Rosa Parks, 4 februari 1913

Het jaar van de oreo

In de luxe kantine van Smith College, een hoog aangeschreven vrouwenuniversiteit in de beslotenheid van de dunbevolkte heuvels en bossen van New England, staat een twintigjarige studente achter de kassa. Ze draagt een plastic armbandje, nog zwarter dan haar huid. Gevraagd naar de betekenis ervan mompelt ze, haar ogen neergeslagen: «By all means necessary.» Als ze haar arm ter verduidelijking naar voren steekt, wordt behalve dit citaat ook de auteursnaam zichtbaar: Malcolm X.

«Overcompensatie», verzucht een blanke professor even later op de achteloze toon van iemand die dagelijks met het fenomeen te maken krijgt: «Ze is een van mijn beste studenten, haalt alleen maar tienen. Precies door the means die deze instelling van haar verlangt. Zo’n armbandje is om te bewijzen dat ze geen oreo is, een gangbaar maar verschrikkelijk scheldwoord in de zwarte gemeenschap. Die gemeenschap is hier ver weg, net als haar familie, maar kennelijk moet ze ook zichzelf blijven overtuigen.»

Een oreo is een zwart koekje met witte vulling; het meest gegeten kaakje van Amerika met meer dan 362 miljard verorberde exemplaren sinds de eerste pakjes een eeuw geleden de fabriek uit rolden. De afgelopen maanden figureerde het koekje prominent in krantenkoppen. Een zwarte politicus uit Baltimore die het waagde zichzelf namens de Republikeinse Partij kandidaat te stellen voor een ambt klaagde over de oreo’s die het publiek tijdens debatten in eerdere verkiezingen naar hem gooide.

Toen na de Katrina-ramp bleek dat nog maar twee procent van de zwarte Amerikanen vond dat Bush «het goed deed» werden ook de kwalificaties van Powell («Bush’ bediende») en Rice («zwarte minstreel») in de zwarte gemeenschap opnieuw besproken. Niet alleen Republikeinen, iedere zwarte Amerikaan loopt het gevaar om voor oreo, Uncle Tom of «acting white» te worden uitgemaakt. De jonge, in Yale, Oxford en Stanford opgeleide Democraat Cory Booker, die probeerde burgemeester van Newark te worden, kreeg van de zittende burgemeester Sharpe James meer dan koekjes naar zijn hoofd geslingerd. «Jij moet nog leren Afro-Amerikaan te zijn en wij hebben geen tijd om je te trainen», zei James in een van zijn mildere retorische uitvallen naar de jonge ster aan het Democratische firmament. Na een forse achterstand in de peilingen won James de verkiezingen nipt.

Het afgelopen jaar dook het oreokoekje ook veelvuldig op in het debat over de toestand van de zwarte gemeenschap in Amerika. Er waren genoeg aanleidingen. Op 24 oktober overleed Rosa Parks, de «moeder van de burgerrechtenbeweging» wier weigering op 1 december 1955 om haar plaats in een overvolle bus aan een blanke af te staan een boycot uitlokte die het einde van de wettelijk vastgelegde segregatie van bussen in het Zuiden inluidde. In 2005 was het ook precies veertig jaar geleden dat president Johnson de Voting Rights Act tekende, een wet die het onmogelijk maakte om zwarte Amerikanen nog langer met trucs bij de stembussen weg te houden.

En het was evenveel jaar geleden dat de zwarte gemeenschap in Watts, een wijk van Los Angeles, vijf dagen durende rellen ontketende. Daarbij overleden 34 mensen, vielen meer dan duizend gewonden, werden duizenden bedrijven vernietigd en bijna vierduizend arrestaties verricht. De rellen in Watts waren de eerste van een reeks rassenrellen in andere grote steden in «de hete lange zomers» van de jaren zestig. Opvallend was dat de relschoppers vooral – of bijna alleen – de fik staken in eigen wijken, die daarna nooit meer helemaal zijn hersteld. Ook winkels met «soulstickers» op de ramen gingen in vlammen op.

Katrina wakkerde het toch al verhitte debat verder aan. De orkaan verleidde de bekendste zwarte intellectueel van Amerika, Princeton-hoogleraar Cornel West, tot de stelling dat «het een korte weg is van een slavenschip naar de Metrodome» (het stadion van New Orleans waar de achterblijvers hun toevlucht zochten). Katrina maakte zichtbaar waar alle debattanten het over eens zijn: ondanks veertig jaar vooruitgang in de strijd tegen racisme gaat het slecht met de zwarte gemeenschap.

Statistisch is de malaise nauwelijks te overzien. Zwarten vormen een disproportioneel groot deel van de armen in Amerika. Het aantal zwarte kinderen wier moeder niet samenwoont met de biologische vader is gestegen van 24 procent in de jaren zestig tot 68 procent in 2004. Eén op de drie zwarte mannen belandt vroeg of laat in de gevangenis. Extra pijnlijk was de ontdekking dit jaar dat recente, vrijwillige Afrikaanse immigranten in Amerika de «oorspronkelijke» zwarte bevolking sociaal-economisch voorbijstreven. Voor sommigen is dit het bewijs dat de slavernij, meer dan racisme, debet is aan de ellende van de zwarte Amerikaan, voor anderen een reden te meer om de oorzaken voor de achterstand te zoeken in de eigen «cultuur», in de normen, waarden en betekenissen van de Afro-Amerikaanse gemeenschap.

In overgrote meerderheid wonen de Amerikaanse zwarten in armoedige en troosteloze buurten. Een van de treurigste wijken, zowel statistisch als qua aanblik, ligt in het noordoosten van Washington DC. Eén op de zes mannen is er geïnfecteerd met hiv, meer dan twintig kinderen sterven er jaarlijks door verdwaalde kogels en crack is er nog steeds een actuele drug. Bijna de helft van de inwoners leeft onder de armoedegrens. Het moordcijfer wordt er enkel overtroffen door dat van New Orleans. Onder medewerkers van de Wereldbank, waar voornamelijk hoog opgeleide en goed verdienende zwarten uit Afrika werken, circuleerde afgelopen weken een mailtje waarin wordt voorgerekend dat een man in DC tussen zijn 15de en 35ste dezelfde kans loopt te worden doodgeschoten als een Amerikaanse soldaat in Irak.

André Cheek, levenslang inwoner van de buurt, heeft verscheidene familieleden verloren aan drugs, aids en geweld. Wellicht daarom kan hij eindeloos delibereren over de oorzaken van de malaise. Hij gelooft in eigen verantwoordelijkheid. Naar eigen zeggen komt dat door zijn ervaringen met drugs. Tien jaar lang heeft hij intensief crack gebruikt. Op de begrafenis van zijn zus, die er op dertigjarige leeftijd aan overleed, vond hij het genoeg. «Ik ben van de ene op de andere dag gestopt. Laat niemand je wijsmaken dat het niet kan! We dachten dat we konden spelen met de duivel, weet je. Dat was de uitdaging. Maar ik vertel je: de duivel wint altijd. Ik heb tien jaar van mijn leven verloren.»

Cheek, een kleine, stevige 47-jarige zwarte die ooit basketballer had willen worden, probeert nu rond te komen van een minimumloon. Hij spreekt het smeuïge idioom dat door taalwetenschappers Ebonics wordt genoemd, de «taal der zwarten». Pas bij een tweede ontmoeting ontdek ik dat Ebonics niets anders is dan grammaticaal verkeerd Engels, met enkele mij onbekende woorden. Zo zegt Cheek dat zijn buurt vol zit met «gimmies», mensen die altijd om geld vragen («give me») zonder ervoor te willen werken. Ergerlijker dan de gimmies vindt hij de hoeveelheid drankwinkels: «O-ve-ral zitten ze, op iedere hoek. Je hoeft er niet eens voor naar de hoofdstraat; ze staan gewoon tussen de huizen. ’s Morgens staan er al broeders te wachten tot de zaak opengaat.»

Om het te bewijzen neemt hij me mee op een tripje. Onderweg vertelt hij hoe zijn vrienden denken over de oorzaken van de malaise. Die vormen een bolle spiegel van het debat tussen Cornel West, de komiek Bill Cosby, de dominees Jesse Jackson en Al Sharpton en hoogleraar Michael Eric Dyson, die het woord «afristocracy» muntte uit woede over «black elitists» als Bill Cosby. Een van Cheeks vrienden zit op Dysons spoor: «De blanken hebben ons net genoeg strop gelaten om onszelf op te hangen.» Hij weet zeker dat blanken achter al die drankwinkels zitten: «Dat deden ze ook met de indianen. Dat was heel efficiënt.»

Een ander gelooft in de Vloek met een hoofdletter: «Geloof me, we zijn vervloekt. Er is niet één plaats in de wereld waar broeders er wél iets van maken.»

Cheek staat in het kamp van Cosby. Hoewel «de blanken ons natuurlijk eeuwenlang hebben onderdrukt» houdt hij er niet van hen van alles de schuld te geven. Cheek: «Is het een blanke gewoonte om iemand een kogel of vier door zijn kop te jagen om een jas van North Face? En bovendien, zijn North Face-jassen niet eigenlijk gemaakt door blanken voor andere blanken die het leuk vinden om bergen te beklimmen in nog veel blankere staten en landen?» Hij doelt op een incident in DC waarbij een zwarte tiener met een kogel in zijn achterste in het ziekenhuis werd opgenomen. Hij had geweigerd zijn winterjas van North Face af te staan aan een eveneens zwarte dader.

Bij de derde ontmoeting praat Cheek nagenoeg onafgebroken. Hij kan er niet over uit wat de aantrekkingskracht is van moordenaars in zijn buurt. Cheek: «Je schiet iemand voor z’n kop en je hebt de meisjes aan je voeten. Terwijl die gasten als ze gepakt worden voor twintig jaar tot levenslang de bak indraaien.» Hij meent dat de muziekindustrie ermee te maken heeft: «Ken jij nog een zwarte musicus die niet zingt over makkelijke seks, dure auto’s en de verrukking van geweld? Het is één grote verheerlijking van geweld.» Daarin staat hij niet alleen. Maar anders dan de geruchten in de «hood» gaat Cheek niet zo ver te beweren dat de succesvolle rapper Cameron Giles, oftewel «Cam’ron», de aanslag die op hem werd gepleegd zelf in scène heeft gezet.

Het was op 22 oktober jongstleden. Giles, die uit New York was afgereisd ter promotie van een cd, stond met zijn blauwe Lamborghini voor een rood stoplicht in een drukke straat in Washington. Naast hem stopte een zwarte SUV-Ford. Een man stapte uit en schoot enkele keren op de rapper, die door één kogel in beide armen werd geraakt. Cam’ron kon ontkomen door hard op te trekken. De Ford scheurde erachteraan maar botste op een geparkeerde auto; de berijder maakte zich uit de voeten. Toen de immer met gouden kettingen en edelstenen behangen «Killa’Cam» het ziekenhuis verliet, vertelde hij trots voor de camera’s dat ze niet «zomaar» zijn auto of zijn juwelen konden afpakken «door met een pistool te zwaaien».

De politie dacht de schuldigen snel te kunnen pakken. Niet alleen Cam’ron maar ook zijn entourage – een groep mannen en vrouwen die hem volgde in een roze Range Rover – had goed zicht gehad op de dader. Tot ergernis van de politie werkte de rapper echter niet mee. «Hij gaat dat gewoon niet doen», verklaarde zijn partner-in-rap Juelz Santana: «Hij gaat niet naar het bureau om de dader aan te wijzen uit een rij verdachten. We zijn zelf van de straat.» Met andere woorden: Killa’Cam wil alleen als verdachte met de politie te maken hebben, niet als slachtoffer en zeker niet als verklikker – een «snitch» is bijna net zo erg als een oreo. Zijn rap-rivalen zouden dan een feestje kunnen bouwen en de inkomsten uit cd’s, zijn eigen drankmerk en geurtjeslijn (ook gangsta’s zijn geparfumeerd) zouden direct opdrogen.

Nog opvallender is dat Cam’ron binnenkort, nog geen drie maanden na de aanslag, met een film op de markt komt, Killa Season, waarin behalve blote vrouwen en beschietingen eenzelfde soort aanslag voorkomt als die op hem. Zijn publiciteitsafdeling draaide overuren om aan zowel de werkelijke als de virtuele aanslag ruchtbaarheid te geven. Niet met de politie, maar wel met de presentatoren van MTV besprak Cam’ron uitgebreid wie het op hem gemunt zou kunnen hebben. Cheek: «De grootste gotspe is nog wel dat de idioot zichzelf heeft vergeleken met Marten Luther King en Malcolm X. Dat is toch om je dood te schamen?»

De zwarte wetenschapper John McWhorter werkt aan een boek waarin hij een verklaring tracht te geven voor de populariteit van gewelddadige raps en de schietpartijen onder rappers. Tegelijk hoopt de wetenschapper in Winning the Race: Beyond the Crisis in Black America, dat in februari verschijnt, met zijn sociaal-culturele theorie een verklaring te geven voor de miserabele toestand van de zwarten in Amerika. Zijn onderzoek naar de rassenrellen van de jaren zestig bracht hem tot de conclusie dat de algemene verklaring dat zwarten in opstand kwamen tegen de omstandigheden waarin ze leefden, niet klopt.

Waarom was er niet eerder een opstand uitgebroken, toen de omstandigheden aanzienlijk slechter waren dan in de jaren zestig? Waarom vonden de meest gewelddadige en destructieve rellen juist plaats in de naar toenmalige verhoudingen beste zwarte wijken van het land? McWhorter: «Het komt door de houding van verzet. Die heeft ons natuurlijk geen windeieren gelegd. Het bleek de beste strategie om een einde te maken aan institutioneel racisme, aan segregatie als officieel beleid. Maar het is uit de hand gelopen. Opgezweept door de tegencultuur van die jaren ontstond er verzet om wille van het verzet. Rebelleren heette in die tijd zelfs ‹authentiek zwart› te zijn. Wij waren de echte verzetsjongens; wij maakten waar wat we zeiden, in tegenstelling tot die softe blanke rijkeluiskinderen met bloemen in hun haar. Dat was de gedachte.»

McWhorter beschrijft de zwarte gemeenschap als een heroïneverslaafde uit de jaren zestig. Zijn vrienden zijn inmiddels afgekickt en hebben weer een burgerlijk leven opgepikt, maar zwart Amerika ligt in de goot met de spuit nog in de arm. McWhorter: «We zijn ijzersterk geworden in de retoriek van verzet tegen de racistische, zieke samenleving. Ik weet niet of je ooit Dyson hebt horen spreken of Jesse Jackson. Wij hebben het vocabulaire van de jaren zestig geperfectioneerd.» Maar om uit de huidige ellende te komen is meer nodig dan een houding van verzet: «Je kunt niet alleen maar nee zeggen tegen de rest van de samenleving als je daarin ooit iets wilt betekenen.»

Juist om die reden weet Cheek niet goed wat hij aanmoet met het heldenverhaal rond Rosa Parks. Zijn dochtertje van zes leerde het verhaal de afgelopen maanden op school, maar als rolmodel vindt hij Parks niet inspirerend. Cheek: «Zij zei alleen maar nee! Dapper was dat zeker. Maar ik wil mijn dochter nu juist ook meegeven dat ze moet proberen mee te doen, desnoods in de blanke samenleving.»

En klopt het beeld dat de school van zijn dochtertje van Parks gaf eigenlijk wel? De bekende zwarte journalist Juan Williams, die verscheidene boeken schreef over de burgerrechtenbeweging, ergert zich aan de «hardnekkige mythe» die rond Rosa Parks is ontstaan en die eindeloos werd herhaald tijdens de begrafenis en de herdenkingen. Rosa zei namelijk niet enkel nee tegen de bestaande orde.

Williams: «Ze zou een eenvoudige, armlastige naaister uit Montgomery in Alabama zijn geweest die door een moedige maar weinig doordachte daad het aanzien van Amerika veranderde. Eigenlijk zou ze haar roem slechts hebben vergaard door op haar luie kont te blijven zitten. Onzin! Rosa Parks was een door de wol geverfde burgerrechtenactiviste, opgeleid aan de beroemde Highlander Folk School in Tennessee waar onderricht werd gegeven in de politieke organisatie van zwarten en minderbedeelden. Al jaren vóór haar beroemde daad streed ze voor stemrecht voor zwarten in Alabama. In 1943 weigerde ze al de regel op te volgen dat zwarten alleen via de achterdeur de bus in mochten en sinds het eind van de jaren veertig vocht ze tegen segregatie in bussen. In 1955 bleek de tijd rijp en hadden we, niet te vergeten, in Martin Luther King een geweldige leider met een uiterst efficiënte, want geweldloze verzetspolitiek.»=Rosa Parks, 24 oktober 2005.