INTERVIEW MET CALLIOPE TSOUPAKI

‘Het is waar: ik moet om Jezus huilen’

De Grieks-Nederlandse componiste Calliope Tsoupaki schreef een Lucas Passie voor het Holland Festival. Een portret van een sterke Jezus, en een geloofsbelijdenis. ‘Ik wilde geen passie schrijven zoals het verwacht wordt.’

‘Kijk dit icoon’, zegt Calliope Tsoupaki (1963) in de keuken van haar Amsterdamse huis. Gekregen van de man die ze haar geestelijke vader noemt, een Griekse priester. Dit is de Jezus zoals Tsoupaki zich hem voorstelt. ‘Ik heb er vaak en lang naar gekeken. Kijk naar de ogen. Je ziet twee blikken. Het rechteroog kijkt streng en enigmatisch, het andere is liefdevol en omhelzend. Het icoon staat voor twee gevoelens: vreugde en droefenis. Het Grieks kent daar een woord voor: charmolypi. Het ene oog, wordt wel gezegd, is het oog van de Jezus die zal terugkeren om rechtvaardigheid te brengen, het andere is het oog van de man die ons komt redden.’

Dat is de Christusfiguur aan wie de Grieks-Nederlandse componiste Calliope Tsoupaki, die in 1988 naar Nederland kwam voor een compositiestudie bij Louis Andriessen, haar oratorium Lucas Passie heeft gewijd. De semi-geënsceneerde wereldpremière in het Holland Festival, in een zogenaamde ‘mise-en-espace’ van festivalintendant Pierre Audi, wordt niet de zoveelste dramatisch gestileerde opmars naar het kruis, niet de zoveelste manifestatie van een passietraditie die Tsoupaki ten behoeve van haar werk bestudeerde, van Bach via Pärt tot de passies die Osvaldo Golijov, Wolfgang Rihm, Tan Dun en Sofia Goebaidoelina rond 2000 componeerden ter gelegenheid van Bachs 250ste sterfjaar. Naar vorm en inhoud is dit something completely different.

Een belangrijk verschil is dat het vocaal-instrumentale tableau de la troupe, in overeenstemming met de biculturele achtergrond van de maakster, een curieuze versmelting van westerse en Byzantijnse elementen is geworden. De reguliere strijkers en blazers van het Nieuw Ensemble krijgen in de partituur gezelschap van drie mediterrane blaas-, strijk- en tokkelinstrumenten: ney, kemençe en quanun. In de geest van de Griekse tragedie, die Tsoupaki dierbaar is en die haar ook in deze passie in veel opzichten tot voorbeeld strekte, zijn er twee driekoppige ‘koren’: een uit leden van het Egidius Kwartet gerekruteerd goedhollands mannenensemble en een Byzantijns zangerstrio dat (‘wat ik altijd al wilde, en hier kon ik het helemaal uitleven’) vrijwel uitsluitend bourdonklanken produceert. Solisten zijn een Nederlandse Christus (tenor Marcel Beekman), een Byzantijnse evangelist (Yannis Arvanitis) en de als oosterse zangeres aangekondigde Raneen Hanna. ‘De Byzantijnse zangers kende ik al’, zegt Tsoupaki, ‘via een inmiddels opgeheven stichting hier in Nederland. Ik wilde al langer iets voor ze schrijven.’

In de tweede plaats is deze Lucas Passie een hartsbekentenis: een avondvullend religieus werk van een diepgelovige componiste die een lange weg heeft moeten afleggen om de muziek te willen en te kunnen schrijven. Het werk gaat over haar hoogstpersoonlijke geloof in een man wiens zijn en lot haar al als kind tot tranen toe bewogen, en aan wiens terugkeer ter bevrijding van de mensheid ze niet twijfelt. Die Christus is de man van het icoon, dat haar zelfs in formele zin de weg wees: ‘Het eerste deel is het strenge oog, het tweede het liefdevolle. Het stuk is een icoon, geen schilderij. Voor het schilderen van een icoon gelden strenge regels. Je beeldt iets goddelijks af, iets mysterieus. Het moet de kracht weergeven van wat het uitbeeldt. Dat kan niet met pathetiek. Ik heb niets zomaar opgeschreven. Compositorisch houd ik alles onder controle. En ik maak geen vuist in mijn passie.’

Ook in de context van Tsoupaki’s oeuvre is de passie een opvallend stuk. Door zijn lengte van ongeveer anderhalf uur, en omdat op het eerste gezicht niets in haar cv op bovenmodale religieuze preoccupaties duidt. Ze groeit op met Beethoven, Monteverdi, The Beatles, Barbra Streisand en suffe pianoles. Haar vader heeft platen met symfonieën en sonates van Beethoven, die haar diep roeren. Ze studeert piano, muziektheorie en compositie aan conservatoria in Athene. In 1985 besluit ze na een masterclass bij Iannis Xenakis in Delphi componiste te worden. In Avignon ontmoet ze vervolgens Messiaen en Boulez en in Darmstadt treft ze, een jaar voor zijn dood, de Amerikaanse klankdramaturg Morton Feldman. Een tijdlang werkt ze als muziekjuf op het eiland Chios. In de weekeinden vliegt ze, met de pest in het lijf over het lesgeven, naar Athene voor compositieles. Dan hoort ze bandjes met muziek van Louis Andriessen. Ze is zo geïntrigeerd dat ze hem schrijft: of hij haar les kan geven. Hij antwoordt dat het kan: in 1988 vertrekt ze naar Den Haag, waar ze in 1992 afstudeert als componiste.

Een exemplarisch nieuwlichters-cv, kortom. Ook op haar werkenlijst geen symptomen van een Messiaen- of Pärt-achtige devotie. Wel veel poëtische titels (Revealing Moonlight, Silver Moments, Echoes of a Deep Sea, Sappho’s Tears, Untitled Love) en titulaire dan wel muzikale verwijzingen naar haar Griekse achtergrond (Siren, Medea, Orphic Fields, Paraklitikon, Kentavros, Melos hidiston, Charavgi, Epigramma). Verder toneelmuziek en muziektheater voor even bescheiden als opvallende bezettingen: Nadere kennismaking (1995); het monteverdiaans gestemde E guerra e morte (1997) voor koor, twee barokviolen, gamba en theorbe; Viaje a la Luna (1999), ‘muziektheater voor hobo, viool, altviool, cello en gitaar’; de opera’s The Hunting Gun en Dark (2003, over Jeanne d’Arc) en in 2004 Vita Nova, naar Dante. Mooie, vaak introverte, aandachtig-serene muziek, meditatief zonder expliciet confessionele strekking. Geen missen of cantates, oratoria. En nu dit. Wat is er in haar gevaren?

Passie. Calliope Tsoupaki: ‘Passie, dat is een lange traditie in mijn leven. Ik heb mijn hele leven lang mooie melodieën willen schrijven, het verlangen gehad om te vertellen wat ik op geen andere manier kon zeggen.’ Passie, ook in de religieuze betekenis van het woord. Passie, die op een goede dag moet worden uitgesproken. ‘En op een gegeven moment sta je voor de beslissing om het te gaan doen.’ Een echte passie. Lucas Passie.

‘Edzard (Tsoupaki’s levensgezel, schrijver Edzard Mik – bvp) begon er steeds opnieuw over. Die zei: altijd als het over Jezus gaat, moet jij huilen. Dat is ook zo. Ik dacht: niet aan beginnen. Er is al zo veel prachtige muziek. Bach, Byzantijnse muziek. Dat bestaat al. Het is klaar. Ik geloof, maar voor mij is geloof gewoon geloven. Daar praat je niet over.’ Omdat het indiscreet is, en misschien ook wel omdat het riekt naar exhibitionisme: ‘Het is alsof je zegt: ik heb een geheime minnaar.’

‘Maar Edzard bleef erop terugkomen. En het is waar: ik moet om Jezus huilen. Op de lagere school, ik kom uit een orthodox-christelijke cultuur, plakten we plaatjes van iconen in schriften. Er was een icoontje van Jezus aan het kruis. Ik begon te huilen. Ik zat in de keuken. Mijn moeder kwam binnen met een vriendin. Ze stonden perplex, begrepen niet wat er aan de hand was. Ze dachten aan een allergie, want ik had astma. Die vriendin was bovendien een atheïste, een moderne Griekse vrouw. De verbijstering was totaal.’

Dat was de eerste botsing tussen het heden en een aan de tijd ontrukte vroomheid die innerlijke zekerheden boven wetenschappelijk bewijs verkiest. Het is de vroomheid van de zesde-eeuwse Romanos de Melodist, wiens hymnen ze gebruikte in haar passie: ‘Dat was een heilige, die in zijn droom een stuk papier at. Toen hij de volgende ochtend ontwaakte, was hij van een onpoëtisch, onmuzikaal mens veranderd in een musicus en dichter. Daarna schreef hij duizend hymnen.’

Wat die devotie niet alleen voor Tsoupaki zo gecompliceerd maakt, is dat de onvoorwaardelijkheid van haar geloof ook dwingt tot aanvaarding van de apocalyptische beschrijvingen die de bijbel schetst van Christus’ wederkeer op aarde. In de Lucas Passie heeft ze die keerzijde niet ontweken. Christus’ voorspellingen over zijn terugkomst zijn verwerkt in de Aria die in het eerste deel van de passie volgt op de openingshymne waarin haar dramatis personae zichzelf hebben geïntroduceerd, ongeveer zoals in een Griekse tragedie. ‘Jezus moet dynamisch overkomen. Ik wilde geen lijdende Jezus aan het kruis neerzetten, ik wilde hem tonen als een heerser. Voor mij is hij sterk. Hij moet dat zijn.’ Vertrouwen is vertrouwen. Maar het tart het voorstellingsvermogen welke prijs de mens voor zijn verlossing moet betalen. Inderdaad: een tragedie. ‘Aan de Griekse tragedies heeft ook mijn passie veel te danken. Ze gaan over menselijke frustraties, het diepe besef van menselijke onmacht. En tegelijkertijd bieden ze ruimte voor reflectie. Ze zijn als een vaas waarin alle gevoelens passen. In de Aria laat ik Christus als een soort Cassandra drie keer zijn einde voorspellen.’

En dan toch blijven geloven. ‘Geloof is heel moeilijk uit te leggen’, erkent Tsoupaki. ‘In het Evangelie van Lucas beschrijft Christus precies hoe hij terugkeert. Het is verschrikkelijk wat er dan zal gebeuren. De aarde gaat ten onder. Dat is niet te begrijpen. De Apocalyps van Johannes, dat is niet te bevatten zo afgrijselijk – wijze priesters raden je af om dat te lezen.’ Maar wat is, dat is. Dat is geloof; het is totaal, of het is niet. ‘Mijn geestelijke vader, een priester in Griekenland, zei me: geloof is de grootste kennis.’

In eerdere interviews typeerde Calliope Tsoupaki zichzelf als het product van twee culturen, de Griekse en de ‘westerse’. Niettemin, stelt ze vast, speelde een vorm van culturele conditionering haar bij het beramen van haar passieproject aanvankelijk parten: ‘Ik had altijd het idee dat ik een passie moest schrijven op de westerse manier. Ik had de ruggengraat voor het stuk niet. Edzard kon me niet overtuigen. Tot ik de link legde met Byzantijnse zangers en instrumenten. Ik heb het Nieuw Ensemble benaderd, het Holland Festival. Pierre Audi zag er iets in. Toen was het klaar.’

Toch, zegt ze, moest ze vooral emotionele hindernissen overwinnen: ‘Ik wilde geen passie schrijven zoals het verwacht wordt. Ik heb alle passies bekeken: die gaan tot de kruisiging. Terwijl ik niet geloof dat Jezus dood is. Ik geloof dat hij is opgestaan, dat hij gekomen is om ons te redden.’ En juist die verregaande identificatie met hem zadelde Tsoupaki met mentale barrières op: ‘Ik moest de hele tijd over mijn emoties heen stappen om de muziek te destilleren uit die diepte, dat gevoel. Terwijl dit werk uit mijn beleving is ontstaan. Ik heb gedacht: hoe ga ik zoiets persoonlijks zo eerlijk mogelijk vertellen? Ik maak geen muziek die iets afbeeldt. Ik maak muziek die is. Je hebt componisten die eindeloos op klank werken, eindeloos schaven tot ze precies het juiste effect hebben. Ik vond dat allemaal totaal onbelangrijk.

Toen heb ik gedacht: welk evangelie? Ik heb expres Lucas gekozen. Hij is voor de Grieken, is me altijd verteld, er zijn filologen die dat zeggen. Er wordt gezegd dat dat is omdat Lucas de meeste parabels heeft. En het is het meest afstandelijke evangelie, de versie met de minste martelingen. Een van de mooiste stukken vind ik de beschrijving van hoe Jezus gevangen wordt genomen na het gebed. Petrus snijdt met een mes het oor van een bewaker af. En Jezus zegt: tot hier en niet verder, zet dat oor terug. Hij doet het, en het oor zit weer vast. Het is een soort wonderbaarlijke genezing, die ik weliswaar niet echt een plaats heb kunnen geven in mijn passie, maar die me heel diep raakt. Daar gebeurt wat iedereen wil: dat we de tijd kunnen terugzetten.’

Terwijl zo veel verlies onherroepelijk is.

‘Precies.’

Calliope Tsoupaki, Lucas Passie_. Nieuw Ensemble en solisten, o.l.v. Ed Spanjaard, mise-en-espace Pierre Audi. Muziekgebouw aan het IJ, Amsterdam, 5 juni, aanvang 20.30 uur._

www.calliopetsoupaki.com. www.nieuw-ensemble.nl. www.hollandfestival.nl