Essay Humanisme en vliegende schotels

Het is waar maar het klopt niet

De hedendaagse humanisten schimpen op mystiek en religie. Maar hun predikaat van de menselijke uniekheid is een uit de godsdienst overgeleverde mythe. Vooruitgangsgeloof is niet meer dan amusementsmuziek.

Medium de groene a kleur

Als het geloof in de menselijke rationaliteit een wetenschappelijke theorie was, zou die al lang geleden zijn verworpen. Een treffende weerlegging biedt een klassieke casus uit de sociale psychologie, When Prophecy Fails (1956), een studie naar een ufo-sekte uit begin jaren vijftig. In dit boek, geschreven door een team onder leiding van Leon Festinger, de psycholoog die het begrip ‘cognitieve dissonantie’ ontwikkelde, maken we kennis met een vrouw uit Michigan die beweerde via automatisch schrift berichten te hebben ontvangen van intelligente buitenaardse wezens die het einde van de wereld aankondigden, dat zich zou voltrekken door een grote zondvloed in de uren voor zonsopgang op 21 december 1954. De vrouw en haar volgelingen hadden hun huis, baan en partner verlaten en hun bezittingen weggegeven, in voorbereiding op de komst van een vliegende schotel die hen zou wegvoeren van de ten dode opgeschreven planeet.

Hiermee kwamen Festinger en zijn collega’s in de gelegenheid hun theorie van de cognitieve dissonantie te testen. Volgens deze theorie lossen mensen de tegenstrijdigheid tussen overtuigingen en waarnemingen op door een nieuwe interpretatie te geven aan feiten die botsen met de overtuigingen waaraan ze het meest gehecht zijn. Zoals T.S. Eliot schreef in Burnt Norton kan de menselijke soort niet al te veel werkelijkheid verdragen.

Om hun theorie te toetsen infiltreerden de psychologen de sekte, zodat ze konden waarnemen hoe de leden reageerden toen de wereld niet verging. Precies zoals de theorie voorspelde, weigerden de sekteleden te accepteren dat hun stelsel van overtuigingen niet klopte. In plaats daarvan interpreteerden ze het uitblijven van de wereldondergang als bewijs dat zij die hadden weten af te wenden door de hele nacht te waken en te bidden. Dat al hun verwachtingen niet uitkwamen stijfde hen alleen maar in hun overtuigingen, en ze kweten zich daarna des te ijveriger van hun bekeringswerk.

Samenvattend schrijft Festinger over dit proces: ‘Stel dat iemand iets hartstochtelijk gelooft en stel bovendien dat hij aan deze overtuiging vastzit doordat hij uit hoofde daarvan bepaalde onherroepelijke acties heeft ondernomen; stel ten slotte dat hij met bewijs wordt geconfronteerd, van ondubbelzinnige en onweerlegbare aard, dat zijn overtuiging onjuist is – wat zal er dan gebeuren? Vaak is de persoon hierdoor niet eens aan het twijfelen gebracht, maar zelfs nog sterker overtuigd van de waarheid van zijn overtuigingen dan voorheen. Sterker nog: soms ontbrandt bij hem zelfs een nieuw vuur om andere mensen over te halen en te bekeren tot zijn visie.’

De werkelijkheid ontkennen om een wereldbeeld intact te houden is niet iets waaraan enkel sekten zich schuldig maken. Cognitieve dissonantie is de normale toestand van de mens. Messianistische bewegingen, waarvan de volgelingen in afwachting van de komst van een verlosser leven, belichamen deze dissonantie in een zuivere vorm. Zoals Festinger schrijft: ‘Sinds de kruisiging van Jezus hebben veel christenen telkens weer gehoopt op de wederkomst van Christus, en niet zelden hebben bewegingen de precieze dag voorspeld. (…) [Messianistische gelovigen] zijn fervente volgelingen; ze kunnen moeilijk meer terug doordat ze hun leven overhoop gooien. (…) De wederkomst vindt niet plaats. En die weerlegging, hebben we gezien, betekent niet het einde van de beweging maar geeft haar juist een nieuwe impuls.’

Apocalyptische bewegingen hoeven niet apert godsdienstig te zijn. In een bespreking van Festingers werk stelde literair criticus Frank Kermode: ‘Hoewel het Einde voor ons wellicht niet meer in die naïeve gedaante nabij is, valt de schaduw ervan nog steeds op de crises in onze verhalen.’

De schaduw van de Apocalyps ligt over veel radicale bewegingen. Omgewerkt tot een seculiere versie hebben apocalyptische mythen vaak grote aantrekkingskracht uitgeoefend op revolutionairen, van de jacobijnen tot de bolsjewisten en degenen na hen, wat heeft geleid tot zulke uiteenlopende bewegingen als trotskisme en het laattwintigste-eeuwse Amerikaanse neoconservatisme. De proletarische mens in Sovjet-­Rusland, de Übermensch in nazi-Duitsland, de mondiale producent-consument wiens komst is aangekondigd door congregaties van rijken op de bijeenkomsten van het World Economic Forum in Davos – deze versies van de mens zouden alle een nieuwe fase in de geschiedenis hebben ingeluid. Gelukkig bleef de eindtijd uit en verscheen geen van de schimmen op het toneel.

Als het menselijke dier één unieke eigenschap heeft, dan is het dat hij het vermogen bezit in steeds hoger tempo kennis te vergaren, maar tevens is behept met het chronische onvermogen om van ervaring te leren. In wetenschap en technologie is de vooruitgang cumulatief, terwijl die in ethiek en politiek cyclisch van aard is. Hoe je ze ook noemt, martelen en slavernij zijn universele kwaden; maar deze kwaden kunnen niet als relicten uit het verleden worden afgedaan zoals dat in de wetenschap met verouderde theorieën gebeurt. Ze keren onder andere namen terug: martelen als geïntensiveerde ondervragingstechnieken, slavernij als mensensmokkel.

Iedere terugdringing van universele kwaden is een stap voorwaarts in beschaving. Maar in tegenstelling tot wetenschappelijke kennis kunnen de gedragscodes van het beschaafde leven niet worden opgeslagen op een computerschijf. Dit zijn immers gewoonten die, zodra ze worden afgeworpen, niet zomaar zijn te herwinnen. Mensen zijn van nature geneigd tot beschaving, maar ook tot barbarij.

Medium de groene a   kleur

Uit wetenschap en geschiedenis blijkt dat mensen altijd maar gedeeltelijk en met tussenpozen rationeel zijn, maar moderne humanisten hebben de oplossing paraat: mensen moeten in de toekomst rationeler worden. Het is deze adepten van de rede ontgaan dat er voor het denkbeeld dat de mensen op een dag rationeler zullen zijn meer geloof nodig is dan voor welk religieus dogma ook. Dat Christus uit de dood is opgestaan berust op een wonderbaarlijke opheffing van de natuurlijke orde en is daarmee net zo flagrant in strijd met de rede als de notie dat mensen in de toekomst anders zullen zijn dan ze tot nu toe zijn geweest.

Zo algemeen mogelijk geformuleerd is humanisme het denkbeeld dat het menselijke dier een of andere unieke waarde in de wereld vertegenwoordigt. De filosofen van het oude Griekenland dachten dat mensen speciaal waren door hun vermogen tot redeneren, dat bij dieren ontbrak, en sommige van deze filosofen – in het bijzonder Socrates, althans zoals Plato hem beschrijft – geloofden dat mensen met behulp van de rede toegang konden verkrijgen tot een geestelijk domein. Een verwant aspect van het humanisme is het denkbeeld dat de menselijke geest de orde in de kosmos weerspiegelt. Het geestelijke domein waarin Socrates mogelijk geloofde, was samengesteld uit tijdloze ideeën – met andere woorden, metafysische projecties van menselijke concepten. Een derde aspect van het humanisme is het denkbeeld dat de geschiedenis het verhaal is van de menselijke vooruitgang, met een steeds toenemende rationaliteit. Dit is een typisch moderne opvatting, die onder de wijzere denkers van de antieke wereld nergens te vinden is.

Niet iedereen die als humanist te boek staat hangt deze denkbeelden aan. De zestiende-eeuwse essayist Michel de Montaigne wordt als een humanist beschouwd omdat hij zich in de klassieke geleerdheid verdiepte en koos voor een leven van zelfstudie. Maar Montaigne hoonde de overtuiging dat mensen boven de andere dieren staan, verwierp de notie dat de menselijke geest de wereld weerspiegelt en dreef de spot met het denkbeeld dat de rede de mensen in staat stelt een goed leven te leiden. In geen enkel opzicht hangt hij de vooruitgangsgedachte aan die zo kenmerkend is voor het latere humanisme. Als een goed scepticus hield Montaigne de mogelijkheid van geloof open. Zijn geschriften bevatten echter geen spoor van de mystieke ideeën waarop Socrates en Plato hun beweringen over de menselijke uniekheid baseren.

De hedendaagse humanisten, die prat gaan op een volstrekt seculier wereldbeeld, schimpen op mystiek en religie. De unieke status van de mens is echter amper verdedigbaar, of zelfs maar begrijpelijk, wanneer ieder idee van transcendentie wordt afgewezen. In een strikt naturalistische zienswijze – waarbij de wereld binnen zijn eigen domein wordt beschouwd, zonder verwijzing naar een schepper of enig geestelijk rijk – bestaat er geen waardehiërarchie met de mens ergens aan de top. Er bestaan simpelweg vele soorten dieren, alle met hun eigen behoeften. De menselijke uniekheid is een uit de godsdienst overgeleverde mythe, die de humanisten de wetenschap binnen hebben gesmokkeld.

De humanistische afkeer van mythen is veelzeggend, want als iets de mens kenmerkt, dan is het wel mythevorming. Iedere menselijke beschaving drijft in zekere mate op mythen, en geen enkel ander dier vertoont iets wat daarop lijkt. Ook humanisten zijn in de greep van mythen, al missen de hunne de schoonheid en de wijsheid van de mythen die zij verachten. Het denkbeeld dat de mens zich met behulp van zijn geest kan verheffen boven de natuurlijke wereld, dat bij Socrates en Plato deel uitmaakte van een mystieke filosofie, heeft nieuw emplooi gekregen in een warrige versie van het evolutieverhaal.

Evolutionaire maatschappijtheorieën zijn momenteel in de mode, maar veel van wat ze beweren is al eerder, en soms in duidelijker bewoordingen, gezegd in de geschriften van Herbert Spencer, de Victoriaanse profeet van wat later sociaal darwinisme zou worden genoemd. Uitgaande van zijn opvatting dat de menselijke geschiedenis zelf een soort evolutionair proces was, stelde Spencer dat de bekroning van dit proces laissez-faire-kapitalisme was. Zijn volgelingen Sidney en Beatrice Webb, vroege leden van de Fabian Society en bewonderaars van de Sovjet-Unie, meenden dat communisme het eindpunt was. In de veronderstelling verstandiger te werk te gaan heeft een latere generatie van theoretici het ‘democratisch kapitalisme’ als eindbestemming gekandideerd. Zoals te verwachten was, heeft geen van deze heilstaten zich verwezenlijkt.

Het belangrijkste kenmerk van natuurlijke selectie is dat het een blind proces is. Evolutie heeft geen eindpunt of richting, dus als de maatschappij zich volgens een evolutionair proces ontwikkelt, is niet te zeggen waar dat heen gaat. De bestemmingen die opeenvolgende generaties theoretici aan evolutie hebben toegekend, vinden geen basis in de wetenschap. Zonder uitzondering zijn ze te herleiden tot de op dat moment heersende vooruitgangsgedachte, gegoten in darwiniaanse begrippen.

Rekening houdend met verbeteringen door latere wetenschappers komt Darwins theorie neer op de natuurlijke selectie van toevallige genetische mutaties. Daarentegen is niemand op de proppen gekomen met een selectie-eenheid of een mechanisme dat de evolutie in de maatschappij aandrijft. Evolutionair bezien heeft de menselijke geest geen ingebouwde neiging tot waarheid of rationaliteit; zij zal zich simpelweg blijven ontwikkelen volgens het gebod dat alleen overleving telt. Theorieën dat de menselijke rationaliteit toeneemt door middel van maatschappelijke evolutie zijn vandaag de dag even ongefundeerd als toen Spencer ze gebruikte om het laissez-faire-kapitalisme te propageren en de Webbs om het communisme te bevorderen. Door deze sinds lang achterhaalde ideeën van stal te halen demonstreren de 21ste-eeuwse vooruitgangsadepten tegen wil en dank dat vooruitgang in ethiek en politiek een hersenschim is.

De conclusie dat de mensheid niet zonder mythen kan leven moet de humanisten tot pessimisme stemmen. Zij nemen immers voetstoots aan dat als de mensen nu maar meer zouden toegroeien naar de rationele spookfiguren die hun voor ogen staan, de wereld er beter op zou worden. Nog afgezien van de vraag of een rationeel leven een leven zonder mythen moet zijn, is een – al dan niet rationeel – leven zonder mythen als een leven zonder kunst of seks: dor en onmenselijk. Ondanks alle gruwelen verdient de realiteit de voorkeur. Gelukkig hoeft een dergelijke keuze niet te worden gemaakt, aangezien het leven in redelijkheid waar de humanisten naar uitkijken pure fictie is.

De werkelijke keuze is er een tussen mythen. In vergelijking met de Genesis-mythe is de seculiere mythe waarin de mensheid voortschrijdt naar steeds grotere vrijheid louter bijgeloof. Zoals het verhaal in Genesis ons leert, kan kennis ons niet behoeden voor onszelf. Als we meer weten dan vroeger, betekent dat slechts dat we onze krankzinnigheid op grotere schaal kunnen uitleven. Maar de Genesis-mythe leert ons bovendien dat we ons op geen enkele manier kunnen ontdoen van onze eenmaal verworven kennis. Wanneer we proberen terug te keren naar een toestand van onschuld kan het resultaat alleen maar een verergerde krankzinnigheid zijn. De boodschap van Genesis is dat er op de wezenlijkste gebieden van het menselijk bestaan geen vooruitgang bestaat, maar slechts een eindeloze worsteling met onze eigen natuur.

Wanneer hedendaagse humanisten een beroep doen op de vooruitgangsgedachte gooien ze twee verschillende mythen dooreen: een socratische mythe over de rede en een christelijke mythe over verlossing. Het resulterende ideeëncomplex is incoherent, maar daarin ligt tevens de aantrekkingskracht ervan. Humanisten geloven dat de mensheid zich zal verbeteren naarmate onze kennis toeneemt, maar de overtuiging dat meer kennis samengaat met meer beschaving is nergens op gebaseerd. Voor hen is de realisering van menselijke mogelijkheden het doel van de geschiedenis, ook al toont rationeel onderzoek aan dat de geschiedenis geen doel heeft. Ze verheerlijken de natuur, terwijl ze tegelijkertijd volhouden dat de mensheid – een toevallig product van de natuur – de natuurlijke grenzen kan doorbreken waarbinnen de levens van andere dieren zich afspelen. Hoewel pertinente nonsens, geven deze absurditeiten betekenis aan het leven van mensen die denken alle mythen achter zich te hebben gelaten.

Het zou onredelijk zijn om van humanisten te verwachten dat ze hun mythen opgeven. Net als amusementsmuziek leidt de vooruitgangs­mythe behalve tot een opgeruimd gemoed ook tot een afgestompt brein. Hoe langer de rationele mensheid op zich laat wachten, des te vuriger de humanisten zich vastklampen aan de overtuiging dat de mensheid op een goede dag van haar onredelijkheid zal zijn verlost. Net als mensen die in vliegende schotels geloven, interpreteren zij het feit dat gebeurtenissen zich niet voordoen als bevestiging van hun overtuiging.

Wetenschap en de vooruitgangsgedachte mogen twee kanten van één medaille lijken, maar de vooruitgang in de wetenschap heeft als eind­resultaat dat vooruitgang in beschaving onmogelijk blijkt te zijn. Wetenschap werkt op illusies als een bijtend zuur, niet het minst op de illusies van het humanisme. De menselijke kennis neemt toe, terwijl de menselijke irrationaliteit onveranderd blijft. Wetenschappelijk onderzoek mag dan een belichaming van de rede zijn, maar het toont tegelijkertijd aan dat mensen geen rationele dieren zijn. Het feit dat humanisten weigeren deze vaststelling onder ogen te zien, bevestigt de waarheid ervan.

Ook voor atheïsme en humanisme geldt dat ze verwant lijken, maar in werkelijkheid met elkaar botsen. Onder hedendaagse atheïsten geldt ongeloof in vooruitgang als een vorm van blasfemie. Wijzen op de gebreken van het menselijke dier komt inmiddels neer op heiligschennis. Het verval van religie heeft de greep van het geloof op de geest alleen maar versterkt. De scepticus van vandaag moet zijn pijlen niet richten op de religie, maar op het seculiere geloof.

Een vorm van atheïsme zonder verering van de mensheid zou een echte stap vooruit zijn. Freuds denken is een voorbeeld van dit type atheïsme; maar Freud is juist verworpen omdat hij het menselijke dier niet wenste te vleien. Het is niet verbazend dat ook het atheïsme een humanistische eredienst is. Wie aanneemt dat de moderne mensheid aan de vooruitgangsmythe kan ontsnappen, zou haar daarmee een nog groter vermogen tot verbetering toeschrijven dan ze zelf al doet.

Moderne mythen zijn religieuze mythen, verwoord in andere termen. Het gemeenschappelijke element in beide soorten mythen is dat ze tegemoetkomen aan een behoefte aan betekenis die niet kan worden geloochend. Om te kunnen overleven hebben de mensen wetenschap uitgevonden. Indien consequent beoefend, leidt wetenschappelijk onderzoek tot de ondermijning van mythen. Maar leven zonder mythen is onmogelijk, zodat ook de wetenschap haar mythen is gaan voortbrengen – met als voornaamste de mythe dat wetenschap ons zal verlossen.

Wanneer waarheid en betekenis met elkaar in strijd zijn, legt de waarheid het af. Het is een netelige vraag waarom dat zo is. Waarom is betekenis zo belangrijk? Waarom moet het leven voor mensen zin hebben? Komt dat doordat ze het een onverdraaglijk idee vinden dat het leven geen verborgen betekenis zou hebben? Of komt de zinsvraag voort uit onze neiging om te veel betekenis aan taal te hechten – waardoor we ons leven opvatten als een boek dat we nog moeten leren lezen?

Dit is een voorpublicatie uit John Gray’s De stilte van dieren: Over de vooruitgang en andere moderne mythen, dat volgende week bij Ambo verschijnt. De vertaling is van Ruud van de Plassche