Thomas Frank over populisme en antipopulisme

‘Het is vernedering stapelen op krenking’

Het antipopulisme van de elite heeft de arbeider van zich vervreemd, vindt de Amerikaanse historicus Thomas Frank. Populisme is volgens hem een term die de elite gebruikt om dat-soort-mensen weg te zetten als xenofoob, racistisch en seksistisch.

Distributiecentrum van Amazon in Phoenix, Arizona. ‘Het zijn de laagopgeleide handwerkers die de klappen mogen opvangen’ © David Paul Morris / Getty Images

Thomas Frank heeft het weer gedaan: een eigenhandig gefabriceerde bom gelegd onder het zelfgenoegzame zelfbeeld van de liberale, technocratische elite. Als een eigentijdse Julien Benda, de Franse auteur van de veel geciteerde maar weinig gelezen klassieker Het verraad van de klerken, heeft Frank er zijn levenswerk van gemaakt te achterhalen hoe, waarom en wanneer de partijen die ooit zeiden op te komen voor de vernederden en gekrenkten (laten we ze ‘linkse’ partijen noemen) zich van hen hebben afgewend en partijen van, voor en door hoger opgeleiden en beter gesitueerden zijn geworden. Het klassenverraad van de hoger opgeleiden – dat is het centrale thema van het werk van de historicus Frank.

In 2004 deed hij dat in What’s the Matter with Kansas door naar de kiezer te kijken. Waarom hadden laag- en middenopgeleide arbeiders zich afgewend van de Democratische Partij, die van oudsher hun belangen behartigde, en zich bekend tot de werkgeverspartij bij uitstek, de Republikeinse Partij? In 2011 richtte hij zijn vizier op Wall Street en Silicon Valley, waar de Democratische Partij de Republikeinse Partij had vervangen als de miljardairspartij bij uitstek. Wat verklaarde die liefdesverklaring aan het adres van de miljardairs van Wall Street en Silicon Valley door het establishment van de Democraten? Het antwoord schreef hij op in Pity the Billionaire: voor academisch geschoolden is het gemakkelijker om medelijden te hebben met miljardairs dan met laaggeschoolden, ook al hebben die laatsten het harder nodig.

In Listen Liberal! (2016) reconstrueerde Frank hoe de Democratische Partij haar arbeidsethos verloor en vanaf het einde van de jaren zestig werd gegijzeld door de eerste babyboomers die van de naoorlogse massa-universiteiten kwamen en de partij langzaam transformeerden in een partij voor professionals – ‘linkse brahmanen’ volgens de Franse historicus Thomas Piketty.

In We the People, No: A Brief History of Anti-Populism vertelt Frank het fascinerende verhaal van opkomst, bloei en verval van wat eind negentiende eeuw tot een derde stroming binnen het Amerikaanse politieke landschap leek uit te groeien: het populisme. Gelardeerd met anekdotes over de kleurrijke figuren die de beweging aan het rollen brachten, en voorzien van citaten van hoofdrolspelers als Franklin Delano Roosevelt en Martin Luther King, die in de twintigste eeuw delen van het populistische gedachtegoed wisten te verwerken in respectievelijk de New Deal en de Civil Rights Movement, laat Frank overtuigend zien hoe belangrijk deze niet-marxistische, niet-socialistische volksbeweging voor de Amerikaanse geschiedenis is geweest.

Vóór universele gezondheidszorg, volkshuisvesting en onderwijs, tégen machtsconcentraties in bedrijfsleven, banken en politiek, en vooral tégen de waarheidsclaims van technocraten die onder het mom van publiek belang deelbelangen er politiek doorheen probeerden te drukken. Delen van dit populistische gedachtegoed speelden een prominente rol in Roosevelts poging om de Amerikaanse economie na de depressie van de jaren dertig weer aan de praat te krijgen. Zijn New Deal behelsde een massieve publieke investering in infrastructuur en sociale voorzieningen waar iedere Amerikaan profijt van had en ging regelrecht in tegen de economische orthodoxie van die tijd. Frank voert Roosevelt op als uitgesproken criticus van het potjeslatijn van het gilde der economen, dat volgens Roosevelt alleen was bedoeld om leken buiten te sluiten.

Twee dingen zijn me opgevallen, moet Roosevelt hebben gezegd toen hij in 1935 tijdens een persconferentie verslag deed van een consultatie met vijftien economen. Ten eerste dat ze het allemaal met elkaar oneens zijn. En ten tweede dat ze zulk wollig taalgebruik bezigden dat het onmogelijk was te begrijpen wat ze nou eigenlijk bedoelden: ‘It is jargon, absolute’, zo concludeerde Roosevelt.

En datzelfde geldt voor het politieke programma van de voorman van de zwarte emancipatiebeweging van de jaren zestig, Martin Luther King. Aan de hand van de speeches die King vlak voor hij op 4 april 1968 werd vermoord uitsprak, laat Frank zien hoe de antiracistische thema’s van de vroege populisten door King nieuw leven werd ingeblazen in zijn poging om van de Civil Rights Movement een brede emancipatiebeweging te maken die opkomt voor álle kwetsbaren. En die dus niet alleen achtergestelde zwarten zou kunnen mobiliseren, maar álle achtergestelden, zwart én wit, man én vrouw. In de woorden van King: ‘Negroes are almost entirely a working people. There are pitifully few Negro millionaires, and few Negro employers. Our needs are identical with labor’s needs – decent wages, fair working conditions, livable housing, old age security, health and welfare measures, conditions in which families can grow, have education for their children and respect in the community. That is why Negroes support labor’s demands and fight laws which curb labor. That is why the labor-hater and labor-baiter is virtually always a twin-headed creature spewing anti-Negro epithets from one mouth and anti-labor propaganda from the other mouth.’

Kings woorden bevatten lessen die het vrijwel uitsluitend cultureel georiënteerde Black Lives Matter kennelijk opnieuw moet leren. Wie de belangen over het hoofd ziet die zwarten en witten, mannen en vrouwen, jong en oud delen, loopt het gevaar door de tegenstander (het goed georganiseerde grootkapitaal) meedogenloos tegen elkaar te worden uitgespeeld. Dat is waar King aan het eind van zijn leven keer op keer voor waarschuwde.

‘Wat een ongelooflijk indrukwekkende man’, zegt Frank over King als ik hem via Zoom spreek. ‘En gelukkig zijn er nog altijd zwarte activisten die in zijn voetsporen proberen te treden. De zwarte pastoor William Barber II uit Indianapolis is er zo een. En dat geldt ook voor de zwarte activist, predikant en theoloog Cornel West.’

Chequilla tijdens een vroege ochtenddienst bij Dunkin Donuts. Miami, Florida © Scott McIntyre / The Washington Post / Getty Images

Meer nog dan een geschiedenis van het Amerikaanse populisme is We the People, No een geschiedenis van vergetelheid. Franks boek is net zozeer een geschiedenis van het populisme als wel van het antipopulisme, zoals de ondertitel aangeeft, en daarmee voegt het zich in een kleine maar interessante traditie in de sociale wetenschappen die je de politieke historiografie van de historiografie zou kunnen noemen. Hoe is de herinnering aan het verleden veranderd, wie zijn daarvoor verantwoordelijk geweest en welke politieke en economische belangen zijn daarmee gemoeid? Tot deze traditie behoren klassiekers als Edward Saids Orientalism en Eric Hobsbawms Echoes of the Marseillaise, maar ook vluchtigere geschriften als Occidentalism van de filosofen Avishai Margalit en Ian Buruma. In alle drie de gevallen is het object van onderzoek niet het Midden-Oosten, de Franse Revolutie of het Westen, maar hoe er in de loop van de geschiedenis om verschillende redenen over die plekken of gebeurtenissen is gedacht en geschreven. Franks We the People, No doet hetzelfde, maar dan voor het schrijven en spreken – of beter zwijgen – over de geschiedenis van het Amerikaanse populisme.

Frank verhaalt omstandig hoe massief het verzet van het Republikeinse establishment aan het einde van de negentiende eeuw was tegen de pogingen van de voorlieden van de prille Amerikaanse populistische beweging om in Washington D.C. politiek voet aan de grond te krijgen. Werkelijk alle middelen – geoorloofd en ongeoorloofd – werden uit de kast gehaald om William Jennings Bryan, de voorman van wat simpelweg de Populist Party heette, dwars te zitten: geweld, intimidatie, omkoping, doodzwijgen, zwart maken, en vooral schilderen met de kwast van achterlijkheid, stupiditeit en onbeschoftheid. Daarmee bedoelde men toen (en nu) dat kiezers en gekozenen zich niet conformeerden aan de beschavingsnormen van de gegoede middenklasse. Het was de tijd van de roofbaronnen, grote Amerikaanse industriëlen als Carnegie, Dupont en Rockefeller die zich van god noch gebod wat aantrokken, die fel gekant waren tegen vakbonden, die neerkeken op de werkende man en die meenden dat hun maatschappelijke positie hun geboorterecht was – ook al kwam het met wroeging en schuldgevoel, en dus met caritas na de pensionering. Het volk moest luisteren, niet zelf spreken. Of om Frank te citeren: ‘De elite bestaat uit mensen die denken; populisten zijn mensen die geloven.’

‘Er waren altijd al twee soorten populisme’, schrijft Frank, ‘het populisme zoals de voorstanders ervan het zelf zagen: namelijk als een politieke beweging die gewone burgers de kans gaf democratisch economische hervormingen af te dwingen. En het populisme zoals de tegenstanders ervan het zagen, namelijk als een gevaarlijke beweging die werd geleid door demagogen die met valse beloftes en onder miskenning van de feiten het ressentiment van de ongeschoolden probeerden te mobiliseren.’ En het fascinerende is, zo zegt Frank, dat dat nog steeds zo is. Ook al is die eerste betekenis van het populisme – namelijk een politiek inventieve en ideologisch vernieuwende emancipatiebeweging – genoegzaam vergeten. En ook al zijn het tegenwoordig niet langer de roofbaronnen van de Republikeinse Partij die het volk zijn stem willen ontnemen, maar zijn het de meritocratische technocraten van de Democratische Partij die dat doen.

Frank heeft zich altijd sterk geïdentificeerd met het historische Amerikaanse populisme, vertelt hij. ‘Toen ik studeerde heb ik mijn scriptie erover geschreven.’ Hij komt uit Kansas en Kansas speelt een grote rol in de geschiedenis van het Amerikaanse populisme. In de jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig had echter niemand het over populisme, op een paar specialisten na. Dat veranderde na de Grote Financiële Crisis. ‘Plotseling zag je het woord “populisme” overal opduiken. In kranten als The New York Times en The Washington Post was het niet meer weg te denken. Op radio en televisie namen de commentatoren het plotseling te pas en te onpas in de mond. En het frappante was dat de betekenis die er door al die journalisten, politici en deskundigen aan werd gegeven exact het tegenovergestelde was van wat het historisch was geweest, zo wist ik van mijn studie geschiedenis. Populistische partijen zouden racistische, misogyne, autoritaire politieke bewegingen zijn, zo betoogden de pundits, het zouden partijen zijn die claimen namens het volk te spreken en die een broertje dood zouden hebben aan de elite. En de kiezers van deze partijen zouden zo mogelijk nog erger zijn: dom, ongeschoold, plat, vulgair, en al even racistisch, seksistisch en homofoob als de voorlieden van de partijen zelf.’

‘Het motief om je als politicus op te werpen als vertegenwoordiger van de zwijgende meerderheid is een vanuit democratisch oogpunt loffelijk motief’

En inderdaad, wie in de Ngram Viewer van Google het woord ‘populism’ intikt, ziet onmiddellijk dat het woord dateert uit het einde van de negentiende eeuw, toen er een klein golfje van populariteit was, dat in de twintigste eeuw echter alweer snel doodbloedde, om vanaf 1980 voorzichtigjes weer op te duiken – vooral door het instemmende gebruik ervan door de Republikeinen – om na 2008 plotseling omhoog te spuiten. En inderdaad, over het populisme wordt hoofdzakelijk negatief bericht. De overlap tussen publicaties waarin de woorden populisme, racisme en xenofobie voorkomen is opvallend groot. En dat geldt ook voor het academische politicologische debat over de aard van het populisme. Ook daar een enorme stortvloed aan publicaties sinds de millenniumwende. Bijna de helft van de ruim tweehonderdduizend academische publicaties die aan het populisme zijn gewijd dateert van na 2000, met het boek van de Duits-Amerikaanse politicoloog Jan Werner Müller, What is Populism? uit 2017, met 1750 citaties als meest geciteerde, op de voet gevolgd door het boek van de Nederlands-Amerikaanse politicoloog Cas Mudde uit datzelfde jaar, Populism: A Very Short Introduction, met 1350 citaties.

Het fascinerende aan deze twee boeken is dat ze de consensus binnen de academische politicologie vertegenwoordigen en dat beide boeken een definitie van het populisme voorstaan die in essentie eerder normatief is dan beschrijvend. Zowel Mudde als Müller definieert populisme namelijk als een politieke beweging die het democratisch pluralisme afwijst. Dat is een woordcombinatie die verwijst naar een stroming binnen de Amerikaanse politicologie en die over het algemeen wordt gekoppeld aan de naam van de politicoloog Robert Dahl.

Dahl definieerde democratie als een politieke arena waarbinnen een pluraliteit aan georganiseerde belangen elkaar probeerde te overtuigen van de juistheid van hun probleemdefinities en hun oplossingen, en waarbinnen geen van die belangen machtig genoeg is om de politieke besluitvorming eens en voor al naar zijn hand te zetten. Samen met de scheiding der machten en het principe van representatie was dit volgens Dahl de garantie dat de belangen van minderheden niet door die van de meerderheid konden worden geschonden en stonden ze daarmee aan de wieg van wat de Oostenrijkse wetenschapsfilosoof Karl Popper in 1945 een ‘open samenleving’ had genoemd.

Als je dit onder democratie verstaat, en je definieert vervolgens het populisme als een afwijzing daarvan, omdat het populisme, volgens Mudde en Müller, politiek reduceert tot een strijd tussen een ‘deugdzaam’ volk en een ‘corrupte’ elite en claimt namens een homogeen en uniform ‘volk’ te spreken, dan hou je een visie op het populisme over die onder de vlag van schijnbaar neutrale, objectieve politicologische abstracties in feite zwaar ideologisch geladen is.

Het populisme is in dit perspectief een bedreiging van onze pluralistische parlementaire democratie, wil een ondemocratische dictatuur van de meerderheid vestigen en is daarmee een ontkenning van de politieke voorwaarden voor een open samenleving. Het is een perspectief dat naadloos samenvalt met dat van de politieke elite zelf, die leiding geeft aan de middenpartijen en dient als leverancier van een schijnbaar neutrale en objectieve taal die diezelfde politici vervolgens gebruiken om hun populistische uitdagers mee te bestrijden. Het is politicologie van, voor en door de status quo; net zoals de contemporaine economiebeoefening economie van, voor en door de factor kapitaal is. En bovendien – en dat is de kern van We the People, No – is het een definitie die niet toegepast kan worden op de enige politieke partij uit de politieke geschiedenis die zich expliciet populistisch heeft genoemd, namelijk de Amerikaanse Populist Party. En wat is een concept waard dat niet toepasbaar is op de eerste historische manifestatie ervan?

Thomas Frank – ‘De merito­cratische elite meent dat ze betere mensen zijn’ © Abby Greenawalt

In Europa schilderde de politieke, academische en journalistieke elite politieke bewegingen als Front National, de pvv, Lega Nord en de Oostenrijkse Vrijheidspartij steevast met de kwast van het populisme om ze te kunnen wegzetten als fascistische partijen, zegt Frank. ‘Terwijl ze dat in werkelijkheid niet zijn.’ Populisme werd een academisch geaccepteerde aanduiding die door de elite werd gebruikt om te suggereren dat het ging om onwelriekende politieke bewegingen, waar dat-soort-mensen op stemden, niet ons-soort-mensen.

Maar dat gebeurde nauwelijks in het Amerikaanse publieke debat, omdat het historische populisme een typisch Amerikaans verschijnsel was: het populisme was als het ware het Amerikaanse antwoord op de Europese sociaal-democratie. ‘Toen Amerikaanse journalisten, commentatoren en politici het woord desalniettemin op Europese wijze begonnen te gebruiken, voelde ik de urgente behoefte om mijn landgenoten te corrigeren en hen te wijzen op de emancipatoire boodschap en belofte van het Amerikaanse populisme. Dus dat werd mijn eerste vraag: waar kwam het begrip vandaan? Wie had het gemunt? En wat verstonden zij er destijds onder?’

Na dertig jaar ging Frank weer de archieven in en hij werd verrast door de helderheid over herkomst en betekenis van het populisme, en hoe haaks die definities stonden op de negatieve definities die Europese politicologen als Mudde en Müller ervan hebben gegeven. ‘Dus ik dacht: waarom gaat men niet terug naar de betekenis die de vroege populisten er zelf aan gaven? Waarom geeft men er zo’n negatieve betekenis aan? En dat bracht mij als vanzelf bij mijn tweede onderzoeksvraag: hoe komt het dat de connotaties van het woord populisme in de loop van de geschiedenis volledig zijn omgedraaid? Hoe komt het dat het van een bevrijdende, emancipatoire politieke ideologie een naargeestige, kleinburgerlijke, bekrompen ideologie is geworden?’

Wat begon als een historische reconstructie van het Amerikaanse populisme werd een onderzoek naar de argumenten van de antipopulisten, naar de mensen (en belangen) die het populisme als hun tegenstander beschouwden: in de jaren negentig van de negentiende eeuw, in de jaren dertig van de vorige eeuw, in de jaren vijftig, en in de 21ste eeuw.

‘Als geschiedenisstudent was ik bekend met een deel van de argumenten’, zegt Frank. ‘Ik had Richard Hofstadters veelgeprezen kritiek van het populisme, Age of Reform uit 1955, gelezen en wist wat er mis aan was, hoezeer het onrecht deed aan de geschiedenis, en hoezeer die vertekeningen de politieke neuroses van de jaren vijftig weerspiegelden. Destijds was dat nog een open intellectueel debat. Nu niet meer. Nu is populisme een scheldwoord dat hoger opgeleiden gebruiken om partijen waar zij het niet mee eens zijn te diskwalificeren. En is het op zijn best een geuzennaam, die wordt gebruikt door politici die het electoraat proberen te mobiliseren met de xenofobe politiek van dichte grenzen, die ik in het boek faux-populisme noem.

Toen ik terugging naar de bronnen was het alsof er een granaat in mijn hoofd ontplofte. De gekleurde, onwelwillende oordelen van een Hofstadter uit de jaren vijftig waren namelijk exact dezelfde als die van de tegenstanders van William Bryan Jennings eind negentiende eeuw. En die waren weer exact dezelfde als de beoordelingen van Europese academici – en in hun voetspoor steeds meer Amerikaanse commentatoren, vooral die van de liberale pers – van het populisme in de 21ste eeuw. En het fascinerende was dat ze dat deden zonder bronverwijzingen, zonder ook maar enig besef dat ze thuishoorden in een traditie van antipopulisme, die net zo oud was als de traditie van het populisme zelf.’

We the People, No is niet alleen een reconstructie van het antipopulisme, het is tegelijk een interventie in het politieke debat van vandaag. Frank beaamt dat verwoed knikkend, zie ik op het scherm van mijn laptop, tegen de achtergrond van een muur aan boeken in zijn werkkamer in Bethesda, Maryland. ‘In de Verenigde Staten is het populisme een vergeten traditie, die door de verkeerde mensen, met de verkeerde motieven en de verkeerde doeleinden weer tot leven wordt gewekt. Steve Bannon heeft zichzelf bijvoorbeeld een populist genoemd, en dat hebben de afgelopen decennia ook de adviseurs van Bush en Reagan gedaan. Het is in het naoorlogse Amerika een van de meest succesvolle methoden om je als politieke insider het publieke imago van een outsider aan te meten. En of het nou verdiend is of niet, of het terecht is of niet, het motief om je als politicus op te werpen als vertegenwoordiger van de zwijgende, vergeten meerderheid is in essentie een emanciperend en vanuit democratisch oogpunt loffelijk motief.’

Het is volgens Frank echter verbijsterend dat dit motief alleen nog maar bij Republikeinen kan worden aangetroffen. De zaak van de gewone man of vrouw is een Republikeinse zaak geworden. De Democratische Partij is sinds het einde van de jaren zestig de partij van, voor en door de academisch geaccrediteerden geworden, waardoor het populistische verhaal – van de boeren in de jaren negentig van de negentiende eeuw, van de arbeiders in de jaren dertig van de vorige eeuw, van de zwarten in de jaren zestig van de vorige eeuw – voor links verloren is gegaan. ‘Ook al proberen ze dat met de toe-eigening van Black Lives Matter en van de emancipatiebeweging van de lhbti’ers weer terug te winnen.’

‘Joe Biden heeft vrijhandelsverdragen onder­tekend die de vakbonden in dit land zo goed als de genadeslag hebben toegebracht’

Het populistische erfgoed is door links verkwanseld, vindt Frank. ‘Het is niet makkelijk om een geschiedenis van vergetelheid te schrijven: hoe beschrijf je wat niet meer wordt gekend? Vergeten suggereert bovendien een passief proces, waar niemand voor verantwoordelijk is. Maar wat ik in het boek probeer te laten zien is hoeveel geld en energie ervoor nodig is geweest om de term “populisme” van zijn emancipatoire, bevrijdende en verheffende connotaties te ontdoen en het te transformeren in een woord dat iets onwelriekends aanduidt, iets vuils, iets besmets, iets wat verstandige mensen zoveel mogelijk behoren te mijden. Dat is het eindresultaat van een decennia omspannend politiek retorisch project, waar linkse academici, commentatoren en politici voor verantwoordelijk zijn geweest.’

De gevolgen ziet hij elke dag om zich heen, als hij rondrijdt in zijn buurt met liberale professionals. ‘Op de politieke tuinborden staan allemaal progressieve standpunten, je weet wel: “Black lives matter”, “I believe in science”, “No one is illegal”. Maar nimmer kom ik teksten tegen die iets te maken hebben met werk, de vakbeweging, vrijhandel of lonen. Dat soort kwesties spelen niet voor academisch geschoolde progressieven, met hun goudgerande arbeidscontracten, hun goede salarissen, hun ziektekostenverzekeringen en hun vrijstaande huizen.

De meritocratie van de professionals heeft sociaal-economische rechtvaardigheid in de vorm van arbeidsrechten, de strijd tegen het grootkapitaal en herverdelende belastingheffing van de politieke agenda verdreven. En er is consensus onder de hoogopgeleiden over vrijhandel, het toezicht op banken en financiële markten, de bescherming van werknemers, de uberisering van de economie: alles is goed zoals het is, en de uitwassen kunnen we met wat aanpalende wetgeving en vooral veel scholing en onderwijs bestrijden.’

Dana in de Johnsonville-worstfabriek. Sheboygan Falls, Wisconsin © Susan Meiselas / Magnum / ANP

In een stuk dat verrassend genoeg in het Franse tijdschrift Le Monde Diplomatique verscheen en niet in bijvoorbeeld The New York Review of Books (‘het is een verhaal dat de Amerikaanse media niet willen horen’, zou Frank aan het einde van het interview verzuchten) beantwoordt Frank de vraag waarom het duurste, technisch meest geavanceerde zorgstelsel ter wereld er zo slecht in is geslaagd om kwetsbare Amerikanen tegen het coronavirus te beschermen. En anders dan vrijwel alle Amerikaanse commentatoren die al vier jaar lang alle gebreken van de Amerikaanse samenleving, politiek en economie tot vervelens toe aan Trump wijten, graaft Frank niet alleen dieper, maar gaat hij ook veel verder terug in de tijd.

‘De Amerikaanse gezondheidszorg is goed in high tech zorg voor rijken, maar erg slecht in low tech zorg voor iedereen’, concludeert Frank. ‘Dat heeft niets te maken met Trump, maar alles met de beroepsorganisaties van medisch specialisten, die stelselmatig iedere poging van de Amerikaanse politiek om een universeel gezondheidszorgstelsel te introduceren hebben gefrustreerd. En dat hebben ze gedaan omdat ze bang waren dat ze in loondienst moesten en hun financiële privileges zouden kwijtraken. Dat is wat ons tijdens corona heeft opgebroken: als je rijk bent en je hebt een zeldzame vorm van kanker is er geen beter land ter wereld om ziek in te zijn dan de Verenigde Staten. Maar als je arm bent en je hebt een longontsteking, dan kun je beter in het Verenigd Koninkrijk of zelfs Albanië zijn. Het zijn de laagopgeleide handwerkers die de klappen mogen opvangen. Het is vernedering stapelen op krenking.’

In een christelijk tijdschrift las Frank onlangs een artikel waarin de kwestie werd besproken wat je met een familielid aan moest dat in complottheorieën als QAnon gelooft. Daarin werden verschillende redenen gegeven waarom mensen überhaupt in complottheorieën geloven. Een ervan was dat diegene misschien onlangs was gegriefd door iemand in een professionele gezagspositie. ‘Dat bracht me ertoe me af te vragen of dat wellicht vaak voorkwam’, vertelt Frank, ‘dat burgers worden gegriefd door de arrogantie van hoogopgeleide functionarissen waarvan zij afhankelijk zijn, voor school, rijbewijs, paspoort, uitkering, werk of gezondheid. En het antwoord is: ja, dat komt heel vaak voor. En het is onderdeel van een professionele arrogantie, die kiezers eerst en vooral associëren met de Democraten, niet met de Republikeinen; met Clinton, niet met Trump.

Wat mij fascineert aan de huidige meritocratische, technocratische, academisch gecertificeerde elite is hun onverwoestbare, plaatstalen geloof in de eigen verdienste en de eigen voortreffelijkheid. Dat is echt anders dan een eeuw geleden. De elites uit de tijd van de roofbaronnen waren zonder meer schaamteloos, hardvochtig en wreed, maar ze waren niet gewetenloos. Ze werden achtervolgd door de christelijke vrees dat wat ze deden – mens, dier en natuur nietsontziend uitbuiten – niet goed was, dat hun rijkdom onverdiend was, dat ze ooit zouden moeten boeten voor hun wandaden. En dat veroorzaakte een zeker gevoel van noblesse oblige.’

Die gewetenswroeging kent de meritocratische elite van vandaag de dag niet, stelt Frank. Zij is ervan overtuigd dat ze haar positie heeft verdiend, dat ze die heeft verkregen door hard werken en door een superieur brein. ‘En dat heeft bij veel van hen de onuitstaanbare gedachte doen postvatten dat ze niet alleen slimmer en rijker zijn dan de niet-academisch geschoolden, dat ze een betere smaak hebben dan de laaggeschoolden, maar ook dat ze deugdzamer zijn. Dat is wat ik in al mijn boeken heb proberen bloot te leggen: dat de meritocratische elite serieus meent dat ze moreel superieur is aan de niet-academisch geschoolden, dat ze betere mensen zijn, dat ze de mens van de toekomst zijn.

Het is nieuw dat de elites van nu zichzelf opwerpen als de exclusieve erfgenamen van vroegere emancipatiebewegingen en dat ze dat vervolgens gebruiken om de draak te steken met niet-academisch geschoolden. Handwerkers verdienen hun lagere sociale status niet alleen omdat ze minder punten hebben behaald tijdens de “Scholastic Aptitude Test” maar ook omdat ze racistisch, seksistisch en homofoob zijn, en minder verfijnd dan hoger opgeleiden.

En dat is extra wrang omdat het niet de elites waren die opkwamen voor vrouwenrechten, de rechten van arbeiders en de rechten van zwarten, maar de werkenden zelf, in ieder geval in de Verenigde Staten. Ook dat is onderdeel van de grote vergetelheid die ik in mijn boek beschrijf. Het was de populistische arbeidersbeweging die voor het eerst de zaak van zwarten en vrouwen op de politieke agenda zette. Nu beschouwt de meritocratische elite antiracisme als een exclusief wezenskenmerk van de sociaal-economische klasse waartoe zij behoort en kan ze zich niet meer voorstellen dat het juist de handwerker was, waar ze nu zo op neerkijkt, die er ooit, een eeuw geleden, het voortouw in nam.’

Toch verwacht Thomas Frank dat Joe Biden de verkiezingen gaat winnen. ‘Hij heeft in zijn politieke carrière alles verkeerd gedaan wat je maar verkeerd kunt doen. Hij heeft wetgeving gesteund die Wall Street buitengewone privileges heeft gegeven. Hij heeft wetgeving ondertekend op het gebied van misdaadbestrijding die de zwarte gemeenschappen in dit land uitzonderlijk hard heeft geraakt. Hij heeft vrijhandelsverdragen ondertekend die de vakbonden in dit land zo goed als de genadeslag hebben toegebracht.

Aan de andere kant is hij zeer sympathiek, houden kiezers van hem. Hij is een goed, aimabel mens, waarop, anders dan op Clinton, niemand boos kan worden. Hier in Maryland is iedereen dol op hem. Vrijwel iedereen kent hem, heeft een verhaal over hem of heeft hem weleens ontmoet. Zelfs mijn vrouw heeft hem de hand geschud. En hij heeft op de juiste momenten de juiste geluiden laten horen – vóór vakbonden, tégen racisme, tégen Wall Street – om bij laagopgeleide kiezers wellicht voldoende de indruk te wekken dat hij hun zorgen en angsten kent, deelt en begrijpt en dat hij er iets aan zal proberen te doen.’

De Democratische Partij heeft maar één doel, en dat is Trump uit het Witte Huis krijgen. Een eigen, positief politiek programma is er volgens Frank nauwelijks. ‘Op papier ziet het programma er fraai uit: groen en sociaal. Maar de partijtop is daar niet in geïnteresseerd en heeft de meer radicale voorstellen er een voor een, zonder al te veel ruchtbaarheid, uitgesloopt. De groene, sociale marketing dient alleen maar om zoveel mogelijk verschillende kiezersgroepen aan zich te kunnen binden om Trump te verslaan.’

De lessen van 2016 zijn niet geleerd, merkte Frank toen hij op tv naar de Democratische Conventie keek. ‘Normaal gesproken hebben ze altijd een dag die helemaal is gewijd aan het lot van de werkende klasse in de Verenigde Staten. Om te laten zien dat ze de belangen van Joe en Jane Sixpack serieus nemen. Deze keer niet. Kennelijk moeten de arbeiderswortels van Biden volstaan. Het is typerend voor het cynisme van de top van de Democratische Partij, voor de volstrekt niet-authentieke, inhoudsloze wijze waarop politieke idealen campagnetechnisch worden gebruikt.’

Maar wat gaat hij doen voor de mensen die zich gepasseerd voelen, die bang zijn, die achtergelaten zijn? En dat zullen er veel zijn in het Amerika van na corona. Het waren er in 2016 al veel en het zijn er in 2020 alleen maar meer geworden. Gaat hij daar iets voor doen? Zal de verkiezing van Biden voor hen enig verschil maken?

‘No’, luidt na een korte stilte Franks apodictische antwoord.