GESPREK MET DRIE OORLOGSVERSLAGGEVERS

‘Het is verslavend werk’

Ze deden in Afghanistan en Irak verslag van de oorlogen en schreven er ieder een boek over, met een gedeeld doel: mensen de waarheid tonen. Een gesprek over oorlogsjournalistiek met New York Times-journalist Dexter Filkins en televisieverslaggevers Tom Kleijn en Peter ter Velde.

DE OORLOG IN AFGHANISTAN gaat het achtste jaar in, die in Irak het zesde; de verslaggevers beginnen nu terug te kijken op de grootste oorlogen die westerse legers de afgelopen decennia hebben gevoerd. Deze maand verschenen in Nederland drie boeken over beide oorlogen, van New York Times-redacteur Dexter Filkins en van de televisiejournalisten Tom Kleijn (Nova) en Peter ter Velde (NOS). Op verzoek van De Groene Amsterdammer kwamen zij samen om te spreken over nut, doel en resultaat van de oorlogsverslaggeving in Irak en Afghanistan.
Filkins schreef zijn eerste reportage over Afghanistan al tien jaar geleden en versloeg ook vanaf de eerste invasiedag de oorlog in Irak. Hij zou er tot 2006 semi-permanent blijven werken, tot Harvard hem een beurs van anderhalf jaar aanbood om een boek te schrijven. Al lang voor publicatie werd De Altijd Oorlog intensief gepromoot en bij verschijnen ervan schoot het in de VS de bestsellerslijsten op – absoluut verdiend overigens. Afgelopen week deed Filkins Nederland aan, als laatste van twintig landen in een wereldwijde tour.
Kleijn en Ter Velde moeten het met minder middelen doen: zij schreven hun boeken in eigen tijd, op basis van hun reportagereizen van de afgelopen jaren. Kleijn versloeg beide oorlogen vanaf hun begin en in 2006 won hij een Emmy Award voor Op jacht naar de Taliban. In Zwemmen in Bagdad beschrijft hij zijn impressies van Irak vanaf zijn eerste bezoek tijdens het bewind van Saddam Hoessein, via de invasie en de oorlog tot de fragiele rust die nu is neergedaald. Peter ter Velde maakte voor de NOS jarenlang buitenlandreportages, van het Palestijns-Israëlische conflict tot de tsunamiramp. Hij specialiseerde zich vanaf het begin van de Uruzgan-missie in de Afghaanse oorlog, wat resulteerde in het deze week te verschijnen Kabul & Kamp Holland.

Sinds de dagelijkse verslaggeving over de Vietnam-oorlog grote maatschappelijke impact kreeg, is oorlogsjournalistiek een vak dat zowel grote bewondering oogst als zware kritiek. Tegenover lof voor de waarheidsvinding met grote persoonlijke risico’s staan vaak beschuldigingen van partijdigheid of gebrek aan onafhankelijkheid. Door de oorlogen in Irak en Afghanistan laaiden die discussies op: in de VS omdat iemands visie op de Irak-oorlog samenhing met een heel pakket van politieke opvattingen over Bush en zijn neoconservatieve agenda, de war on terror en vaderlandsliefde in het algemeen; in Nederland omdat steun aan de missie in Uruzgan gelijk werd gesteld met allerlei meningen over de VS en het ‘inrommelen’ van Nederland in beide oorlogen. Ook onder vakgenoten laaide de discussie op, vooral over het embedded meegaan met het eigen leger – volgens oorlogsverslaggever Arnold Karskens bijvoorbeeld boet een journalist die zich laat onderbrengen bij een legereenheid automatisch in aan geloofwaardigheid.
Dexter Filkins: ‘In beide oorlogen werd het voor journalisten na het eerste jaar veel moeilijker. In het begin had je als verslaggever nog grote bewegingsvrijheid. Als ik een verhaal moest maken in Afghanistan, vloog ik naar Kabul, huurde er een auto met chauffeur en reed ergens heen. Toen we voor de inval in Irak het voorstel van het Pentagon kregen om ondergebracht te worden bij een eenheid, concludeerden we bij de The New York Times meteen: dit doen we niet. Ik huurde in Koeweit een auto en reed achter het leger aan Irak in. Dat was simpelweg krankzinnig en rondreizen door verschillende delen van het land heb ik alleen nog embedded gedaan. Voor mij heeft het wel gewerkt.’
Tom Kleijn: ‘Er is wel een groot verschil tussen embedded gaan met Nederlandse troepen en met Amerikaanse. Ik ben eens met Amerikanen mee geweest in Afghanistan en die wilden vooraf alles weten: voor welk programma ik werkte en wat mijn ervaring was. Maar daarna lieten ze me volledig vrij, hoefde ik me niet aan regels te houden, zoals bij Defensie in Nederland. Ik hoefde ook niet te laten zien wat ik had gemaakt.’
Filkins: ‘Wat? In Nederland bekijkt Defensie je werk voor publicatie? Meen je dat echt?’
Kleijn: ‘Je moet vooraf tekenen dat je alles eerst voorlegt, zodat zij zogenoemde operationele informatie eruit kunnen halen – bepaald materieel mag je bijvoorbeeld niet in beeld brengen. Maar onder het kopje “operationele informatie” blijkt Defensie van alles onder te kunnen brengen, zoals de opmerking dat op een bepaald moment bij soldaten “het moreel laag is”.’
Filkins: ‘Mijn God, dat is ongelooflijk. Als het ze niet aanstaat, moet je schrappen. En wat als je je daar niets van aantrekt?’
Peter ter Velde: ‘Dan kom je op een zwarte lijst en mag je een volgende keer niet mee.’
Filkins: ‘Interessant. En een eigen tolk meenemen?’
Kleijn: ‘Dat mag vaak ook niet.’
Filkins: ‘Jezus, het gaat echt ver. Ik denk niet dat ik zou accepteren om onder zulke voorwaarden te werken. Althans, ik heb de Amerikaanse voorwaarden wel getekend, maar ik heb ze nooit gelezen en ik heb nooit zulke problemen gehad. Het is natuurlijk wel zo dat je embedded meegaat niet omdat het ideaal is, maar omdat het soms niet anders kan. In het eerste jaar kon je nog wel vanuit Bagdad naar de soennitische driehoek rijden en op zoek gaan naar opstandelingen. Dat is nu alleen embedded nog mogelijk. Maar daarmee verlies je niet alleen de kans om met opstandelingen te spreken, je kunt ook burgers niet meer interviewen. Tenzij je denkt een eerlijk antwoord te krijgen als je met vijf gewapende soldaten bij iemand aanklopt en vraagt: “Wat vind je eigenlijk van Amerika?” Embedded werken beperkt je, het maakt je een soort gevangene. En Nederlandse media zijn allemaal akkoord gegaan met die voorwaarden die je noemt?’
Kleijn: ‘Nederlandse media hebben te veel de gemakkelijke weg gekozen: een weekje Kamp Holland, geen onafhankelijk werk. Er is te weinig echt naar waarheid gezocht. Ik denk dat je als journalist verplicht bent om te proberen onafhankelijk naar een oorlogsgebied te gaan.’
Ter Velde: ‘Embedded journalistiek is ook waardevol en het is nodig, net als unembedded. Ze laat het verhaal zien van de soldaten die we zelf op missie hebben gestuurd. En de controle van Defensie is niet altijd zo strikt, ik heb ook wel eens een reportage gemaakt en alleen doorgebeld wat erin stond. Defensie wordt relaxter.’
Kleijn: ‘Door wat er in Srebrenica is gebeurd, is Defensie in de kramp geschoten. Dat is ook wel te begrijpen en voor hen is het ook een leerproces. Wat eerder zo verbazend was, was dat Defensie met censuur zijn eigen mensen de mogelijkheid ontnam hun verhaal te doen. Defensie wilde steeds dat we de schooltjes toonden, terwijl de soldaten – hun eigen mensen – ons aanklampten en zeiden: laat nou eens zien hoe het hier echt is!’
Ter Velde: ‘Het was binnenlandse politiek, pure desinformatie. De Uruzgan-missie werd verkocht als opbouwmissie en het eerste jaar hoorden we steeds hetzelfde: heropbouw, heropbouw, heropbouw. Wij trokken met soldaten het land in en zagen maar één ding: vechten, vechten, vechten. Toen ik dat voor het eerst toonde, tegelijk met Joeri Boom in De Groene Amsterdammer, voelde dat echt alsof we de propaganda hadden verslagen. Op tv werd het eerste vuurgevecht uitgezonden, een heftig gevecht, heel dichtbij. En de reactie was enorm. Het schokte mensen diep om Nederlanders te zien die hard vochten en elkaar in het Nederlands dingen toeschreeuwden die we alleen kennen van Amerikaanse films. Embedded journalistiek heeft dus wel degelijk gewerkt.’
Filkins: ‘Soms spelen er ook praktische overwegingen. Mijn krant heeft nog wel een redactie in Bagdad, maar dat kost drie miljoen dollar per jaar: 45 bewapende bewakers, een Amerikaanse veiligheidsspecialist à duizend dollar per dag, machinegeweren op het dak, drie pantserwagens à driehonderdduizend dollar elk, zeventienduizend dollar aan verzekeringspenningen per maand per redacteur, en The New York Times heeft er meestal vier à vijf in Irak. We burn money like jet fuel.’

Oorlogsjournalistiek kreeg de afgelopen jaren een extra dimensie vanwege de enorme politieke polarisatie door de oorlogen in Irak en Afghanistan. Aan beide zijden van de oceaan werden verslagen van het front eerder gelezen op politieke implicaties dan op inhoud. En daarmee moesten journalisten hun geloofwaardigheid als objectieve waarnemers terugwinnen.
Dexter Filkins: ‘In 2003, 2004 kreeg ik ze elke dag: mailtjes dat ik een defaitist was, anti-Amerikaans, dat ik de goede kant niet wilde tonen, dat ik de opstandelingen wilde helpen. Een aap had nog gezien dat de zaken in Irak vanaf zomer 2003 steeds slechter gingen. Maar als verslaggever knokte je tegen een mediakanon dat voortdurend goede berichten op de VS afvuurde vanuit de beschermde Groene Zone in Bagdad: 250.000 politiemannen opgeleid, 427 scholen geverfd, de geboorte van een democratie. Dat ging niet om verslag doen, al kwam het uit Bagdad. Het was in feite een binnenlandse politieke operatie, gericht op het Amerikaanse publiek.’
Tom Kleijn: ‘Het was hier niet anders. Ik was met minister van Defensie Jaap de Hoop Scheffer in Bagdad, tijdens het ergste van het ergste van de oorlog. In het hart van de Groene Zone, het “veilige” deel van de stad, stonden we nog met een hele kring beveiligers om ons heen. “Het gaat langzaam. Maar het wordt steeds beter”, verklaarde hij.’
Peter ter Velde: ‘Een soort Al-Sahhaf, Saddams minister van Informatie.’
Filkins: ‘Maar de waarheid is erdoorheen gekomen. Niemand claimt meer dat Irak in 2003 het pad insloeg naar een paradijselijke toekomst. En die kritische mails krijg ik ook niet meer. Het duurde lang, maar de mensen zijn nu vrij goed op de hoogte van wat er gebeurt.’
Maar duurde dat niet te lang, in ieder geval zo lang dat George Bush herverkozen kon worden met de belofte dat de overwinning ‘om de hoek’ lag?
Filkins: ‘In Irak was ons doel nooit om een verkiezing te winnen, het was om mensen de waarheid te tonen. Ik had een groot gevoel van journalistieke verantwoordelijkheid: om mensen de kennis aan te reiken die nodig is om geïnformeerde beslissingen te nemen. Elke ochtend als ik wakker werd in Irak, vroeg ik mezelf af: slaag ik, bereik ik iets? Of faal ik?’
Kleijn: ‘Toen de oorlog begon, wilde ik er in de eerste plaats gewoon bij zijn, met eigen ogen zien hoe het was. De spanning ervaren. Maar mijn taak nam ik erg serieus. Als mensen stemmen en hun regering voert ergens oorlog, moeten mensen kunnen lezen wat de consequenties van hun beslissingen zijn en hoe, in dezen, Irakezen en Afghanen het beleven. Maar het is een illusie dat je het hele verhaal kunt tonen. Je moet als journalist in je hoofd prenten dat mensen veel redenen hebben om je niet de waarheid te zeggen. Je ambities moeten beperkt zijn. Om in ieder geval íets te tonen.’

De journalistieke verantwoordelijkheid heeft wel zijn prijs. In De Altijd Oorlog schrijft Filkins dat hij na zijn terugkeer uit Irak ‘met niemand die daar niet was geweest een gesprek kon hebben over wat dan ook’.
Dexter Filkins: ‘Ik ben nu wel wat bijgedraaid, maar het is toch alsof je op een andere planeet bent geweest en je kunt niemand uitleggen hoe het daar is. Je krijgt het niet uit je systeem. Daarom ben ik liever met mensen die er ook zijn geweest.’
Ondervond u er ook echt schade van?
Filkins: ‘Ik ben gescheiden.’
Het gesprek valt even stil.
Door de oorlog?
Filkins: ‘Ja, ik denk het wel. Als ik het over kon doen, zou ik weer gaan, maar ik zou het anders doen. Toen ik de eerste keren ging, was ik me er niet van bewust dat ik daarmee keuzes maakte. Ik was me er niet van bewust dat ik grote schade toebracht aan mijn persoonlijk leven. Dat weet je niet voordat je gaat.’
Tom Kleijn: ‘Tegelijk is het ook gewoon werk. Het is soms irritant dat mensen een soort crisisgedrag van je verwachten. Ik had eens met mijn cameraman een verschrikkelijke dag in Fallujah: een menigte die zich tegen ons keerde, een kind dat op de terugweg tegen onze auto werd gegooid om ons geld af te troggelen, dronken politiemannen die ons tegenhielden en zwaaiden met hun wapens. Maar als je dan ’s avonds in je hotel zit, denk je niet allemaal grote gedachten als: wat is het doel van mijn aanwezigheid hier? Je denkt: staat het wel allemaal op tape? En de volgende dag ga je weer aan het werk.’
Peter ter Velde: ‘Het is verslavend werk. Als ik terug ben van een reportage, zit ik meteen na te denken over de volgende.’
Kleijn: ‘Absoluut. Ik ben net vader geworden. Na een week begon ik weer na te denken over teruggaan.’
Filkins: ‘Ik heb de verslaving niet meer. Ik heb het gedaan en dat ligt nu achter me. Nou ja, ik ga wel volgende maand weer naar Afghanistan. Maar ik ging ook gewoon omdat het ontzettend interessant was, veruit het grootste verhaal van de afgelopen tijd. De inval en de oorlog in Irak waren enorme, epische gebeurtenissen. Het was de grootste Amerikaanse oorlog sinds Vietnam en oorlogen zijn buitengewone menselijke ondernemingen. Je ziet mensen op hun best en op hun slechtst. Je ziet de geschiedenis zich voor je ogen ontvouwen. Het is ongelooflijk om erbij te zijn.’

Dexter Filkins, De Altijd Oorlog
Contact, 383 blz., € 24,95
Tom Kleijn, Zwemmen in Bagdad: Van leven onder een dictator tot leven aan de afgrond Balans, 297 blz., € 16,50
Peter ter Velde, Kabul & Kamp Holland: Over de stad en de oorlog
Conserve, 200 blz., € 17,-

Met medewerking van Joeri Boom. Zijn boek over de oorlog in Afghanistan verschijnt in 2009