Louis Édouard veranderde van een arbeiderszoon in een hoogopgeleide kosmopoliet © Arnaud Delrue

‘En je hebt mijn moeder.’ Door dit ene zinnetje weet je nog weinig over de moeder in kwestie – behalve dat ze er bekaaid vanaf zal komen. Het staat in Weg met Eddy Bellegueule uit 2014, de autobiografische debuutroman waarmee de jonge Franse auteur Édouard Louis zich efficiënt opwerkte tot literaire superster. De moeder in dat boek rookte als een schoorsteen, terwijl haar astmatische zoon naar adem moest happen. Vrijwel zonder pauze stond ze te schelden tegen de tv en vaak hield ze haar kinderen thuis van school om te helpen in het huishouden. Louis’ nieuwe boek, Strijd en metamorfose van een vrouw, is volledig gewijd aan zijn moeder. Maar ze komt eruit naar voren als een ander mens.

Allicht: de titel van het boek geeft al weg dat er in de tussentijd sprake moet zijn geweest van een metamorfose. Louis’ moeder is niet meer wie we ze was in zijn jeugd, waarvan de vreselijke details in Weg met Eddy Bellegueule staan beschreven. Niet langer is ze de vrouw die schamper deed over zijn ‘meisjesmanieren’, hem het leven als homoseksuele jongen in een patriarchaal Noord-Frans arbeidersmilieu nog zuurder maakte dan het al was. Maar haar metamorfose is niet de enige reden waarom het portret dat Louis nu van haar schetst zo verschilt van dat in 2014. Zelf is Louis ook veranderd.

En dan doel ik niet alleen op Louis’ ‘klasse-migratie’. Nadat het Louis gelukt was het arbeidersdorp van zijn jeugd te ontvluchten, ging hij studeren in Parijs, en zo veranderde hij van een arbeiderszoon in een hoogopgeleide kosmopoliet. Deze metamorfose was het onderwerp van Weg met Eddy Bellegueule, dat hij fileert: de verwoestende uitwerking van de mannelijkheid als norm, de tragische manier waarop men er zelf de eigen misère bestendigt. Door bijvoorbeeld vroegtijdig van school af te gaan, want school was voor watjes.

Maar sinds zijn debuut is Louis bezig nog een andere verandering door te maken: hij wordt, simpel gezegd, steeds woker. De enkeling die Louis’ debuutroman destijds niet de hemel in prees, nam hem kwalijk dat hij een karikatuur van de Franse onderklasse had gemaakt. In zijn tweede roman, over een ervaring met seksueel geweld, waakte Louis vervolgens voor stereotyperingen, zelfs van de dader in het verhaal. Zijn derde boek ging over zijn vader, die hij gelaagder beschreef dan als de zatlap en algehele bullebak uit zijn debuut. Louis had inmiddels, zo leert dat derde boek, ingezien dat zijn vaders gedrag niet zozeer aan hemzelf te wijten was, maar aan de Franse politiek, die arbeiders zoals zijn vader systematisch in de steek laat.

Met Strijd en metamorfose van een vrouw heeft Louis nu eenzelfde type moederboekje (tachtig bladzijden) geschreven. Sinds Louis niet meer thuis woont, beseft hij dat ook zijn moeder altijd het slachtoffer moet zijn geweest van het door hem ervaren geweld. Met andere woorden zag hij vanuit zijn nieuwe situatie in dat zijn moeder en hij hun lot altijd hadden gedeeld. En inmiddels is ook zij het dorp ontvlucht. Op een nacht kreeg Louis een telefoontje. Zijn moeder ‘sprak snel, klonk buiten adem, met de opwinding van een tienermeisje’: ‘Het is zo ver. Ik heb het gedaan.’

Zonder dat ze het uitsprak, wist Louis wat er gebeurd was: ze had zijn vader verlaten. Ook zijn moeder had zich vrijgevochten, haar bestaan als uitgejouwde huisvrouw had ze ingeruild voor een vrijer bestaan in Parijs; haar minachting voor Louis’ seksualiteit maakte in deze tijd plaats voor begrip.

Er is afstand nodig om dichter bij elkaar te komen: je zou de drijvende kracht achter Strijd en metamorfose van een vrouw kunnen typeren met dit aloude cliché. Zij het met twee belangrijke kanttekeningen. In een sociale klasse waar homoseksualiteit wordt verafschuwd, zit een kind zo diep in de kast dat het zelfs zijn ouders niet dichtbij kan laten komen. Vandaar Louis’ initiële afstand van zijn moeder: ‘Ik wilde niet dat je wist wie ik ben.’ Bovendien is het typisch voor klasse-specifiek geweld dat je het pas doorziet zodra je de betreffende klasse hebt verlaten: de precieze reden waarom afstand voor Louis noodzakelijk was.

Moeders geluk, weet Louis nu, vormde een bedreiging voor de mannelijke dominantie in het huishouden – waaraan hijzelf wel degelijk medeplichtig was

Met deze twee inzichten op zak, beschrijft Louis zijn moeder in Strijd en metamorfose van een vrouw met meer zachtheid dan in zijn debuut. Of eigenlijk is zijn beeld van haar nu überhaupt anders: door zijn nieuwe perspectief herinnert hij zich andere dingen van vroeger. Een van de vier delen van het boek is gewijd aan de periode dat zijn moeder bevriend raakte met een vrouw uit een hogere klasse, met wie ze een front kon vormen tegen neerbuigende mannen. Louis kon de vriendschap weinig schelen, totdat hij ging inzien hoe empowering die voor zijn moeder moest zijn geweest.

Wat Louis bovendien begon te erkennen, was zijn eigen aandeel in zijn moeders onvrije bestaan. Hij vertelt over een schrijnende reeks identieke herinneringen aan zijn moeder in beschonken toestand. De keren dat zijn moeder te veel dronk, waren op één hand te tellen, voorspelbaar en onschuldig: haar bui werd steeds uitgelatener en uiteindelijk stond ze op om een liedje van The Scorpions te draaien. De kleine Louis, die in de aanpalende kamer probeerde te slapen, begaf zich dan stampvoetend naar de woonkamer en schreeuwde: ‘Zet dat liedje uit!’ In het overgrote deel van zijn herinneringen volgde zijn moeder zijn bevel op. Maar in één herinnering verschenen er tranen van woede in haar ogen. Haar geluk, weet Louis nu, vormde een bedreiging voor de mannelijke dominantie in het huishouden – waaraan hijzelf, ondanks alles, wel degelijk medeplichtig was.

Voor het soort boek dat Strijd en metamorfose van een vrouw is, bestaat in de literatuurwetenschap een drietal genreaanduidingen. Een ervan is ‘relationele autobiografie’, waarin een autobiograaf in plaats van zijn eigen leven zijn relatie met een ander, vaak een ouder, centraal stelt. Maar meer nog is het boek een ‘paramemoire’, letterlijk een ‘bijna-memoire’, in dit geval niet het levensverhaal van de auteur zelf, maar dat van een naaste. En je zou het boek zelfs een ‘co-getuigenis’ kunnen noemen: Louis treedt erin op als getuige van zijn moeders bestaan, dat ze zelf – ze heeft de basisschool nooit afgemaakt – niet zo had kunnen optekenen.

Alle drie deze termen duiden pogingen aan om het verhaal van een ander te vertellen zonder de pretentie dat verhaal volledig te kunnen vatten, zonder het je ‘toe te eigenen’. Louis bindt als schrijver systematisch de strijd aan met onrecht in de literatuur zoals uitsluiting en toe-eigening. Zo ook met de toe-eigeningsmechanismen die nu eenmaal uitgaan van taal. Denk aan een simpel zinnetje als ‘ik beschrijf haar’: er is altijd een handelend subject (ik) dat macht suggereert te hebben over een passief object (haar). Toe-eigening is met andere woorden inherent aan taal.

In zijn vorige boek kwam Louis al met een list om dit soort toe-eigening te omzeilen: hij schreef niet over zijn vader in de hij-vorm, maar in de tweede persoon. Alsof hij met zijn vader en de lezer aan tafel zat. Dit doet hij ook weer in zijn moederboek: hij schrijft niet over zijn moeder, maar hij spreekt haar aan. Soms stelt hij haar zelfs een vraag, over haar episode met de middenklasse-vriendin bijvoorbeeld: ‘Is het iets waaraan je terugdenkt, vaak terugdenkt?’ Ook met zo’n vraag ontwijkt Louis de toe-eigenende uitwerking van taal en zoekt hij toenadering tot zijn moeder. Overigens wisselt hij de jij-vorm in Strijd en metamorfose van een vrouw af met de derde persoon – ik denk omdat hij de afstand tot zijn moeder ook nodig had om haar überhaupt te kunnen begrijpen.

Een ander wapen in Louis’ strijd tegen onwenselijke literaire uitwassen is directheid. Literaire principes als show, don’t tell en het verbod op politieke stellingname lapt hij aan zijn laars: ‘Er is me verteld dat literatuur de werkelijkheid nooit mag proberen uit te leggen, maar alleen proberen te illustreren, en ik schrijf om haar leven uit te leggen en te begrijpen.’ Die directheid kenden we al uit zijn vorige boek. Daarin omschrijft hij het besluit van de minister van Volksgezondheid om de vergoeding van zijn vaders type medicatie af te schaffen bijvoorbeeld als volgt: ‘Jacques Chirac en Xavier Bertrand hebben je ingewanden kapotgemaakt.’

De criticus in mij werd van dit soort directheid argwanend, maar de idealist schreeuwde er juichend overheen. Toch blijft iets aan de directheid in Louis’ nieuwe moederboek me dwarszitten. De literaire grens die hij ermee opzoekt is specifiek die van sentimentaliteit. Als zijn moeder, na haar huwelijk te zijn ontvlucht, een relatief vrijgevochten leven begint in de Franse hoofdstad, duidt hij haar aan als ‘de koningin van Parijs’. En haalt hij een zogenaamd poëtische reeks herinneringen aan haar op: ‘Als ze een keel opzette/ Als ze liep/ Als ze droomde/ Als ze klaagde.’

Goed: als je jeugd je nooit toestond lieve dingen te zeggen over je moeder, dan snap ik dat er emancipatie, bevrijding schuilt in sentimentaliteit op latere leeftijd. Bovendien werkt Louis’ sentimentaliteit wel degelijk: toen de al eindeloos aangekondigde foto van Louis’ moeder als jonge vrouw eindelijk in het boek voorbijkwam, barstte ook ik keurig in janken uit. Maar toch, Édouard (ik richt me maar direct tot jou): moest je eerste boek over een vrouw, je toenadering tot die belangrijke vrouw, per se sentimentele vormen aannemen? Komt ze er zo in zekere zin niet alsnog een beetje bekaaid vanaf?

In september gaat een toneelbewerking van Strijd en metamorfose van een vrouw van Ivo van Hove in première