Draagvlak voor de wetenschap

Het is waar maar het klopt niet

De burger vertrouwt niet meer op de wetenschap. In discussies over zaken als klimaat, vaccinatie en migratie verdringen emoties de feiten. Academici zoeken naar wegen om de relatie met de burger te herstellen.

Op zaterdag 22 april, op International Earth Day, staat in Washington DC een groots opgezette March of Science gepland: een protestmars van wetenschappers en iedereen die hen steunt. Wetenschappelijk onderzoek moet serieus worden genomen en niet als ‘zomaar weer een mening’ terzijde worden geschoven, zo luidt de redelijke boodschap. In Amsterdam zal er op dezelfde dag een science-manifestatie zijn op het Museumplein.

Medium groene wetenschap groot

Toch is er ook een andere kant van het verhaal. De groeiende scepsis van de samenleving ten opzichte van de wetenschap is immers niet nieuw en niet beperkt tot de Verenigde Staten. Ook hier in Europa hoeven we alleen maar te kijken naar de discussies van de afgelopen jaren rondom klimaat, vaccinaties of genetische manipulatie van voedsel om ons te realiseren dat het vertrouwen in de wetenschap tanende is. Naast het opeisen van maatschappelijk en politiek respect voor wetenschappelijk onderzoek moeten wetenschappers daarom wellicht tegelijkertijd de hand in eigen boezem steken. Want waaróm wantrouwen steeds meer mensen de wetenschap?

Albert Jan Kruiter, oprichter van het Instituut voor Publieke Waarden, denkt dat hij het antwoord wel weet: ‘De vragen die werkelijk spelen in de samenleving zijn niet meer leidend voor het onderzoek aan universiteiten. En het doorgeven van kennis wordt tegenwoordig nauwelijks meer gewaardeerd. Sterker nog: de heilige graal voor een hoogleraar is tegenwoordig om helemáál geen onderwijs meer te geven.’ Kruiter deed onderzoek naar de gecompliceerde problematiek van zogenoemde ‘multi-problem’-gezinnen. Hij promoveerde als buitenpromovendus met twee buitenpromotoren; zijn proefschrift over de relatie tussen bureaucratie en democratie op basis van het werk van Tocqueville paste eigenlijk in geen enkele vakgroep. ‘Wat ik miste op de universiteit was de aandacht voor praktisch relevante kennis. Als je promoveert en na vier jaar je conclusie trekt, dan is de wereld inmiddels al weer veranderd. Bovendien draait alles op de universiteit om internationaal vergelijkend onderzoek, daar word je op afgerekend. Dit speelde bij mijn onderzoek helemaal geen rol. Daarnaast was mijn onderzoek multidisciplinair, wat het ook moeilijk maakte.’ Kruiter kreeg weliswaar een prijs voor zijn proefschrift, maar in de toelichting werd vooral benadrukt dat anderen niet zijn voorbeeld dienden te volgen. ‘Don’t try this at home’, stond er letterlijk. Dus richtte Kruiter met zijn spaargeld zelf een onderzoeksinstituut op.

‘De wetenschap helpt mensen met de grootste problemen niet’, zegt Kruiter. ‘Die zitten in de zogeheten entry-exit paradox. Die paradox komt erop neer dat de mensen met de grootste schulden niet geholpen worden met hun schulden, omdat ze niet met geld kunnen omgaan. De mensen met de grootste psychiatrische problemen worden niet geholpen, omdat ze te ziek zijn. Ga zo maar door. Ik zie deze groep als de kanarie in de kolenmijn. Als je juist deze groep bestudeert, kun je precies zien waar het misgaat in de verzorgingsstaat. En dat geeft je ook weer inzichten voor bredere groepen en voor de samenleving als geheel. Dáár moet je dus juist beginnen.’

Kruiter tekent in een geordend schema de verschillende dilemma’s waar een meisje voor staat als zij een jeugdinstelling op haar achttiende moet verlaten. Ze heeft problemen met huisvesting, werk, school, schulden, met haar lichamelijke gezondheid, haar geestelijke gezondheid. Het wordt een steeds gecompliceerder schema met steeds meer variabelen. Vervolgens maakt hij er een ingewikkelde wiskundige formule van waarin alle variabelen zijn verwerkt. ‘Tja, mensen zoals jij en ik hebben misschien met drie variabelen te maken: werk, geld en huis.’ Hij tekent ‘onze’ formule. ‘Maar dit meisje heeft een probleem op ten minste zes terreinen waarvoor allemaal verschillende instanties bestaan.’ Kruiter is even stil om dit door te laten dringen. Dan tekent hij onder het schema en de ingewikkelde wiskundige formule met dikke cijfers een getal: 57. ‘Dat is haar IQ. Denk jij dat dit gaat lukken?’

‘Actie-onderzoek’, zo noemt Kruiter zijn werk. ‘De ene week luister ik naar mensen met problemen, de andere week zoek ik naar oplossingen. Ja, wij doen onderzoek “in opdracht”, waarvan op de universiteit vaak wordt gezegd dat het niet autonoom, niet onafhankelijk zou zijn. Niet wetenschappelijk. Maar wij zien dat anders. We zijn juist erg autonoom. Wat heb je eraan als je wetenschappelijk onderzoek doet dat niemand leest? Ons onderzoek wordt direct gebruikt en ook vormgegeven door de vragen uit de praktijk.’

Binnen het Instituut voor Publieke Waarden werd een Maatwerkfabriek opgericht, een maatschappelijke onderneming. De patronen die de onderzoekers waarnemen in het aanbieden van maatwerkoplossingen aan gemarginaliseerde groepen als daklozen, mensen met problematische schulden en multi-problem-gezinnen gebruiken ze weer om te investeren in publieke oplossingen. Daarnaast is er de School voor Publieke Waarden waar ze alle kennis die ze kunnen delen voor een zo groot mogelijk publiek ontsluiten. ‘Dat is bij de universiteiten vaak wel anders. Wetenschappelijke publicaties zijn dikwijls niet vrij toegankelijk. Je moet ervoor betalen. Terwijl het onderzoek met belastinggeld is gedaan.’

Kruiter wijst erop dat veel onderzoek van wetenschappers in de spreekwoordelijke la verdwijnt: ‘De maatschappelijke verantwoording van het werk van wetenschappers beperkt zich vaak tot de wetenschappelijke peers en soms de financiers van het onderzoek. Terwijl die autonome kennisfunctie juist nu zo belangrijk is. Het valideren van kennis in de samenleving moet niet het sluitstuk zijn van wetenschappelijk onderzoek, het moet juist de driver zijn.’

Een half jaar nadat Marieke van Houte haar proefschrift over terugkeermigratie aan de Universiteit Maastricht had afgerond schreef ze een opiniestuk in de Volkskrant over haar onderzoek, en de reacties logen er niet om. ‘Ik werd beschuldigd van naïviteit, van het zitten in een ivoren toren, van arrogantie en uit de hoogte doen. Ik wist natuurlijk wel dat het angstbeeld dat immigratie de Europese economie en cultuur zal verwoesten bestaat, maar dit was de eerste keer dat ik deze emoties zelf zo direct aan den lijve ondervond. In de wetenschap vinden we helemaal geen bewijs voor dergelijke angstbeelden, maar die gevoelens zijn er wel degelijk. De sociale wetenschap zou daar meer ruimte aan moeten geven, want dat soort emoties kunnen leiden tot polarisatie en geweld, wat wél een echt probleem is in de samenleving. En hoe meer mensen met tegenovergestelde ideeën elkaar proberen te overtuigen op basis van feiten, hoe erger die polarisatie wordt.’

Van Houte wijst erop dat we ons in de sociale wetenschap telkens dienen af te vragen waar de realiteit van menselijk gedrag uit bestaat. ‘Dat is enerzijds het verstand, gebaseerd op feiten, en aan de andere kant emotie, gebaseerd op gevoel en instinct.’ Ze denkt dat we op zoek moeten naar nieuwe manieren om die emotie te bestuderen. ‘Tot nu toe wordt vaak nog teruggevallen op verbale methoden, of dat nu vragenlijsten zijn of diepte-interviews. Met name bij sociaal, politiek en moreel gevoelige onderwerpen leidt die verbale aanpak vaak tot een vertekend beeld.’

‘De heilige graal voor een hoogleraar is tegenwoordig om helemáál geen onderwijs meer te geven’

Daarom besloot ze het over een andere boeg te gooien. Ze was altijd al geïnteresseerd geweest in participatief theater en had hier ook een opleiding voor gevolgd bij Formaat in Rotterdam. Toen ze vertrok naar het International Migration Institute aan de Universiteit van Oxford voor haar postdoc-onderzoek besloot ze wetenschappelijk onderzoek en participatief theater met elkaar te verbinden. Ze sloot een partnerschap met theatergroep Justice in Motion, in samenwerking met verhalenverteller en docent Remco Heijmans. In de loop van 2016 ontwikkelde het drietal een trilogie van participerende theatervoorstellingen onder de noemer Contained.

‘Als je wil communiceren over migratie moet je het verstand, de emotie en het instinct aanspreken’, zegt ze. ‘In ons project hebben we geprobeerd die drie elementen aan elkaar te koppelen door mensen uit te nodigen te ervaren, te onderzoeken en te leren. Het is dus niet bedoeld om mensen te vertellen wat ze moeten vinden van migratie. We willen mensen eerder triggeren om vragen te stellen, een ander perspectief in te nemen, de dialoog aan te gaan.’

Een van die voorstellingen was de Extraordinary Queueing Experience bij het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel. Bezoekers werden verwelkomd, maar direct daarna werd hun verteld dat het museum vol was en dat een selectieprocedure in werking was gesteld om te bekijken wie wel of niet mocht binnenkomen. Maar het aanmeldingsformulier bestond uit onlogische vragen en sommige instructies werden gegeven in een niet-bestaande taal. Bovendien leken sommige bezoekers een voorkeursbehandeling te krijgen terwijl anderen werden gediscrimineerd en van elkaar gescheiden. De situatie werd steeds absurder en uiteindelijk kregen de wachtenden in de rij te horen dat ze onderdeel waren geweest van een voorstelling die hun op een speelse manier wilde laten voelen hoe het is om ergens aan te komen waar je naar binnen wil, maar waar de regels en de toelatingsprocedure onbekend zijn. ‘We hebben daarna reacties verzameld, waarin mensen aangaven dat ze aangedaan waren door de ervaring. Mensen hadden door dat ze onderdeel waren van de voorstelling, maar ze wisten niet wat er wel en niet bij hoorde. Aan de ene kant werden ze voldoende vermaakt om open te blijven staan, aan de andere kant stonden ze wel bloot aan een echte ervaring.’

Bij de kick-off van Contained, tijdens het tienjarig bestaan van het International Migration Institute in Oxford, was na een conferentiedag over migratie tijdens de borrel een warm verlichte en kleurrijk ingerichte kas neergezet waarin mooi aangeklede mensen stonden te genieten van een speciale champagneparty, terwijl de anderen op de borrel slechts bier en wijn kregen. De mensen in de kas leken het erg naar hun zin te hebben, de deelnemers van de conferentie gingen in gedachten door verschillende stadia. Wil ik wel of niet bij die champagneparty horen? Durf ik naar binnen? De eerste minuten ging niemand naar binnen, maar toen Van Houte na een tijdje zelf de kas in stapte en hartelijk werd verwelkomd, volgden een paar congresdeelnemers. ‘Het waren vooral jonge vrouwen en collega’s van mij die toen naar binnen durfden te gaan. In jargon heet dit kettingmigratie. Als er eentje is gegaan, volgen er anderen.’

Toen de kas langzaam volliep met vooral jonge avontuurlijke deelnemers begonnen acteurs mensen aan de deur te weigeren. Iemand probeerde hen om te kopen met cashewnoten en een ander werd agressief. Daarop werd de sfeer in de kas plotseling benauwd en begonnen mensen te vertrekken. Van Houte: ‘Mensen voelden zich kwetsbaar, aangevallen van buitenaf, terwijl binnen de instabiele constructie van de kas hun onvoldoende veiligheid bood. Precies zoals sommige mensen angst voelen voor de ongecontroleerde binnenkomst van migranten in hun land.’

Van Houte weet dat er veel theatervoorstellingen worden gemaakt over migratie, maar wijst erop dat er het risico is dat het publiek niet altijd door de boodschap wordt bereikt. En naarmate de boodschap complexer is, wordt het theater minder toegankelijk. ‘Wij zijn dus op zoek gegaan naar manieren om zowel uitnodigend en toegankelijk als uitdagend te zijn.’ Heel toegankelijk was bijvoorbeeld de installatie van verschillende participatieve tools in een transparante zeecontainer die de groep midden op een plein in Oxford had neergezet en waar vooral kinderen en hun ouders op af kwamen. ‘Kinderen vonden het interessant om zich af te vragen wat ze in hun koffer mee zouden nemen als ze nu weg zouden moeten. Ouders vonden vooral de fact-checking-quiz leuk.’

Medium groene wetenschap klein

Het zoeken naar meer draagvlak in de samenleving wordt niet alleen bepleit door individuele onderzoekers als Marieke van Houte en Albert Jan Kruiter. Overal, vooral in de bètahoek, komen vormen van citizen science op. Scholieren kunnen gamen om bepaalde eiwitstructuren te ontcijferen in de strijd tegen kanker en via internet kan iedereen luchtfoto’s van het Amazonegebied bestuderen op kleur om op die manier de schaal van boskap in kaart te brengen. Burgers worden op die manier direct betrokken bij wetenschappelijk onderzoek. Dat is niet alleen leuk en een handig gebruik van big data, maar het vergroot ook het draagvlak van de wetenschap in de samenleving.

De universiteiten ondersteunen het idee van het zoeken naar meer aansluiting bij de samenleving in beginsel eveneens van harte. Zo gaven Beatrice de Graaf en Alexander Rinnooy Kan in maart vorig jaar in De wereld draait door de aftrap van de Nationale Wetenschapsagenda, met hun oproep aan alle Nederlanders om vragen aan ‘de wetenschap’ in te dienen. Uit de meer dan twaalfduizend inzendingen selecteerden De Graaf en Rinnooy Kan de honderd meest relevante, prikkelende en originele vragen. Zij zochten, in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (knaw), de wetenschappers die deze vragen het best zouden kunnen beantwoorden en stelden het boek Hoe zwaar is licht en 99 andere dringende vragen aan de wetenschap samen.

Een interessante en positieve stap vanuit de wetenschap zelf, maar er kwam ook kritiek. Zo schrijft Gabriël van den Brink in zijn essay Tijd voor een gewetensonderzoek in het dossier ‘De beroepstrots van academici’ (dat weer onderdeel is van het Tijdschrift voor beleid en maatschappij): ‘Bij nadere analyse blijkt dat de gangbare wetenschapsbeoefening een grote invloed op die vragen heeft. Veel problemen worden vanuit een natuurwetenschappelijke, technologische en biomedische optiek bezien terwijl culturele, geesteswetenschappelijke of normatieve perspectieven nauwelijks aan bod komen.’ Tamara Metze, universitair hoofddocent bestuur en beleid aan de Universiteit Wageningen en redacteur van hetzelfde dossier, wijst er bovendien in een telefoongesprek op dat er ‘inderdaad een publieksronde is geweest’, maar dat daarna toch vooral ook wetenschappers zelf hun ‘eigen onderzoek gingen promoten’.

‘Als je een meer traditioneel pad kiest, wordt dat eerder herkend als wetenschap en heb je het makkelijker’

De Universiteit Gent pakt het weer anders aan. In het kader van hun tweehonderdjarig bestaan kwam de universiteit met het idee van de interactieve ‘Babbelbox’. Ann Buysse, hoogleraar psychologie aan de Universiteit Gent, vertelt aan de telefoon: ‘Er is altijd een spanningsveld. Aan de ene kant moeten experts ongestoord hun onderzoek kunnen doen, aan de andere kant moet er wel sprake zijn van een vorm van verantwoording aan de maatschappij. Het gaat uiteindelijk toch om belastinggeld. Als we responsief willen zijn ten aanzien van de maatschappij zouden we moeten weten van het publiek: waar liggen jullie nou wakker van?’

Daarom trekt het komend jaar een caravan door de stad met onderzoekers die één op de tien voorbijgangers zullen uitnodigen om binnen te komen, om voor een webcam te vertellen waar ze wakker van liggen en wat de universiteit daaraan zou kunnen of moeten doen. ‘De bedoeling is dat we een zo groot mogelijke diversiteit van mensen die caravan in krijgen’, zegt Buysse. ‘Daarom is het onderzoek beschikbaar in het Nederlands, Frans, Engels, Turks en Arabisch.’ De voorbijgangers kunnen hun mening geven over een willekeurig aan hen toegewezen onderwerp. Ze kunnen een onderwerp één keer weigeren, maar daarna niet meer. ‘Op die manier proberen we te voorkomen dat iedereen zijn eigen favoriete thema kiest. Mensen overstijgen in de regel vaak moeilijk hun eigen besognes en kiezen dan het onderwerp dat hun na aan het hart ligt.’

De filmpjes van de webcam worden vervolgens onderworpen aan een kwalitatieve analyse door wetenschappers. Aan het eind van het jaar worden de resultaten gepresenteerd op een congres, waarna de filmpjes weer input moeten geven aan verdere ‘co-creatieprocessen’ door kunstenaars, privé-personen, overheid en universiteit. ‘Ik ben een voorstander van een dergelijke mixed-methode-benadering’, aldus Buysse. Maar het is zeker niet de bedoeling dat de maatschappij de inhoud van het onderzoek gaat bepalen. ‘De tijd van de ivoren toren ligt wel achter ons. De vragen zijn nu heel fundamenteel. Moeten strijdige onderzoeksresultaten bijvoorbeeld eerst binnen de universiteit worden besproken of moeten we dergelijke onzekerheden naar buiten brengen? We willen geen eindeloze inmenging van de maatschappij met de universiteit, maar ik wil wél het debat aangaan met de samenleving.’

De hamvraag is wat de autonomie van de wetenschap is en welke betekenis wordt gegeven aan dit begrip. Het zogenaamde lineaire model gaat ervan uit dat onafhankelijk en neutraal gefinancierd onderzoek de kern is van autonome, betrouwbare wetenschap. Dit model, dat stamt uit de tijd van de Verlichting, wordt bijvoorbeeld aangehangen door José van Dijck en Wim van Saarloos, respectievelijk president en vice-president van de knaw. In NRC Handelsblad schreven zij: ‘In 2017 hebben we, meer dan ooit, wetenschappers nodig als hoeders van feitelijkheid en docenten als ambassadeurs van rationaliteit. De knaw wil hun stem graag laten weerklinken. Een cultuur zonder gezamenlijke feiten kan zomaar veranderen in een samenleving waarin iedereen zijn eigen mening onderbouwt met zijn eigen feiten – een emocratie in plaats van een democratie.’

Hoogleraar aan de Universiteit Wageningen Esther Turnhout schrijft in haar essay Integere relaties in het dossier ‘De beroepstrots van academici’ dat dit ideaal ‘is gebaseerd op een strikte scheiding tussen enerzijds de productie van kennis in het domein van de wetenschap en anderzijds het gebruik van die kennis door beleid, politiek en andere maatschappelijke en private actoren’. Ze wijst erop dat dit ideaal van de wetenschap als autonoom en zelfregulerend ’veelvuldig is bekritiseerd’. Bijvoorbeeld door de Amerikaanse hoogleraar Daniel Sarewitz die betoogt dat ‘juist die autonomie van de wetenschap ervoor heeft gezorgd dat de wetenschap de relatie met de maatschappij uit het oog is verloren’. Sarewitz schrijft: ‘Afgeschermd van elke verantwoordingsplicht behalve die aan zichzelf, begint het “vrije spel van vrije intellectuelen” meer te lijken op een vrijbrief voor onverschilligheid en onverantwoordelijkheid. De tragische ironie is hier dat de geblokkeerde verbeelding van mainstream wetenschap een gevolg is van precies die autonomie waarvan wetenschappers zeggen dat het de kern is van hun succes.’ Elders schrijft hij zelfs: ‘De wetenschap is niet zelfreinigend, ze is zelfdestructief.’

Turnhout stelt dat ‘deze overmoed niet alleen binnen de wetenschap wordt gecultiveerd en in stand wordt gehouden. De maatschappij verlangt van wetenschappers dat ze problemen oplossen. (…) De financiering van onderzoek is in belangrijke mate gebaseerd op het principe van maatschappelijke impact. Zo houden wetenschap en samenleving elkaar gevangen in een onhoudbaar verhaal waarin feiten en waarden van elkaar te scheiden zijn en waarin wetenschappelijke kennis eenduidig kan worden vertaald in oplossingen. (…) Dit onhoudbare verhaal voedt steeds weer zowel de hoogmoed van de wetenschap als de verwachtingen van de maatschappij. Het leidt ook steeds tot teleurstelling bij de maatschappij over de niet ingeloste beloftes die zijn gedaan, en bij de wetenschap over de manier waarop maatschappelijke actoren in plaats van de feiten, interpretaties en opties van wetenschappers over te nemen hun eigen interpretaties verbinden aan kennis.’

Ondertussen wordt in de wetenschappelijke praktijk gewerkt aan nieuwe vormen van onderzoek die proberen los te breken uit dit ‘onhoudbare verhaal’. In hoeverre ziet het werk van wetenschappelijk onderzoeker Tamara Metze van de Universiteit Wageningen er anders uit dan dat van een traditioneel onderzoeker? ‘Ik laat me in mijn onderzoek uitvoerig informeren door zogenaamde communities of practice’, vertelt ze. ‘Dat betekent dat organisaties en mensen die betrokken zijn bij een bepaald probleem reflecteren op hun werk en op hun praktijken. Neem het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Dat loopt er in de vaccinatiediscussie tegenaan dat het niet meer als de onbetwiste expert wordt gezien. De mededeling “Onderzoek toont aan dat je kinderen moet laten vaccineren” blijkt niet meer genoeg te zijn. Door breed te kijken in het hele veld onderzoeken we wat de rol is van emoties in zo’n discussie. We zoeken naar oplossingen, proberen ze ook uit, waarvan we dan direct weer verder leren. Het is transdisciplinair, meteen relevant en leerzaam.’

Metze baseert zich op de verschillende rollen die de politicoloog Roger Pielke onderscheidt voor de wetenschapper. Ten eerste is er de traditionele wetenschapper die afstandelijk is en min of meer als scheidsrechter functioneert. Hij of zij doet fundamenteel onderzoek in een nauwkeurig afgebakende discipline. Maar daarnaast zijn er ook rollen die aan de uiteindelijke ontvangers van het onderzoek meer keuzes geven. Zo eindigt veel beleidsonderzoek met verschillende scenario’s. Beleidsmakers kunnen dan kiezen of ze inzetten op een laag, midden of hoog scenario. Dan heb je als derde rol van de wetenschapper de issue-advocate die echt een normatief standpunt inneemt. Denk aan Albert Jan Kruiter die over zichzelf inderdaad zegt dat hij ‘rete-normatief’ is (‘ik gá voor die kwetsbare groep’). Dat kan volgens Metze nog steeds best onafhankelijk onderzoek zijn, als je maar duidelijk maakt vanuit welk normatief uitgangspunt je bent begonnen. Ten slotte heb je als vierde rol de kennismakelaar die met allerlei verschillende belanghebbenden praat en die kennis vervolgens probeert te integreren. Die laatste rol neemt Metze veelal in.

Steeds meer wetenschappelijk onderzoekers experimenteren met die niet-traditionele rollen, waarbij ze proberen ruimte te geven aan de zorgen die klinken vanuit de samenleving. De vraag is of de universiteiten voldoende ruimte bieden aan dergelijke vormen van innovatief onderzoek. Hoewel Kruiter de ‘academie niet wil afschrijven’ denkt hij toch dat voor verschillende vormen van actie-onderzoek veel te weinig ruimte is aan de universiteit.

Marieke van Houte, die hard bezig is zich een plek te verwerven aan de universiteit met haar innovatieve manier van onderzoek doen, relativeert deze kritiek. ‘Ik denk dat het altijd al zo is geweest dat de wetenschap gestoeld is op twee pijlers. Aan de ene kant moet een wetenschapper niet meegaan in de waan van de dag en zich houden aan de grondigheid en de regels van de wetenschappelijke traditie. En ja, daar hoort tegenwoordig bij dat je moet publiceren in internationale publicaties. Nederland is nu eenmaal een klein taalgebied. Tegelijkertijd is de andere pijler dat de wetenschap moet staan voor innoveren, pionieren en nieuwe ontdekkingen. Die twee pijlers vullen elkaar aan, maar soms wringt het. Als je een meer traditioneel pad kiest, wordt dat eerder herkend als wetenschap en heb je het makkelijker. Als je meer een innovator bent, moet je bepaalde frustraties voor lief nemen, denk ik, en harder je best doen om te bewijzen dat het wel degelijk gedegen wetenschap is.’

Hoewel innovatie wellicht altijd met een bepaalde mate van weerstand gepaard gaat, zoals Van Houte stelt, is het juist op dit moment van groot belang dat universiteiten ook daadwerkelijk meer ruimte bieden aan andere vormen van wetenschap. Denk hierbij ook aan de kritiek van Gabriël van den Brink dat te veel nadruk wordt gelegd op de exacte wetenschappen. Juist in deze tijd zien we dat de ‘emocratie’ regelmatig de democratie verdringt, zoals Van Dijck en Van Saarloos schrijven. Dat is een groot probleem. Hun antwoord is dat hiervoor wetenschappers nodig zijn als ‘hoeders van feitelijkheid en docenten als ambassadeurs van rationaliteit’. Maar, zoals Van Houte eerder opmerkte, de constatering dat emoties de overhand nemen in de samenleving kan ook juist leiden tot de conclusie dat die beter moeten worden onderzocht.

Kijk naar de klimaatwetenschap. Langzamerhand wordt duidelijk dat de continue stroom van steeds meer alarmerende feiten, hoe rationeel, feitelijk en waar die ook mogen zijn, niet of nauwelijks leidt tot verandering van gedrag. Juist nú moeten sociale wetenschappers dus alle zeilen bijzetten en hun verbeelding gebruiken om die emoties op innovatieve wijze te onderzoeken. Want waarom sluiten we onze ogen voor die feiten? Hoe moeten we omgaan met deze massale ‘ontkenning’? Waarom zijn zoveel mensen bang voor immigranten?

Alleen als wetenschappers op dát soort vragen een antwoord krijgen, kunnen ze daadwerkelijk bijdragen aan een betere wereld en daarmee meer draagvlak vinden in de samenleving. Daarom moeten universiteiten juist nu ruim baan geven aan de sociale wetenschappen en aan creatieve, innovatieve onderzoeksmethoden. Zodat over vijf jaar een protestmars voor wetenschappers hopelijk niet meer nodig zal zijn om de samenleving van het belang van wetenschap te overtuigen.