Het is soms nog best moeilijk niet al te blij te zijn met jezelf. Het scheelt dat de tevredenheid vooral het werk van anderen betreft. Laat ik de besprekingen van boeken, oeuvres, schrijvers van het afgelopen jaar aan me voorbij trekken, dan zie ik stukken waar kennis, nieuwsgierigheid en liefde vanaf spatten. Zelf hecht ik erg aan vaste stemmen, ik bedoel critici van wie je het idee hebt dat ze met je op lopen, wier smaak je kunt inschatten en wier oordeel je kunt vertrouwen. En soms komen daar dan nieuwe stemmen bij, ook goddank.

Geen vervangende leessterren bij ons, maar gewoon uitgebreide literaire kritieken die de weg wijzen in het gigantische aanbod van fictie en nonfictie, Nederlands en vertaald.

Dat het het jaar van Annie Ernaux zou worden wisten we nog niet toen we het eerste nummer van 2022 aan haar leven en werk wijdden. ‘Lezen om erover te schrijven, en schrijven om het meegemaakte van betekenis te voorzien: het is wat je Ernaux’ project zou kunnen noemen’, schrijft Niña Weijers met kennelijk invoelend vermogen ter introductie van het schrijnende Meisjesherinneringen.

Ilse Josepha Lazaroms portretteerde een generatiegenote van Ernaux, schrijfster van bijna negentig boeken waarin het laatste woord nooit is gezegd: Hélène Cixous. Een ongrijpbaar auteur, uitvinder van de ‘écriture feminine’, door Lazaroms verbonden met een nieuwe ster aan dit firmament: Doireann Ní Ghríofa, schrijfster van Een geest in de keel.

Soms lees je besprekingen die je onmiddellijk naar de boekhandel doen rennen. Ik had dat met het stuk dat Charlotte Remarque schreef over de nieuwe roman van Peter Terrin, De gebeurtenis. Een complexe roman die door Remarque wordt opgetild als een reeks portretten van de mens op z‘n kwetsbaarst.

Zo ben ik ook een onvermoede Noorse schrijfster gaan lezen nadat ik Annelies Verbeke over haar hoorde in de 21 vragen-rubriek die met grote regelmaat online verschijnt, sowieso een onuitputtelijke bron voor van álles: vijand- en vriendschappen, inspiratiebronnen en voorbeelden. Ik vind ze eigenlijk altijd saillant, ook die van Jenny Offill is me erg bijgebleven, ik heb zelfs haar schrijfadvies maar weer even overgeschreven in m’n agenda.

‘Alles is één lang gedicht, zie het maar eens binnen de bladspiegel te krijgen’, verzuchtte Ester Naomi Perquin in een van haar columns dit jaar. Haar dichterscolumn is sinds jaar en dag de vaste, tijdloze ster te midden van het actuele boekengeweld. Een hele roman kreeg ze binnen de bladspiegel van een enkele pagina met Gezicht.

Tot slot Martijn Stronks over de Duitse socioloog Hartmut Rosa, de reden dat ik nu Onbeschikbaarheid naast m’n laptop heb liggen. Stronks stipt net genoeg aan om ervoor te zorgen dat je nieuwsgierig wordt en maakt tegelijkertijd alvast begrijpelijk dat dit boek je iets gaat vertellen over de tijd waarin we leven. Iets wezenlijks.