de al een keer afgeserveerde William Hague, de pedante medicus Liam Fox en zelfs de nukkige kleinzoon van Winston Churchill, Nicholas Soames. Ze bezitten allemaal echter eenzelfde probleem: een ieder heeft op een of andere manier een band met Margaret Thatcher.

Waar Blair de heilzame kanten van het thatcherisme heeft omgevormd tot het blatcherisme – ofwel Thatcher-lite – daar zitten de Tories met de schaduwen van de Grote Roergangster opgescheept. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de Britten dan ook een Thatcher-vrije verkiezingsstrijd kunnen aanschouwen. Het dichtst bij een politiek optreden kwam La Thatch tijdens een eighties-benefietavond in een Londense paaldanssociëteit, die ze pas na anderhalf uur Don’t You Forget About Me en I Want to Break Free, onder de begeleidende klanken van Wake Me Up Before You Go Go, verliet.

Om met het thatcheriaanse verleden te breken kan er een keuze worden gemaakt voor een jonge generatie, bijvoorbeeld voor de zogeheten Notting Hill-Tories. Onder hen bevindt zich de 33-jarige George Osborne, die gaandeweg de rijzende ster van de Tory-campagne werd. Osborne is een mediagenieke en welbespraakte jongeman, met als nadeel dat zijn welsprekendheid soms verloren gaat in boekhouders jargon. Meer kans maakt het brein achter het Conservatieve manifest, de vijf jaar oudere David Cameron, een egghead met gevoel voor humor en niet te extreem voor het gezin met de piekfijn onderhouden voortuin.

Voordat de afdeling personeelszaken aan het werk gaat, is een ideologische reorganisatie noodzakelijk. Het manco van de Tories is dat ze zich, net als hun Australische broeders, hebben geprofileerd als een tegenpartij, met immigranten en Blair als voornaamste doelwitten. Waar was het Merry England-gevoel? Dat de grondlegger van het conservatisme, Edmund Burke, voorschreef dat het gaat om wat is, en niet wat zou moeten zijn, betekent nog niet dat er niet mag worden gedroomd, schreef Lord Maurice Saatchi, één van de twee partijvoorzitters, in The Sunday Telegraph. Zelfs de pragmaticus John Major droomde in 1992, vanaf een zeepkist, op orwelliaanse wijze over het land van de lange schaduwen, warm bier en ongenaakbare voortuintjes. Journalisten en vijandige politici maakten hem belachelijk, maar de kiezers droomden met hem mee.