hoe ondenkbaar is een kernoorlog nog?

Het is zeven voor twaalf

Een kernoorlog is ondenkbaar en daarom denken we ook niet na over de gevolgen ervan. Maar de kans dat kernwapens zullen worden gebruikt, is de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. Als het «ondenkbare» gebeurt, zal de volgende dag de zon weer op gaan en moet de wereld verder. Onvoorbereid.

AMSTERDAM – Tijdens de Koude Oorlog leek het al vast te staan, tijdens de vroege jaren tachtig was er helemaal geen twijfel mogelijk: eens zou er een kernoorlog komen. De spanning tussen de supermachten bleef maar stijgen en de vredesbeweging, die even wild groeide als de atoomarsenalen, bleef steeds somberder worst case scenario’s voorspiegelen. Een hele generatie worstelde met het idee dat een carrière opbouwen wel eens belachelijk weinig zin zou kunnen hebben. De onbezorgdheid was voor altijd voorbij. Met gevoel voor dramatiek schreef een Amerikaanse nucleaire strateeg: «The destructiveness of nuclear arsenals has sunk into human consciousness like man’s knowledge of his mortality.»_Maar niets bleek minder waar. Met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verdween de vrees voor een allesvernietigende kernoorlog als sneeuw voor de zon. De angst verdween uit het publieke debat, van de politieke agenda’s, uit de academische belangstelling. Nieuwe gevaren en problemen dienden zich aan. Linkse demonstranten liepen liever uit tegen mondialisering. Het vakgebied _Strategic Studies schrompelde ineen.Dat de grote kernoorlog op de prioriteitenlijstjes zakte, was logisch. Maar twee restanten van de (post-)Koude Oorlog-mentaliteit zijn ten onrechte blijven hangen. Ten eerste is de mantra overeind gebleven dat een kernoorlog «ondenkbaar» is, een gebeurtenis zo verschrikkelijk dat het geen zin heeft om over de toekomst voorbij het Armageddon te denken, als die er al is. Ten tweede is een kernoorlog in de publieke beleving iets gebleven dat met vroeger samenhangt en waarop de kans nu – met de Sovjet-Unie op de vuilnisbelt van de geschiedenis – verwaarloosbaar is.De werkelijkheid is dat een nucleair conflict sinds het einde van de Koude Oorlog zowel waarschijnlijker als minder «ondenkbaar» is geworden. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ging de Doomsday Clock, een symbolische uurwijzer waarmee een vereniging van onafhankelijke Amerikaanse atoomwetenschappers sinds 1947 het risico weergeeft dat er een kernoorlog uitbreekt, terug naar zeventien minuten voor middernacht – de metafoor voor kernoorlog. Het nucleaire gevaar was sinds de uitvinding van de atoombom nooit zo klein geacht. Inmiddels staan de wijzers alweer tien minuten verder, op zeven voor middernacht. Anders gezegd: experts schatten de kans op een kernoorlog nu tweeënhalf maal zo groot als vijftien jaar geleden.De reden voor dat grotere risico ligt niet bij het Rusland van Poetin, maar bij de toename van andere dreigingen: terrorisme en regionale kernoorlogen. Er zijn vele scenario’s voor een dergelijk «gelimiteerd» gebruik van kernwapens. Al die scenario’s hebben één ding gemeen: de volgende dag zal blijken dat slechts een fractie van de mensheid is getroffen en dat het overgrote deel helemaal niets van het drama zal hebben gemerkt, behalve van de opwinding op televisie. Voor vrijwel iedereen wacht de dag nadat kernwapens zijn gebruikt een nieuwe dag: op het werk, op school of waar dan ook. In een nieuw tijdperk in de geschiedenis, dat wel, waarin de internationale verhoudingen een zware klap hebben gekregen. Maar wat er precies zal gebeuren, wat we moeten doen en hoe we de schade voor de overlevenden, politiek, economie en milieu beperkt kunnen houden, dat weet niemand. En er wordt ook nauwelijks over nagedacht.

Het doen van voorspellingen was ook een stuk gemakkelijker tijdens de Koude Oorlog. «De wereld was zo eenvoudig toen ik over de effecten van kernoorlog schreef», stelt Paul Crutzen, de Nederlandse Nobelprijswinnaar in de chemie. Hij gaf in 1982 het startschot voor een reeks studies die het gevaar van een treffen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie voor het leven op aarde aantoonden. In The Atmosphere after a Nuclear War: Twilight at Noon betoogde Crutzen dat door een grote kernoorlog zo veel rook en stof in de atmosfeer terecht zou komen dat het noordelijk halfrond lange tijd onder een (ook nog eens met gifstoffen volgepakte) wolk zou verdwijnen. De middag zou eruitzien als schemer.

De impact van het artikel was enorm. Tot dan toe werd bij een kernoorlog «slechts» rekening gehouden met de directe gevolgen van atoomexplosies: drukgolven, branden, hitte en, na aanvankelijke onderschatting ervan, radioactiviteit. Maar het ontstaan van een wolk die lang het zonlicht zou filteren gaf de voorspelling van sovjetleider Nikita Chroesjtsjov dat na een kernoorlog «de overlevenden de doden zouden benijden» pas echt inhoud. Een giftige stofwolk boven continenten en oceanen die het zonlicht weerkaatste, impliceerde een scherpe val in temperatuur en acute voedseltekorten en gezondheidsproblemen op immense schaal.Crutzens artikel sloot ook aan op een ander wetenschappelijk inzicht dat grote opschudding had veroorzaakt. In 1980 lanceerden Amerikaanse wetenschappers, op basis van de vondst van buitenaards stof in de bodemlaag waarin de laatste dinosauriërs liggen, de hypothese dat zij uitgestorven waren na de inslag van een meteoriet. Die inslag zou een enorme stofwolk hebben veroorzaakt die het zonlicht lange tijd had uitgeblokt – net als bij een kernoorlog te verwachten was. Opeens leken de risico’s van nucleaire wapens nog vele malen groter dan de wildste scenario’s voorspiegelden: het einde van de mensheid leek nog maar een druk op een paar knoppen verwijderd.Dat was ook de strekking van een vloed aan wetenschappelijke publicaties die inhaakten op Crutzens idee en waarin de theorie van de «nucleaire winter» werd ontwikkeld. Gecombineerd met zorgen om het beleid van Reagan – die een oproep tot een «kruistocht» tegen de Sovjet-Unie paarde aan het omhoog jagen van de Amerikaanse defensiebegroting – gaven de nieuwe inzichten over de gevolgen van kernoorlog een enorme impuls aan de internationale vredesbeweging. Tot aan kinderprogramma’s op televisie werd de boodschap verspreid dat het allemaal op elk moment over kon zijn. Het fatalisme is nog steeds te horen in muziek als Doe Maars Voordat de bom valt en te zien in films als The Day After.Veel wetenschappers die de gevaren van kernwapens onderzochten, waren actief in de vredesbeweging. Dat leidde nogal eens tot overdreven sombere voorspellingen of studies waarin mogelijke scenario’s voor een kernoorlog vooral uitgekozen leken op hun maximale milieuschade. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de bekendste studie naar klimaateffecten, waarin werd betoogd dat niet alleen een grote maar ook een beperkte kernoorlog, in verschillende vormen, al tot een «nucleaire winter» kon leiden. Ook werden niet alle bevindingen even dik aangezet. Zo volgde uit de meeste studies dat het gevaar voor de wereld groter was als de supermachten elkaars kernwapens en lanceerinstallaties op de korrel namen. Het scenario waarin ze vooral elkaars steden opbliezen, bleek voor de wereld als geheel veiliger. Maar in de vredesbeweging brak niemand graag een lans voor het ontzien van bommen ten koste van mensen.Het wetenschappelijke debat over de accuratesse van de vele doemstudies stond onder druk van oneliners die de media snel oppikten. Sommige gerenommeerde wetenschappers leken hun handen niet te willen branden aan kritiek. «I think I am going to chicken out of this one: who wants to be accused of being in favor of nuclear war?» zou de bekende Britse fysicus Freeman Dyson hebben gezegd in een citaat dat hij weigerde te bevestigen.
Zo bleef het beeld overeind dat kernwapens gelijkstaan aan een vernietiging die niet met het menselijk voorstellingsvermogen te bevatten is. «The Unthinkable», een frase die al sinds de jaren zestig werd gebruikt als synoniem voor de gevolgen van een kernoorlog, maakte nog verdere promotie_. «We’re no longer thinking about prolonged nuclear war»,_ lichtte generaal Eugene Habiger, commandant van de Amerikaanse atoommacht, in 1997 een wijziging in de Amerikaanse nucleaire doctrine toe: «The basic concept is that nuclear war is so horrific, the implications to life as we know it so profound, that it is unthinkable.» Het risico op kernoorlog leek daarmee definitief gepasseerd.

Maar in de jaren negentig veranderde de wereld. Hoewel dat in het Westen – op de vleugels van een economische hausse – alleen in positieve richting leek te gebeuren, bleek dat achteraf niet zo te zijn. Het wegvallen van supermachtbemoeienis in elke uithoek van de wereld leidde niet tot minder maar juist tot meer lokale conflicten en doden. Er ontstonden meer plaatsen waar elke vorm van staatsgezag wegviel en duistere groepen zich konden opkweken. De Golfoorlog, die regionale machten en «schurkenstaten» had moeten aanzetten tot het opgeven van al te gevaarlijke ambities, toeterde juist de boodschap de wereld in dat een land weerloos was tegen de VS als het geen kernwapens had.Die en andere ontwikkelingen droegen bij aan een schrikbarende proliferatie van kernwapens en de technologie daarvoor. Sinds de val van de Sovjet-Unie kwamen er twee verklaarde kernmachten bij – India en Pakistan, verkreeg Noord-Korea waarschijnlijk ook kernwapens, maakte buurland Zuid-Korea zich het productieproces voor kernwapens eigen voor noodgevallen, mislukten initiatieven tot verdere ontwapening van de traditionele atoommachten, sloeg Iran de weg in naar het maken van een atoombom, verpatste Pakistan kennis aan een paar duistere regimes – en bood die aan nog een stel andere aan – en toonden terreurgroepen dat zij massavernietiging van mensenlevens in het Westen nastreven.Tegen die achtergrond is het geen wonder dat de kans dat kernwapens worden gebruikt groter werd. Maar de scenario’s die nu waarschijnlijk lijken, verschillen enorm van de supermachtoorlog die iedereen vroeger zo vreesde. Een toekomstig nucleair conflict kan een verrassingsaanval zijn van bijvoorbeeld de VS, met «mini-nukes», die ontworpen lijken om diep ingegraven commandocentra als die van Noord-Korea of Iran uit te schakelen. Een andere mogelijkheid is «nucleaire wraak» voor een terreuraanval. Na de VS heeft ook Frankrijk dit jaar een doctrine ingevoerd die toestaat dat een aanval wordt vergolden of juist voorkomen. Ook lang sluimerende potentiële conflicten als die tussen China en Taiwan kunnen op het gebruik van kernwapens uitlopen.Op de verschillende shortlists met de voor dit moment meest waarschijnlijke nucleaire conflicten prijken ook andere conflicten. Analist Mark Fitzpatrick van het Britse International Institute of Strategic Studies (iiss) noemt er desgevraagd vier: een terroristische aanslag in het Midden-Oosten, een aanslag in de VS, een uit de hand lopend conflict tussen India en Pakistan en de langverwachte catastrofe in Korea. Voor een aanslag in de VS of het Midden-Oosten zijn al-Qaeda of andere terreurorganisaties de voornaamste verdachten. Die hebben de wil en de organisatie om zo’n aanslag te plegen, maar geen wapen. Kernwapens maken is een bijzonder omvangrijke klus. Die moeten dus worden gekocht, gestolen of verkregen, bijvoorbeeld in Rusland, Pakistan of Iran en dan naar de bestemming gesmokkeld.Wie alvast de effecten daarvan op een willekeurige Amerikaanse stad wil uittesten, kan terecht bij de Bomb-A-City-Calculator op de website van de Federation of American Scientists (www.fas.org), inclusief keuzeopties voor de zwaarte van het explosief en de transportmethode. Wie ervan uitgaat dat zwaardere bommen moeilijk te smokkelen zijn en terroristen een bom waarschijnlijk per auto zullen vervoeren (en dus op grondniveau zullen laten ontploffen), ziet met de «calculator» al snel dat de effecten van zo’n aanslag vreselijk zullen zijn voor de getroffen stad, maar op geen enkele manier bedreigend voor het land, laat staan voor de aarde. Zelfs in de wijken buiten het getroffen stadsdeel zal een kernexplosie waarschijnlijk geen of weinig slachtoffers veroorzaken en nauwelijks sporen achterlaten, behalve onder het pad van de radioactieve wolk. Dat geldt eigenlijk voor elke aanslag met één of zelfs met een paar kernwapens: de gevolgen zullen lokaal zijn.Veel destructiever zijn de mogelijke kernoorlogen in Azië, maar ook daarvoor geldt: vermoedelijk enkel lokale en misschien ook regionale gevolgen. Een oorlog in Korea, waar al een halve eeuw een hervatting van de oorlog uit de jaren vijftig dreigt, kan bijvoorbeeld uitlopen op de vernietiging van Seoul, een van de grootste agglomeraties ter wereld. De effecten zouden veel groter zijn als het Noord-Koreaanse regime zijn oorlogstaal waarmaakt en Japan aanvalt. Een Amerikaanse militaire studie uit 1994 schatte dat in de eerste drie maanden van een oorlog een miljoen doden konden vallen. Maar omdat daarbij geen rekening werd gehouden met kernwapens en Japan niet in het scenario voorkwam, kunnen de cijfers nu gemakkelijk hoger uitvallen.Het scenario dat, gemeten naar mogelijke slachtoffers en acute oorlogsdreiging, het gevaarlijkst is, is dat van een oorlog tussen India en Pakistan. De landen zijn de afgelopen decennia al driemaal met elkaar in oorlog geweest, houden er een uitgebreide en populaire cultus van vijandschap op na en kwamen in 2002 zo dicht bij een oorlog dat de Britse militaire inlichtingendienst al de meest waarschijnlijke datum van een Indiase inval had geprikt. «In India en Pakistan is bij de bevolking maar weinig besef hoe destructief kernwapens zijn, en er zal bij het uitbreken van een oorlog dan ook snel een roep om het inzetten ervan komen», meent M.V. Ramana, een Indiase onderzoeker in het Program for Global Security van de Universiteit van Princeton.Maar die bevolking zal, gelet op wat bekend is over de Indiase en Pakistaanse doctrines, bij een oorlog wel het waarschijnlijke doelwit zijn. Die doctrines komen namelijk neer op het bestoken van elkaars steden, waaronder enorme agglomeraties als Karachi, Delhi en Bombay. Een kernoorlog in Zuid-Azië zal volgens een studie van het Amerikaanse Defense Intelligence Agency meteen al twaalf miljoen slachtoffers kunnen vergen en al het water en voedsel in heel Pakistan en grote delen van India kunnen vergiftigen.Een enorme ramp, maar wel een die buiten de grenzen van India en Pakistan waarschijnlijk nauwelijks te merken zal zijn. «Oorlogsscenario’s tussen de VS en de Sovjet-Unie gingen uit van aanvallen op raketsilo’s, waarbij kernwapens op grondniveau exploderen. Dat creëert grote hoeveelheden stof en radioactieve fall-out», zegt Ramana. «In India en Pakistan zijn aanvallen op steden te verwachten met explosies in de lucht. Dat creëert veel minder stof en fall-out. Er is dan wel veel rook van brandende steden, maar de milieueffecten daarvan zullen voor de regio beperkt zijn. En dan hangt eigenlijk alles nog af van de omstandigheden bij een aanval: welk seizoen is het, welk weer, hoe staat de wind, op welke hoogte ontploffen de bommen, enzovoort.»
Het zijn juist al die verschillende omstandigheden binnen de verschillende scenario’s die de toekomst zo moeilijk voorspelbaar maken. Daarom wordt er nauwelijks meer vooruitgekeken naar de tijd na een eventuele kernoorlog. Paul Crutzen bijvoorbeeld over milieueffecten van «kleine» conflicten met kernwapens: «Ik kan echt niets bijdragen aan een analyse van de nieuwe situatie. Ik zou niet willen speculeren.» Collega’s denken er ook zo over. Over milieueffecten van mogelijke nucleaire conflicten wordt nauwelijks meer in bladen over internationale betrekkingen geschreven. Over politieke effecten evenmin. De internationale betrekkingen zullen ongetwijfeld hard worden geraakt. Maar wat zal er precies gebeuren? Zal de internationale samenwerking afnemen of juist sterker worden? Zullen meer landen uit angst kernwapens gaan maken of zal publieke woede juist leiden tot versterking van de strijd tegen proliferatie? Zullen culturele wrijvingen naar de achtergrond worden verdreven of juist sterker worden?

In Amerikaanse publicaties over internationale betrekkingen – die wereldwijde aandacht binnen het vakgebied genieten én een indicatie zijn voor de internationale prioriteiten van het Amerikaanse overheidsapparaat – wordt nog maar weinig geschreven over strategische studies. Als dat al gebeurt, zijn het vrijwel alleen artikelen die een bepaald beleid tegen opkomende kernmachten of nucleaire proliferatie aanbevelen, nooit aanbevelingen om een te grote politieke terugslag te voorkomen na een nucleair conflict.Dat soort aanbevelingen blijft ook uit voor andere actie die na zo’n conflict geboden is. Bijvoorbeeld hoe de economische terugslag kan worden voorkomen na een aanslag in de VS of op een Japanse stad. Of hoe de effecten van allerlei onvoorzienbare omstandigheden en menselijke emoties voor beurskoersen, internationale handel en consumentenvertrouwen kunnen worden ondervangen.Hetzelfde geldt voor humanitaire hulp. Toen een oorlog in Zuid-Azië in 2002 aanstaande leek, realiseerden experts bij de Britse overheid zich opeens dat er weliswaar heel wat onderzoek over de Indiase en Pakistaanse kernmachten lag te verstoffen, maar dat er geen enkel plan klaarlag voor de dag nadat de wapens zouden zijn afgeschoten. «We don’t even know where to start in thinking about how to deal with a humanitarian crisis on this scale», zei een expert destijds tegen The Times: «There are simply no models for it. We don’t even know how we would get aid in the immediate aftermath. No one has any experience of a humanitarian operation on this scale on a nuclear battlefield, and India and Pakistan have no mechanisms for coping with this.»_India en Pakistan – net als andere plekken waar het fout kan gaan – _willen ook niet dat dit soort mechanismen wordt opgezet of dat er al te veel over dit soort problemen wordt nagedacht. «Als te zeer duidelijk wordt dat de Indiase en Pakistaanse regeringen weten welke enorme risico’s hun bevolking loopt door hun strategie, staat dat bijzonder onverantwoordelijk. Ze vestigen er liever niet de aandacht op», zegt Ramana: «Ik ken eigenlijk iedereen in India die op niveau nadenkt over nucleair-strategische zaken. En niemand die ik ken is door de regering om advies gevraagd over planning voor wat te doen na een nucleair conflict.» Alle landen zullen dus moeten improviseren als de wijzers van de Doomsday Clock plotseling naar middernacht tikken. Wanneer dat zal gebeuren? Snel, verwachten pessimisten als de Britse astronoom en voorzitter van de Academie van Wetenschappen Martin Rees, die in een geruchtmakend boek allerlei rampen voor de mensheid in deze eeuw voorspelde. Laat, menen optimisten als iiss-analist Mark Fitzpatrick: «Mijn gut feeling zegt dat we de volgende halve eeuw geen nucleair conflict krijgen.»Dergelijke voorspellingen zijn weinig waard. Maar als het misgaat – in de merkwaardige wereld van nucleaire strategie zijn er maar weinig analisten die geloven dat van al die duizenden kernwapens in steeds meer landen er nooit een ingezet zal worden – is één ding wel te voorspellen: voor de dag na Armageddon heeft niemand een plan klaar.