THEATER: Adèle Bloemendaal.

Het is wat

Ze is van 1933, Adèle Maria Hameetman, bij het publiek gekend en geliefd als Adèle Bloemendaal. Een diva met een prachtstem, kruising tussen doorrookt scheermes, fluwelen spelonken-alt en homerische hoonlach. Een jaar of zeven geleden sloot ze haar 53 jaar lange publieke leven als performer af.

Onlangs werd ze tachtig. Tijd voor een hommage. Die geen hommage is maar een uit formidabel materiaal van liederen uit het leven opgetekende schetsen geboetseerd, lekker rafelig en bewust onaf gehouden portret. Regisseur Maarten Mourik en Adèle’s briljante pianist componist Martin van Dijk stelden Adèle samen met de performers Sanne Wallis de Vries en Paul Groot. Het is een avond om hopeloos aan verslaafd en verslingerd te raken.

Ik zag Adèle Bloemendaal voor het eerst in 1968 in de theaterproductie Het leven van Bertolt Brecht. Ze zong daar een uit merg been gehakte versie van De ballade van de jodenhoer Marie Sanders uit het rauwe Eisler/Dessau-repertoire. De Brecht van Kurt Weill paste haar overigens ook heel goed. Met die andere vedette van het vertellerslied, Jenny Arean (1942), hoort Bloemendaal tot de beste vertolkers van Brecht die we hier hebben rondlopen. Dat we daar in Adèle weinig van horen zal wel aan die Haifische van Brechts erfgenamen liggen. Er is voldoende stof die in de buurt komt. Bloemendaal was altijd een kei in het sprokkelen van groots schrijftalent. Naast de Homerus van de kleinkunstpoëzie, Jan Boerstoel, vinden we in Adèle materiaal van haar cabaretpooier Jacques Klöters en haar troetelcavia Hans Dorrestijn.

Paul Groot en Sanne Wallis de Vries paren het vermogen tot bewonderen aan de kracht van het benaderen – ze imiteren het subject van hun vakmatige liefde nadrukkelijk níet, maar besluipen haar omzichtig en nemen haar vervolgens in een wurgend mooie houdgreep. Voorbeelden te over. Zo voeren ze in hondsmooie kleed­kamerspookdialogen een vriend van Adèle ten tonele, Hugo van Montfrans, een jaren-tachtignicht met een travestie-act, die een kwart eeuw geleden stierf (‘niet aan aids, gewoon aan kanker’). Adèle en hij leenden nog wel eens repertoire van elkaar, vertellen ze. En dan zingt Paul Groot Adèle’s lijflied De bokken en de schapen (tekst: Boerstoel, Martin van Dijk speelt zelf de akkoorden als kathedralen die hij erbij verzon). Je hoort Montfrans én Adèle door Paul Groot heen schemeren. Ander voorbeeld. Tegen het eind leidt Sanne Wallis de Vries een van de vele Adèle-liederen over lichamelijk verval in met een keigoeie impersonation van Bloemendaals nuchterheid. En het is alsof twee persoonlijk­heden sur place stuivertje wisselen en als het ware in en door elkaar schuiven: de raak neergezette Adèle én de haar onderwerp intens liefhebbende performer.

Zo krijgt het publiek het ene cadeau na het andere toegeworpen. Amsterdamse kroeg ook: die onverwoestbare evergreen van ervarings­deskundige Simon Carmiggelt, ooit een mooie televisie-act van de dames Bloemendaal Arean, klinkt hier als een driestemmige gouwe ouwe die op het lijf van deze uitvoerders geschreven lijkt. Paul Groot leidt een ander lijflied van Adèle (De zwarte doos) in met een scène over Marlene Dietrich – die combi levert een theatraal juweel op. En dan zijn we al bijna bij ‘Een lul met lippenstift eraan/ Wim Kok die even lacht’. De toegift. Ja ja, het is wat. Zeg dat wel. Wat heet: topavond!


Adèle staat t/m 16 februari in de Kleine Komedie in Amsterdam. Daarna toert de voorstelling tot eind mei door het hele land.
adelebloemendaal.nl