Het jaar van wilhelmina

HET TONEELSTUK Wilhelmina, je maintiendrai, dat aanstaande maandag 31 augustus zijn feestelijke première beleeft, zal naar alle waarschijnlijkheid weinig commotie teweegbrengen. ‘Het zal geen schandaal worden’, zo profeteerde Anne-Wil Blankers al in december verleden jaar, toen bekend werd dat zij de rol van Wilhelmina op de schouders nam. ‘Dat wil ik niet. Wat dat betreft is de schrijver met mij op één lijn gekomen. Het is een soort hommage.’

De schrijver is Ton Vorstenbosch, die bekend staat om zijn sardonische toneelkunst. Nog vers in het geheugen ligt de bijtende aanklacht tegen de Dutchbat-papkindjes van Srebrenica die hij samen met Guus Vleugel voor Toneelgroep Amsterdam schreef. Ook op royalty-gebied heeft Vorstenbosch een naam hoog te houden. Hij schreef het hilarische Hendrik en Wilhelmina, een burleske satire die het helaas nooit verder bracht dan een lezing, met Vorstenbosch zelf heel overtuigend als Wilhelmina. In interviews gaf hij telkens blijk van vastomlijnde opvattingen over zijn favoriete Oranje. ‘Ze had geen enkel gevoel voor humor’, aldus Vorstenbosch in Het Parool over Wilhelmina. 'Ze kon ook totaal niet relativeren en had geen enkel psychologisch inzicht. En dan was er ook nog eens de steile overtuiging dat ze door God zelf op die troon was gezet.’ En over Hendrik: 'Ik ben erg op hem gesteld geraakt toen ik me in hem verdiepte. Erg intelligent was hij niet, maar het moet een aardige man zijn geweest. Hij was iemand die al zijn libidineuze neigingen volgde. Hij stak hem in alles dat bewoog.’
Dat beloofde dus wat voor Wilhelmina, je maintiendrai. De leden van het koninklijk huis bedankten voor de uitnodiging van producent Jacques Senf om de première bij te wonen (premier Kok komt wel). De vrees was ongegrond. De leden van het Republikeins Genootschap en hun pupillen van het Nieuw Republikeins Genootschap zullen not amused zijn. Hendrik-fans al evenmin, want de prins-gemaal blijkt geheel uit de voorstelling weggeschreven.
Die begint precies in 1934, als Hendrik per witte koets en met wapperende swastika-vlaggen naar zijn plaats in de Oranje-grafkelder in Delft is gereden. Hendriks plaats in het leven van de vorstin is hier geheel overgenomen door de spion François van ’t Sant - Vorstenbosch suggereert zo een meer dan vriendschappelijke relatie (terwijl de rol van Wilhelmina’s amant volgens insiders beter kon worden toebedeeld aan admiraal Rambonnet, Wilhelmina’s lieveling in de koloniale strijd).
Het Wilhelminajaar moet vooral gezellig blijven, zo lijkt de bedoeling. Er mogen geen harde noten worden gekraakt over de godsdienstwaanzinnige autocraat die Wilhelmina toch vooral is geweest, over de enorme rem die zij heeft gezet op de ontwikkeling van Nederland tot een moderne democratie. De herdenkingsestafette werd eerder dit jaar ingeluid met de verschijning van het eerste deel van de Wilhelmina-biografie van de Leidse historicus Cees Fasseur. Naar Fasseurs boek was al twee decennia uitgezien. Jarenlang lagen hij en de journalist Rob Vermaas van De Tijd in een nek-aan-nekrace wie als eerste zou komen. Vermaas, tegenwoordig werkzaam voor Hare Majesteit in de ambassade in Pretoria, gaf het uiteindelijk op. Fasseur regelde een aantrekkelijke subsidie van het Prins Bernhard Fonds en wist nog net op tijd te komen met zijn boek, althans het eerste deel ervan, dat loopt tot aan 1918. Men zou willen dat het andersom was geweest, want getuige zijn verhalen over Wilhelmina in het weekblad De Tijd was Vermaas heel wat beter dan zijn concurrent geëquipeerd voor een taak als kritisch biograaf.
Fasseur werd helaas ook aangestoken door het virus dat zo'n beetje iedere Nederlandse historicus besmet zodra er vaderlandse royalty aan te pas komt: hij verandert van een afstandelijke wetenschapper in een kwebbelende NCRV-opoe, die spinnend van genoegen de ene na de andere petite histoire uit de monarchale moppentrommel opdist, terwijl de chocolademelk warm is en de pendule tikt. Wie had gedacht dat de frontale aanval die Fasseurs collega Nanda van der Zee met Om erger te voorkomen op Wilhelmina opende een nieuwe fase in de Wilhelminalogie had ingeluid, kwam bedrogen uit.
ZELDEN WERD ER een gezagsgetrouwer Oranje-boek geschreven dan Fasseurs Wilhelmina, de jonge koningin. Wie het openslaat, stapt als het ware in een ruimte-tijdmachine en wordt enige eeuwen terug in de tijd geslingerd, toen historici niet meer waren dan monniken en troubadours die de glorie van hun beschermheer of -vrouwe bezongen. De jonge koningin is vooral een liefdesbetuiging.
Het motto dat Fasseur aan zijn boek meegaf, afkomstig van Thorbecke, is niet voor niets een soort anti-republikeins manifest: 'De republiek vleit de menigte, die in den staat niets meer ziet dan rechten en belangen van individus.’ Wat we dan wél in de staat moeten zien, vertelt Fasseur er niet bij, maar gezien zijn boek dient gevreesd te worden dat hem daarbij vooral veel Oranje voor ogen staat. Toen Fasseurs boek ten doop werd gehouden in de Eerste Kamer was het 'Oranje boven’ dan ook niet van de lucht.
Senaatsvoorzitter Frits Korthals Altes gaf de historicus zelfs een opdracht mee: in het tweede deel van zijn boek - over enkele jaren te verschijnen - korte metten te maken met de stellingen van Nanda van der Zee over de noodlottige gevolgen van Wilhelmina’s vlucht naar Engeland in mei 1940. Fasseur zal de voorzitter van de Eerste Kamer waarschijnlijk niet teleurstellen, want hij betitelde de beschuldigingen van Van der Zee al eerder als 'nazi-progaganda’. Fasseur zag zich gedwongen deze kwalificatie in De Telegraaf te rectificeren, maar de toon was gezet. Hoewel hij in het voorwoord van zijn boek laat weten beslist 'geen lakei’ te willen zijn, liet Fasseur zich dwingen in een Oranje-serviele rol.
WIE DE MYTHE van Wilhelmina intact wil laten, moet vooral veel verzwijgen. De grondtoon van Fasseurs boek is dan ook een donderende stilte, die gecamoufleerd wordt door een behang van kleinmenselijke anekdotiek. Er kan geen huisdier verschijnen in het koninklijke leven van Wilhelmina of Fasseur weet de naam en de kleur van de teerbeminde lapjeskat, maar als hij zich begeeft in het domein van de politieke intrige, wordt hij opeens heel karig met zijn mededelingen. Het grote euvel dat Wilhelmina haar hele vorstelijke carrière parten heeft gespeeld, was natuurlijk de politieke Deutschfreundlichkeit die ze met de paplepel ingegoten kreeg en die haar lelijk opbrak toen de Duitse invasie in mei 1940 een feit was.
Wilhelmina, het kan niet anders worden gezegd, gokte gewoonweg op de verkeerde partij. Haar vader Willem(III was net als zijn eerste vrouw Sophie von Württemberg zeer anti-Pruisisch gestemd (hetgeen vooral verband hield met de Pruisische annexatie van het Oranje-erfgoed Nassau), maar die ongerechtigheden werden na zijn dood onmiddellijk ongedaan gemaakt. Wilhelmina’s moeder, de Duitse prinses Emma van Waldeck-Pyrmont, trad sinds de dood van haar 42 jaar oudere echtgenoot op als regentes voor haar minderjarige dochter en sidderde voor haar Kaiser, Wilhelm(II te Berlijn. Ieder commando uit Berlijn was voor haar een bevel, dus ook het decreet 'Es darf nur ein Deutscher Prinz sein!’ dat Wilhelm(II aangaande de bruidegom van Wilhelmina had uitgevaardigd.
Al in 1891 brachten Wilhelm(II en keizerin Augusta een staatsbezoek aan Nederland, bij welke gelegenheid er tijdens een militaire parade te zijner ere op de Dam hevig werd ingeknuppeld op de morrende menigte. Sindsdien werd de kleine Wilhelmina door haar moeder vaak naar 'Onkel Willie’ in Berlijn gestuurd, zodat de jonge prinses toch nog een vaderfiguur in haar leven had. De Kaiser organiseerde grote militaire parades om het kind in te laten zien dat er niet te spotten viel met de slagkracht van het nieuwe Duitsland onder Pruisische leiding. Ook nam hij haar vaak mee op het keizerlijke jacht Hohenzollern, voor tochten langs Wilhelms geliefde fjorden.
ENIGE FAAM geniet de anekdote dat Wilhelmina als twaalfjarige in 1892 door de Kaiser werd ontvangen op het station van Potsdam, en Wilhelm zijn kleine gaste attendeerde op de martiale gestalten van zijn lijfwachten, waarbij Wilhelmina’s adjudanten als schriele figuurtjes afstaken. 'Dat is waar, Majesteit’, zo luidde volgens de overlevering Wihelmina’s antwoord, 'Uw gardesoldaten zijn twee meter lang, maar als wij onze dijken doorsteken, is het water drie meter diep.’
Deze anekdote moet haast wel zijn voortgekomen uit propagandistische behoeften, want in werkelijkheid koesterde Wilhelmina een grote bewondering voor de Pruisische potentaat. In 1904, verbolgen over het feit dat Nederland zijns inziens te weinig havens openstelde voor de zich toen in hyperventilerend tempo ontwikkelende Duitse vloot, stuurde Wilhelm(II nog een brief op poten aan Emma en Wilhelmina, waarbij hij dreigde met een bezetting van Nederland. De koningin-moeder en Wilhelmina bleken bij die gelegenheid een en al begrip voor de wensen van de Duitse soeverein. Zij hadden vurig gehoopt dat Wilhelmina’s huwelijk met hertog Hendrik von Mecklenburg-Schwerin, gesloten in 1900, de Kaiser gunstig zou stemmen.
De Mecklenburgers vormden een geslacht naar Wilhelms hart. Hun groothertogdom aan de Oostzee werd nog op feodale wijze geregeerd (tienduizenden Mecklenburgers namen dan ook de wijk naar Amerika) en hun aanhankelijkheid aan het Pruisische keizershuis kende geen grenzen. De Mecklenburgers vormden het allerreactionairste segment van de Duitse adel. Hendriks broer groothertog Johann Albrecht van Mecklenburg was grootmeester van de Germanenorden, een militie op fascistische grondslag die al in 1918 van zich deed spreken als arisch-occulte broederschap en ondergrondse paramilitaire organisatie. Politieke moordaanslagen waren de specialiteit van het huis. Communisten, socialisten, maar ook conservatievere politici van de kersverse republiek van Weimar moesten te vuur en te zwaard worden bestreden. Walter Rathenau, de minister van Buitenlandse Zaken van de Weimar-republiek, werd vermoord nadat hij door de Germanenorden was beschuldigd van een geheim plan om alle koningen van Europa om te brengen.
Ook de moord op de voormalige Reichsminister van Financiën Matthias Erzberger, ondertekenaar van de wapenstilstand met de geallieerden in het kader van de Vrede van Versailles, kwam uit de koker van de Germanenorden. Deze werd op last van Lorenz Mesch, leider van de afdeling in het Beierse Regensburg gepleegd. Hendriks andere broer Adolf Friedrich van Mecklenburg was de laatste gouverneur van de Duitse kolonie Togo en ook al een nazi van het eerste uur. Hendriks bastaardbroer August Diehn, de latere leider van het Duitse Kali-syndicaat, was een van de belangrijkste bemiddelaars tussen het Duitse zakenleven en de opkomende nazi’s.
De Mecklenburgers spanden zich in die jaren geen andere adellijke familie in voor de zaak van de NSDAP. Daarmee zetten zij de koers van Johann Albrecht, grootmeester der Germanenorden, voort. Hun gewezen territorium werd al voor Hitlers uitverkiezing tot rijkskanselier in 1933 door de nazi’s geregeerd, met prominente rollen voor Hendriks broer Friedrich Franz(III, die namens de NSDAP zitting had in de Mecklenburger Landesregierung, en voor de uit Togo teruggekeerde Adolf Friedrich.
De laatste was als voorzitter van de Duitse Automobiel Club een onvermoeibaar inzamelaar van geld voor Hitler. In 1933, pal na Hitlers machtsovername, organiseerde hij speciaal voor een delegatie Nederlandse zakenlieden en hoogwaardigheidsbekleders een excursie naar het nieuwe Duitsland, bedoeld om de band tussen de Duitsers en hun Nederlandse broedervolk aan te halen.
Ook van Emma’s kant lustte men er wel pap van. Vorst Josis zu Waldeck und Pyrmunt, de eerste man van Emma’s doorluchtige geslacht, was generaal van de Waffen SS en Oberster Gerichtsherr in concentratiekamp Dachau. Zowel bij de uitvaart van Emma als van haar schoonzoon Hendrik schalde het Horst Wessellied en wapperden de nazi-vlaggen (beelden daarvan werden op last van Oranje veilig achter slot en grendel gezet).
Bij Fasseur zal men vergeefs naar deze materie speuren. Die is eenvoudig weggeretoucheerd. Fasseur behandelt deze zaken in één alinea, handelend over de reactie van Wilhelmina in 1917 op het nieuws dat haar zwager Johann-Albrecht ('Abby’) lid is geworden van de al even obscure Deutsche Vaterlandspartei. 'Tusschen Abby en mij zal het, vrees ik, wel nooit meer goed gaan. Er is een zeker “uit wandelen” bij hem’, schreef Wilhelmina aan Emma. Fasseur noemt dat dan 'een scherpe reactie’ en put zich uit om aan te tonen dat Wilhelmina - overeenkomstig de door haarzelf in bezettingstijd ontworpen mythe - vanaf het prille begin een echte moffenvreetster was.
HET TEGENDEEL was natuurlijk waar. Wilhelmina was pro-Duits, totdat de omstandigheden haar anti-Duits maakten. Toen Wilhelm(II in 1918 op de vlucht sloeg voor de geallieerden die hem als oorlogsmisdadiger wilden veroordelen, was het Wilhelmina die hem te hulp schoot. Enkele dagen voor de keizerlijke vlucht stuurde ze haar vertrouweling Van Heutsz op een topgeheime missie naar het Duitse hoofdkwartier in Spa. Fasseur maakt daarvan dat Wilhelmina over haar hart streek toen de berooide ex-Kaiser zich bij grensplaats Eysden meldde.
Over Hendriks escapades vier jaar daarvoor, toen de Duitse keizerlijke troepen België binnenvielen, is hij al even coulant. Feit is dat Hendrik na de Duitse inval in België in 1914 alle regels ter behoud van de Nederlandse neutraliteit aan zijn laars lapte en de grens overstak om de vorderingen van de keizerlijke troepen gade te slaan. Om de geallieerden, die sowieso gespitst waren op pro-Duitse gedragingen van het neutrale Nederland, niet voor het hoofd te stoten, verklaarde de Nederlandse regering dat Hendrik dit deed als vertegenwoordiger van het Nederlandse Rode Kruis. In werkelijkheid kon hij zijn geestdrift voor het zo glorieus verlopende aanvalsplan van de generaals Von Moltke en Ludendorff niet verbloemen. Voor straf kreeg Hendrik enige dagen huisarrest. Fasseur maakt daarvan dat Hendriks zorg om het wel en wee van de Duitse troepen 'hartverwarmend’ was.
NEE, ANTI-DUITS was Wilhelmina niet. Het is ook maar de vraag of ze erg anti-Hitler was. Het NSDAP- en SS-lidmaatschap van de man die zij had uitverkoren als bruidegom voor haar enige dochter worden tot nu toe gezien als een bedrijfsongelukje, waar de oude vorstin niets van kon weten. De vraag is echter legitiem of Wilhelmina die dingen niet eerder zag als een aanbeveling, een verzekering dat het via dit huwelijk voortaan wel goed zou zitten tussen het koninkrijk der Nederlanden en het Duitsland onder de nieuwe Kaiser, Adolf Hitler. Het is toch bijna onmogelijk dat dergelijke essentiële lidmaatschappen onbesproken zouden blijven in de lange intensieve sollicitatie van Bernhard die aan het huwelijk voorafging.
Dat dat allemaal veranderde vanaf mei 1940 is een ander verhaal. Dat was eerder een kwestie van image building dan van historische accuratesse. Niet voor niets weigerde Winston Churchill maandenlang Wilhelmina te ontvangen toen ze eenmaal was neergestreken in Londen. Pas in oktober 1940, vijf maanden na de vlucht, werd haar een onderhoud met de oorlogsleider gegund. Gezegd moet worden dat Wilhelmina daarna als geen ander dingen kon roepen als: 'Sla de mof op zijn kop.’ Er voltrok zich in haar een transformatie van jewelste. De geschiedschrijving moest daarom met haar mee transformeren, ten koste van de waarheid.